3. CIRCULATIE, HEMODYNAMIEK EN ISCHEMIE
Inhoud
Hoorcolleges
Hemodynamiek
Pathofysiologie van pompfunctiestoornissen
Regulatie perifere circulatie
Renine-angiotensine-aldosteron systeem
Koppeling hart- en bloedvaten
Afbeeldingstechnieken
Pathofysiologie van ischemisch vaatlijden
Farmacotherapie myocardischemie
Echocardiografie
Integratie/responsiecollege
Zelfstudieopdrachten
Hemodynamiek
Regulatie van de hartslag
Pathofysiologie van pompfunctiestoornissen
Regulatie perifere circulatie
Pathofysiologie van ischemie
Ultrageluid
Vaardigheidsonderwijs
Het bloedcirculatiemodel
Samenvatting 1B1 week 3 (14) – Judith Bus 1
,HOORCOLLEGES
Hemodynamiek
De functies van bloed zijn:
- het transport van voedingsstoffen en afbraakproducten
- Warmtetransport
- Doorgeven van krachten (verandering van druk in de vaten: bijv. aorta)
De fysische kenmerken van het circulatiesysteem zijn:
- gesloten systeem: in rust 5l/min, bij inspanning tot 25l/min (geen lekkage);
- goede verdeling over de organen (grote lengte van 100.000 km);
- grote drukverschillen: 80-120 mmHg (200mmHg), loopt bij ouderen op;
- pulserende flow vs. continue flow;
- geen starre maar flexibele elastische buizen;
- bloed is een heterogene vloeistof met viskeuze eigenschappen (stroperig);
- hoge perifere weerstand;
- bloedvolume: ongeveer 6L.
Wet van Pascal
We kijken naar een stilstaande vloeistof welke in alle richtingen een even
grote druk uitoefent
De druk in het horizontaal vlak is overal even hoog
De druk neemt toe met de diepte
Hiervoor moet worden gewerkt met SI-eenheden. Om van mmHg naar Pa te gaan:
p = 13.6 103 * 9.81 * aantal mm Hg. Hou altijd gelijke eenheden aan!
Door de weerstand die aanwezig is in de bloedvaten neemt de druk (ook in
horizontale positie) af naar de voeten en het hoofd.
Samenvatting 1B1 week 3 (14) – Judith Bus 2
,Continuïteitsvergelijking
F = flow
De snelheid van een bloeddeeltje maal de doorsnede geeft de flow/volumestroom.
De aanname is nog steeds dat er sprake is van een gesloten systeem, dus wat er in
stroomt, stroomt er ook weer uit.
De continuïteitsvergelijking: flow in = flow uit
v= F/A
Wanneer we kijken naar verschillende doorsneden met een constante flow zien we
dat bij het toenemen van de doorsnede van een vat de snelheid afneemt. Bij een
aneurysma neemt de snelheid dus af en bij een vaatvernauwing juist toe.
Bloedvaten vertakken zich wat betekent dat er steeds meer doorsneden komen en
de doorsnede van al deze vertakkingen tezamen enorm toeneemt. De snelheid is
dus eerst groot en richting de capillairen neemt de snelheid af, dit is precies wat
nodig is voor een goede uitwisseling. De afnemen van de snelheid is dus NIET het
gevolg van een toenemende weerstand, maar van een toenemende doorsnede.
Dus…
Stippellijn = doorsnede oppervlakte
Doorgetrokken lijn = stroomsnelheid
Samenvatting 1B1 week 3 (14) – Judith Bus 3
, Wet van Bernoulli
Bij deze wet van behoud van energie wordt uitgegaan van dat bloed niet visceus is
en incompressibel. Hierbij gaat het om de volgende vormen van energie:
Pomp energie: de drukopbouw in het hart (p)
Kinetische energie: de bewegings- en stromingsenergie (1/2 rho v2)
Potentiële energie: plaats – hoogte (rho g h)
Bij een vernauwing betekent dat de potentiële energie gelijk blijft want er is sprake
van een horizontale buis (h=0) dus:
Uit de continuïteitsvergelijking volgt dat bij een kleinere doorsnede A de snelheid v
groter zal worden. En uit de wet van Bernoulli volgt dat wanneer de kinetische
energie (1/2 rho v2) toeneemt de druk p dus omlaag moet gaan.
Wanneer iemand met een vernauwing zich gaat inspannen gaat de HF omhoog,
neemt de CO (Cardiac Output) toe en de snelheid ook. De druk p wordt nog lager en
dan kunnen vaten afgesloten worden door de lage druk en het drukken van ander
weefsel op het vat door de toegenomen flow. Er kan dan ischemie optreden wat
vervolgens weer verdwijnt in rust.
Laminaire flow en turbulentie
Bloed is een viskeuze (plakkerige) vloeistof. Het bloed langs de wand stroomt
hierdoor langzamer dan het bloed in het centrum van het vat. Het stroomt laminair.
Bij laminaire flow is er geen geruis en stromen de erytrocyten centraal. Bij
vertakkingen is een lagere waarde erytrocyten te vinden wat het plasma-skimming
effect wordt genoemd.
Turbulentie (het kolken van bloed) treedt op bij systole (hogere druk geeft snellere
stroming), inspanning en bij vaatvernauwing. Hierdoor treedt er vaatgeruis op en zijn
er vaattrillingen voelbaar. Ook is er sprake van energieverlies waardoor het hart
harder moet pompen. De vaatwand kan beschadigen waar bloedplaatjes op
reageren door stolselvorming waardoor trombose kan ontstaan.
