Deel 2: hoofdstuk 1 structuur
1.1 het sociaal handelen
Samenleven behoeftebevrediging
Mensen= sociale wezens= individuele handelen afhankelijk van en rekening houdt met dat van
anderen.
Niet beperkt tot mens ook primaten
complexe samenlevingsverbanden (gedrag afstemmen op dat van een ander)
Sociaal handelen volgens WEBER:
= zinvol betrokken zijn op een ander, een betekenisvolle relatie
Anderen/ vormen van samenleven.
individu kent subj. Betekenis toe aan handeling, houdt hierbij rekening met gedrag van anderen
en wordt daardoor beïnvloed.
Sociaal handelen ≠ individuele handelen
Sociaal handelen:
gericht op heden als toekomst
toekomst= anticipatief SH (anticiperen op mogelijke gedrag ve. Andere)
gebaseerd op W&N en sociale afspraken
sociale actor en sociale omgeving dwz. Participerend
1.2 typologie van sociaal handelen bij WEBER
4 categoriëen:
1. affectief sociaal handelen
emotie
onbewust, niet-relationeel, ongecontroleerd
reactie op een stimulus
kunnen afhankelijk zijn van tijd en plaats
verschil tss culturen
2. traditioneel sociaal handelen
gewoonte of traditie
onbewust (je hoeft de zin er niet van in te zien om akkoord te gaan, het hoort zo)
door opvoeding
afh van tijd en plaats
voordeel: je hoeft je niet constant vragen te stellen hoe het moet
3. waarderationeel handelen
vertegenwoordigt een ethische, religieuze, esthetische of sociale waarde (zijn daarvan
overtuigd)
activiteit heeft absolute opzichzelfstaande betekenis (resultaat onbelangrijk)
afh van plaats en tijd
1
, 4. doelrationeel handelen:
bereiken van een concreet vooropgesteld doel
doelen vergelijken
middelen afwegen
balans opmaken
SH afstemmen op bereiken doel(en)
1.3 sociale actoren en sociale posities
sociaal handelen sociale actoren (individu)
wrm sociaal? Elementen in staat tot actie & reactie op gedrag(ingen) andere ACTIEF
bepalende factor (=wij beïnvloeden) & receptieve factor (=wij worden beïnvloed)
1. sociale locatie, ruimtelijke dimensie v.h. sociaal handelen, bep. plaats soc. Actor
2. eigen vermogen, actievermogen om te reageren
3. beschikbare info, om interacties te stellen
sociale actor
persoon/groep/instelling
micro/meso/macro
vb: 2 landen in oorlog zijn ook 2 actoren
sociale positie
plaats of locatie ve actor in relatie met andere posities ve bep. Soc. netwerk
sociale locatie tov andere posities
netwerk van andere soc. Posities ermee verbonden
alleen aan te duiden in vgl met andere posities
staat los van de persoon die de positie bekleedt, positie bestaat ook zonder die persoon
toewijzing of verwerving
1.3.1 toewijzing of verwerving van sociale posities
verschilt per samenleving
bewaakt door juridische regels/procedures
1. toegewezen/toegeschreven pos.
op basis van kenmerken die onafhankelijk zijn vh individu
onveranderbaar op basis van eigen capaciteiten, kwaliteiten of criteria
2. verworven
op basis van individuele prestaties, inspanningen, activiteiten, ijver of ervaring
door eigen inbreng/inspanning
erkenning door anderen/samenleving
spanningsveld tss :
objectieve/vaste criteria tov prestaties/competenties
In onze samenleving ideologie: alle posities zijn verworven of zouden moeten verworven zijn
2
, Competentiemanagment:
selecteren, ontwikkelen en versterken van competenties
competenties= voorwaarden om positie te mogen bekleden.
competenties, 3 elementen:
1. Kennis:
feitelijk informatie die een persoon bezit
2. Vaardigheden:
kunde of de mogelijkheid om bepaalde activiteiten uit te voeren en te beheersen
3. Attitudes(houdingen):
eigenschappen die een persoon bezit en uitdrukt doorheen zijn functioneren in organisatie
oog op optimaal presteren, focus op functioneren vd werknemer
nadeel voor statische criteria bv leeftijd, aantal jaren dienst
1.3.2 sociale mobiliteit
A. wat is sociale mobiliteit?
=verandering vd posities die individuen of groepen innemen
Horizontale SM
waardering wordt behouden
Verticale SM
andere waardering verbonden aan de nieuwe positie= de sociale status
opwaartse/ neerwaartse verandering in sociale rang
sociale stratificatie
onderverdeling samenleving in versch soc.lagen
rangen
intragenerationele sociale mobiliteit
mobiliteit ve persoon binnen de eigen levensloop
intergenerationele sociale mobiliteit
vergelijken posities tss generaties
B. sociale mobiliteit binnen open en gesloten samenlevingen
Open samenleving
sociale positie en bijhorende status verworven
merocratische samenleving
vb: industriële samenleving MAAR niet volledig verworven
glazen plafond:
in theorie staat een functie voor iedereen open maar toch een subtiele discriminatie tov vrouwen
3
1.1 het sociaal handelen
Samenleven behoeftebevrediging
Mensen= sociale wezens= individuele handelen afhankelijk van en rekening houdt met dat van
anderen.
