Ontwikkelingspsychologie
ontwikkelingspsychologie
Hoofdstuk 1: Terreinverkenning
Ontwikkelingspsychologie = de ontwikkeling en evolutie van het gedrag en de mentale processen.
Factoren die de ontwikkeling sturen:
1. Erfelijkheid (DNA): pessimister
- nature → nativister
Nature = je omgeving of leven doen er niet toe, want de ontwikkelingen heb je mee vanaf je geboorte (biologische en rijpingsprocessen).
→ ziek zijn, medicatie nemen.
Vb. een tweeling is beste om te onderzoeken.
- ook die, die apart opgevoed werden.
- IQ ligt altijd dicht bij elkaar.
2. Invloed van het milieu: optimisten
- nurture → empiristen
Nurture = in het begin ben je een onbeschreven blad, maar dat wordt gedurende je leven ingevuld en ontwikkeld door al je ervaringen.
(opvoeding, school, leerprocessen, vrienden…)
→ ziek zijn = therapie/behandeling
Vb. Wolfskind = extreem
- opgevoed door wolven en niet in de maatschappij van de mens.
- niet op te lossen.
Deprivatie = geen toegang hebben tot mensen, waardoor er vervreemding komt en je geen normale ontwikkeling hebt.
3. Interactie tussen erfelijkheid en milieu: wisselwerking 2 uiterste ontwikkeling.
= product van erfelijke aanleg en inwerking van milieu-invloeden.
4. Zelfsturing
Transactionale visie = je eigen persoonlijke inbreng, gecombineerd met nature en nurture heeft ook invloed.
- Meer verantwoordelijkheid en impact op individu.
Hoofdstuk 2: Baby (0-1 jaar)
Lichamelijk en motorische ontwikkeling
1) Slaap
- Slaapt 2/3 van de tijd (+/- 16u per dag).
50% remslaap (= rapideye movement) lichte slaap, waarin je dingen verwerkt.
50% diepe slaap: je wordt niks meer gewaar.
- andere 8u tijd om wakker te worden en in te slapen.
Stimuleren 2 a 3 uur: prikkels ontvangen en dingen opnemen. (eten, bezig zijn, spelen, drinken…)
Huilen 2 a 3 uur: met het enigste communicatiemiddel je uiten, om aan je behoeften te voldoen.
2) Reflexen
Reflex = automatische reactie op een prikkel.
" “onbewust of passief.
" “vanaf de geboorte bestaat baby voor 100% uit reflexen.
" “Overlevingsmechanismen.
1. Voorbijgaande reflexen (0-3 maand)
Grijpreflex
Zuigreflex
2. Blijvende reflexen (zintuigen)
Tastzin
- De handpalmen, voetzolen en gelaat zijn goed ontwikkeld.
- Voorkeur voor huidcontact
1
, Voedingsbodem van het kind (kalm)
Voorkeur op gezicht, handen en voeten.
- Pijngevoelig
Ervaart pijn, maar kan het nog niet zeggen.
(Vb. Toedienen hielprik, uitingen gezicht).
Smaak
- Positieve reactie op zoete smaken (vb. appelmoes)
- Negatieve reactie op zure en bitter smaken (vb. witloof en venkel)
Nature: toekomst heb je een voorkeur voor zoete en ongezonde dingen.
Nurture; hen gezond leren eten.
- Vb. alcohol
1ste pint is bitter en je trekt een vies gezicht.
Je overtuigt jezelf dat pinten lekker zijn.
Je leert het drinken door je vrienden.
Besluit: met geduld kun je alles leren eten en drinken.
Geur
- Voorkeur voor bepaalde geuren.
Geur van de mama, deze geur heeft troost en rust.
- Herkennen de geur van hun moeder.
Gehoor
- Opgewonden door hoge intense en hoge tonen (bewegingen).
- Rustig door zachte en lage tonen.
- Voorkeur voor menselijke stem (moederstem)
Neemt het op en zal het later imiteren.
Horen al van in de buik.
Zicht
- Geboorte
Licht en beperkte kleurreceptie (reactie op licht).
Scherp zien op 20-30 cm.
Schootafstand + herkennen van het gezicht.
Strabisme = scheel kijken.
Heeft wel dieptezicht.
Vluchtige volgbewegingen.
Moeilijk convergeren (gezamenlijk richten van de ogen naar 1 punt)
- 6 maanden
Gezichtsvermogen is vergelijkbaar met dat van een volwassene.
3) Na 1 jaar
- Gewicht x 3
- Lengte X 2
- Hoofd verkleint
Moeite voor controle
Minder snelle motorische ontwikkeling
4) Verdere evolutie van de motoriek
- Cefacaudale en proximodistale ontwikkelingslijn
Cefacaudale: het lichaam kunnen controleren van boven tot onder.
" “Rollen 1
" “Zitten 2
" “Lopen 3
Proximodistale: fijne motoriek ontwikkelen van ver en van dicht.