Samenvatting 1B1 week 3 (14) – Judith Bus 4
Inhoud
Hoorcolleges
Hemodynamiek
Pathofysiologie van pompfunctiestoornissen
Regulatie perifere circulatie
Renine-angiotensine-aldosteron systeem
Koppeling hart- en bloedvaten
Afbeeldingstechnieken
Pathofysiologie van ischemisch vaatlijden
Farmacotherapie myocardischemie
Echocardiografie
Integratie/responsiecollege
Zelfstudieopdrachten
Hemodynamiek
Regulatie van de hartslag
Pathofysiologie van pompfunctiestoornissen
Regulatie perifere circulatie
Pathofysiologie van ischemie
Ultrageluid
Vaardigheidsonderwijs
Het bloedcirculatiemodel
Samenvatting 1B1 week 3 (14) – Judith Bus 1
,HOORCOLLEGES
Hemodynamiek
De functies van bloed zijn:
- het transport van voedingsstoffen en afbraakproducten
- Warmtetransport
- Doorgeven van krachten (verandering van druk in de vaten: bijv. aorta)
De fysische kenmerken van het circulatiesysteem zijn:
- gesloten systeem: in rust 5l/min, bij inspanning tot 25l/min (geen lekkage);
- goede verdeling over de organen (grote lengte van 100.000 km);
- grote drukverschillen: 80-120 mmHg (200mmHg), loopt bij ouderen op;
- pulserende flow vs. continue flow;
- geen starre maar flexibele elastische buizen;
- bloed is een heterogene vloeistof met viskeuze eigenschappen (stroperig);
- hoge perifere weerstand;
- bloedvolume: ongeveer 6L.
Wet van Pascal
We kijken naar een stilstaande vloeistof welke in alle richtingen een even
grote druk uitoefent
De druk in het horizontaal vlak is overal even hoog
De druk neemt toe met de diepte
Hiervoor moet worden gewerkt met SI-eenheden. Om van mmHg naar Pa te gaan:
p = 13.6 103 * 9.81 * aantal mm Hg. Hou altijd gelijke eenheden aan!
Door de weerstand die aanwezig is in de bloedvaten neemt de druk (ook in
horizontale positie) af naar de voeten en het hoofd.
Samenvatting 1B1 week 3 (14) – Judith Bus 2
,Continuïteitsvergelijking
F = flow
De snelheid van een bloeddeeltje maal de doorsnede geeft de flow/volumestroom.
De aanname is nog steeds dat er sprake is van een gesloten systeem, dus wat er in
stroomt, stroomt er ook weer uit.
De continuïteitsvergelijking: flow in = flow uit
v= F/A
Wanneer we kijken naar verschillende doorsneden met een constante flow zien we
dat bij het toenemen van de doorsnede van een vat de snelheid afneemt. Bij een
aneurysma neemt de snelheid dus af en bij een vaatvernauwing juist toe.
Bloedvaten vertakken zich wat betekent dat er steeds meer doorsneden komen en
de doorsnede van al deze vertakkingen tezamen enorm toeneemt. De snelheid is
dus eerst groot en richting de capillairen neemt de snelheid af, dit is precies wat
nodig is voor een goede uitwisseling. De afnemen van de snelheid is dus NIET het
gevolg van een toenemende weerstand, maar van een toenemende doorsnede.
Dus…
Stippellijn = doorsnede oppervlakte
Doorgetrokken lijn = stroomsnelheid
Samenvatting 1B1 week 3 (14) – Judith Bus 3
, Wet van Bernoulli
Bij deze wet van behoud van energie wordt uitgegaan van dat bloed niet visceus is
en incompressibel. Hierbij gaat het om de volgende vormen van energie:
Pomp energie: de drukopbouw in het hart (p)
Kinetische energie: de bewegings- en stromingsenergie (1/2 rho v2)
Potentiële energie: plaats – hoogte (rho g h)
Bij een vernauwing betekent dat de potentiële energie gelijk blijft want er is sprake
van een horizontale buis (h=0) dus:
Uit de continuïteitsvergelijking volgt dat bij een kleinere doorsnede A de snelheid v
groter zal worden. En uit de wet van Bernoulli volgt dat wanneer de kinetische
energie (1/2 rho v2) toeneemt de druk p dus omlaag moet gaan.
Wanneer iemand met een vernauwing zich gaat inspannen gaat de HF omhoog,
neemt de CO (Cardiac Output) toe en de snelheid ook. De druk p wordt nog lager en
dan kunnen vaten afgesloten worden door de lage druk en het drukken van ander
weefsel op het vat door de toegenomen flow. Er kan dan ischemie optreden wat
vervolgens weer verdwijnt in rust.
Laminaire flow en turbulentie
Bloed is een viskeuze (plakkerige) vloeistof. Het bloed langs de wand stroomt
hierdoor langzamer dan het bloed in het centrum van het vat. Het stroomt laminair.
Bij laminaire flow is er geen geruis en stromen de erytrocyten centraal. Bij
vertakkingen is een lagere waarde erytrocyten te vinden wat het plasma-skimming
effect wordt genoemd.
Turbulentie (het kolken van bloed) treedt op bij systole (hogere druk geeft snellere
stroming), inspanning en bij vaatvernauwing. Hierdoor treedt er vaatgeruis op en zijn
er vaattrillingen voelbaar. Ook is er sprake van energieverlies waardoor het hart
harder moet pompen. De vaatwand kan beschadigen waar bloedplaatjes op
reageren door stolselvorming waardoor trombose kan ontstaan.
Samenvatting 1B1 week 3 (14) – Judith Bus 4