Niet beperkt tot mens ook primaten
complexe samenlevingsverbanden (gedrag afstemmen op dat van een ander)
Sociaal handelen volgens WEBER:
= zinvol betrokken zijn op een ander, een betekenisvolle relatie
Anderen/ vormen van samenleven.
individu kent subj. Betekenis toe aan handeling, houdt hierbij rekening met gedrag van anderen
en wordt daardoor beïnvloed.
Sociaal handelen ≠ individuele handelen
Sociaal handelen:
gericht op heden als toekomst
toekomst= anticipatief SH (anticiperen op mogelijke gedrag ve. Andere)
gebaseerd op W&N en sociale afspraken
sociale actor en sociale omgeving dwz. Participerend
1.2 typologie van sociaal handelen bij WEBER
4 categoriëen:
1. affectief sociaal handelen
emotie
onbewust, niet-relationeel, ongecontroleerd
reactie op een stimulus
kunnen afhankelijk zijn van tijd en plaats
verschil tss culturen
2. traditioneel sociaal handelen
gewoonte of traditie
onbewust (je hoeft de zin er niet van in te zien om akkoord te gaan, het hoort zo)
door opvoeding
afh van tijd en plaats
voordeel: je hoeft je niet constant vragen te stellen hoe het moet
3. waarderationeel handelen
vertegenwoordigt een ethische, religieuze, esthetische of sociale waarde (zijn daarvan
overtuigd)
activiteit heeft absolute opzichzelfstaande betekenis (resultaat onbelangrijk)
afh van plaats en tijd
1
, 4. doelrationeel handelen:
bereiken van een concreet vooropgesteld doel
doelen vergelijken
middelen afwegen
balans opmaken
SH afstemmen op bereiken doel(en)
1.3 sociale actoren en sociale posities
sociaal handelen sociale actoren (individu)
wrm sociaal? Elementen in staat tot actie & reactie op gedrag(ingen) andere ACTIEF
bepalende factor (=wij beïnvloeden) & receptieve factor (=wij worden beïnvloed)
1. sociale locatie, ruimtelijke dimensie v.h. sociaal handelen, bep. plaats soc. Actor
2. eigen vermogen, actievermogen om te reageren
3. beschikbare info, om interacties te stellen
sociale actor
persoon/groep/instelling
micro/meso/macro
vb: 2 landen in oorlog zijn ook 2 actoren
sociale positie
plaats of locatie ve actor in relatie met andere posities ve bep. Soc. netwerk
sociale locatie tov andere posities
netwerk van andere soc. Posities ermee verbonden
alleen aan te duiden in vgl met andere posities
staat los van de persoon die de positie bekleedt, positie bestaat ook zonder die persoon
toewijzing of verwerving
1.3.1 toewijzing of verwerving van sociale posities
verschilt per samenleving
bewaakt door juridische regels/procedures
1. toegewezen/toegeschreven pos.
op basis van kenmerken die onafhankelijk zijn vh individu
onveranderbaar op basis van eigen capaciteiten, kwaliteiten of criteria
2. verworven
op basis van individuele prestaties, inspanningen, activiteiten, ijver of ervaring
door eigen inbreng/inspanning
erkenning door anderen/samenleving
spanningsveld tss :
objectieve/vaste criteria tov prestaties/competenties
In onze samenleving ideologie: alle posities zijn verworven of zouden moeten verworven zijn
2
, Competentiemanagment:
selecteren, ontwikkelen en versterken van competenties
competenties= voorwaarden om positie te mogen bekleden.
competenties, 3 elementen:
1. Kennis:
feitelijk informatie die een persoon bezit
2. Vaardigheden:
kunde of de mogelijkheid om bepaalde activiteiten uit te voeren en te beheersen
3. Attitudes(houdingen):
eigenschappen die een persoon bezit en uitdrukt doorheen zijn functioneren in organisatie
oog op optimaal presteren, focus op functioneren vd werknemer
nadeel voor statische criteria bv leeftijd, aantal jaren dienst
1.3.2 sociale mobiliteit
A. wat is sociale mobiliteit?
=verandering vd posities die individuen of groepen innemen
Horizontale SM
waardering wordt behouden
Verticale SM
andere waardering verbonden aan de nieuwe positie= de sociale status
opwaartse/ neerwaartse verandering in sociale rang
sociale stratificatie
onderverdeling samenleving in versch soc.lagen
rangen
intragenerationele sociale mobiliteit
mobiliteit ve persoon binnen de eigen levensloop
intergenerationele sociale mobiliteit
vergelijken posities tss generaties
B. sociale mobiliteit binnen open en gesloten samenlevingen
Open samenleving
sociale positie en bijhorende status verworven
merocratische samenleving
vb: industriële samenleving MAAR niet volledig verworven
glazen plafond:
in theorie staat een functie voor iedereen open maar toch een subtiele discriminatie tov vrouwen
3