Verschillende stadia:
1) Kijkstadium (0-3 maand)
1 maand = hoofd optillen
3 maand = oprichten op onderarm
Beter richten van een blik
Door besturing van oog- en halsspieren.
Dieptezicht
3-6 maanden
Van de rand van de tafel rollen
Hartslagen en ademhaling vertragen.
Besluit = geen schrik!
10 maand
Over tafel kruipen en stopt met kruipen bij diepte.
Hartslagen en ademhaling versnellen
Besluit = wel schrik!
Nurture: kind heeft na 2 weken kruipen al schrik van dieptes door ervaringen.
2) Grijpstadium (3-6 maand)
2
, 1. Slaan naar objecten
2. Reiken naar objecten
3. Rijfgreep (zonder vastnemen)
4. Reiken naar objecten met de volle hand, want kind kan niet alles vastnemen met vingers (handgreep)
5. Vanaf 1 jaar pincetgreep (duim en wijsvinger)
6. Tanggreep (alle vingers omsluiten object)
3) Zitstadium (6-9 maand)
Je moet het kind in positie plaatsen, dan zal het kunnen zitten.
9 maand: kan al zelfstandig gaan zitten.
4) Kruip en optrekstadium (9-12 maand)
9 maand: kruipen en met steun rechtop blijven staan.
Nadien: optrekken aan meubilair en zijwaarts rondlopen met steun (park).
11-12 maand: zonder steun rechtop staan.
5) Loopstadium (12-15 maand)
Lopen aan 1 hand (11 maand)
Zelfstandig lopen
1ste stap meestal voor 15de maand.
Sociale persoonlijkheidsontwikkeling
1) Differentiatie in sociale gerichtheid
Geboorte:
Huilen = primitief communicatiemiddel (niet doelgericht)
Als baby honger heeft
Als pamper vuil is
= als het iets wilt duidelijk maken.
Asociaal wezen
Kunnen geen onderscheid maken tussen zichzelf en de rest.
Solitaire glimlach = gastric smile
Op zichzelf
Als baby voldaan is (eten, drinken,…)
6-8 weken:
Sociale glimlach = lachen naar om het even wie.
1ste sociale contact.
Kun je overal met de baby naartoe gaan.
Interactief
Volwassene die reageert op de sociale glimlach (intensiteit neemt toe)
Ontstaat ook door het zien van het expressief gelaat (contactglimlach).
3 maand:
Snelheid en intensiteit van de glimlach neemt toe bij vertrouwde gezichten.
Intenser bij ouders en bekende mensen.
Lacht nog naar iedereen maar dat is minder intenser.
Troosten: ouders kunnen het beter dan vreemden.
8 maand:
Vreemdenangst = huilen bij het zien van onbekende gezichten.
Verlatingsangst = vertrouwd enkel bekende personen.
Vb. onthaalmoeder:
Huilt bij het afgezet worden
Sneller wennen, want dit gebeurt dagelijks.
2) Ontstaan hechtingsgedrag
Hechting = een affectieve band opbouwen met een persoon zodat verbondenheid ontstaat die tijd en ruimte overstijgt.
Contact met hechtingspersoon (de ouders) nastreven.
Levenslang + steek veel op voor volwassenen
Bowlby: waarom zoveel kinderen in weeshuis na WOII in een slechte toestand?
Voortdurende wisseling personeelsbezetting.
Levensnoodzakelijke, emotionele behoefte.
Vier periodes (Bowbly’s hechtingstheorie)
1. Voorhechtingsfase (2-3maand)
o Interesse in prikkels die het lichaam beroeren. (Niet geinteresserd in mensen zelf).
o Aantal instinctieve reactiepatroon
Sociale glimlach
3
ontwikkelingspsychologie
Hoofdstuk 1: Terreinverkenning
Ontwikkelingspsychologie = de ontwikkeling en evolutie van het gedrag en de mentale processen.
Factoren die de ontwikkeling sturen:
1. Erfelijkheid (DNA): pessimister
- nature → nativister
Nature = je omgeving of leven doen er niet toe, want de ontwikkelingen heb je mee vanaf je geboorte (biologische en rijpingsprocessen).
→ ziek zijn, medicatie nemen.
Vb. een tweeling is beste om te onderzoeken.
- ook die, die apart opgevoed werden.
- IQ ligt altijd dicht bij elkaar.
2. Invloed van het milieu: optimisten
- nurture → empiristen
Nurture = in het begin ben je een onbeschreven blad, maar dat wordt gedurende je leven ingevuld en ontwikkeld door al je ervaringen.
(opvoeding, school, leerprocessen, vrienden…)
→ ziek zijn = therapie/behandeling
Vb. Wolfskind = extreem
- opgevoed door wolven en niet in de maatschappij van de mens.
- niet op te lossen.
Deprivatie = geen toegang hebben tot mensen, waardoor er vervreemding komt en je geen normale ontwikkeling hebt.
3. Interactie tussen erfelijkheid en milieu: wisselwerking 2 uiterste ontwikkeling.
= product van erfelijke aanleg en inwerking van milieu-invloeden.
4. Zelfsturing
Transactionale visie = je eigen persoonlijke inbreng, gecombineerd met nature en nurture heeft ook invloed.
- Meer verantwoordelijkheid en impact op individu.
Hoofdstuk 2: Baby (0-1 jaar)
Lichamelijk en motorische ontwikkeling
1) Slaap
- Slaapt 2/3 van de tijd (+/- 16u per dag).
50% remslaap (= rapideye movement) lichte slaap, waarin je dingen verwerkt.
50% diepe slaap: je wordt niks meer gewaar.
- andere 8u tijd om wakker te worden en in te slapen.
Stimuleren 2 a 3 uur: prikkels ontvangen en dingen opnemen. (eten, bezig zijn, spelen, drinken…)
Huilen 2 a 3 uur: met het enigste communicatiemiddel je uiten, om aan je behoeften te voldoen.
2) Reflexen
Reflex = automatische reactie op een prikkel.
" “onbewust of passief.
" “vanaf de geboorte bestaat baby voor 100% uit reflexen.
" “Overlevingsmechanismen.
1. Voorbijgaande reflexen (0-3 maand)
Grijpreflex
Zuigreflex
2. Blijvende reflexen (zintuigen)
Tastzin
- De handpalmen, voetzolen en gelaat zijn goed ontwikkeld.
- Voorkeur voor huidcontact
1
, Voedingsbodem van het kind (kalm)
Voorkeur op gezicht, handen en voeten.
- Pijngevoelig
Ervaart pijn, maar kan het nog niet zeggen.
(Vb. Toedienen hielprik, uitingen gezicht).
Smaak
- Positieve reactie op zoete smaken (vb. appelmoes)
- Negatieve reactie op zure en bitter smaken (vb. witloof en venkel)
Nature: toekomst heb je een voorkeur voor zoete en ongezonde dingen.
Nurture; hen gezond leren eten.
- Vb. alcohol
1ste pint is bitter en je trekt een vies gezicht.
Je overtuigt jezelf dat pinten lekker zijn.
Je leert het drinken door je vrienden.
Besluit: met geduld kun je alles leren eten en drinken.
Geur
- Voorkeur voor bepaalde geuren.
Geur van de mama, deze geur heeft troost en rust.
- Herkennen de geur van hun moeder.
Gehoor
- Opgewonden door hoge intense en hoge tonen (bewegingen).
- Rustig door zachte en lage tonen.
- Voorkeur voor menselijke stem (moederstem)
Neemt het op en zal het later imiteren.
Horen al van in de buik.
Zicht
- Geboorte
Licht en beperkte kleurreceptie (reactie op licht).
Scherp zien op 20-30 cm.
Schootafstand + herkennen van het gezicht.
Strabisme = scheel kijken.
Heeft wel dieptezicht.
Vluchtige volgbewegingen.
Moeilijk convergeren (gezamenlijk richten van de ogen naar 1 punt)
- 6 maanden
Gezichtsvermogen is vergelijkbaar met dat van een volwassene.
3) Na 1 jaar
- Gewicht x 3
- Lengte X 2
- Hoofd verkleint
Moeite voor controle
Minder snelle motorische ontwikkeling
4) Verdere evolutie van de motoriek
- Cefacaudale en proximodistale ontwikkelingslijn
Cefacaudale: het lichaam kunnen controleren van boven tot onder.
" “Rollen 1
" “Zitten 2
" “Lopen 3
Proximodistale: fijne motoriek ontwikkelen van ver en van dicht.
Verschillende stadia:
1) Kijkstadium (0-3 maand)
1 maand = hoofd optillen
3 maand = oprichten op onderarm
Beter richten van een blik
Door besturing van oog- en halsspieren.
Dieptezicht
3-6 maanden
Van de rand van de tafel rollen
Hartslagen en ademhaling vertragen.
Besluit = geen schrik!
10 maand
Over tafel kruipen en stopt met kruipen bij diepte.
Hartslagen en ademhaling versnellen
Besluit = wel schrik!
Nurture: kind heeft na 2 weken kruipen al schrik van dieptes door ervaringen.
2) Grijpstadium (3-6 maand)
2
, 1. Slaan naar objecten
2. Reiken naar objecten
3. Rijfgreep (zonder vastnemen)
4. Reiken naar objecten met de volle hand, want kind kan niet alles vastnemen met vingers (handgreep)
5. Vanaf 1 jaar pincetgreep (duim en wijsvinger)
6. Tanggreep (alle vingers omsluiten object)
3) Zitstadium (6-9 maand)
Je moet het kind in positie plaatsen, dan zal het kunnen zitten.
9 maand: kan al zelfstandig gaan zitten.
4) Kruip en optrekstadium (9-12 maand)
9 maand: kruipen en met steun rechtop blijven staan.
Nadien: optrekken aan meubilair en zijwaarts rondlopen met steun (park).
11-12 maand: zonder steun rechtop staan.
5) Loopstadium (12-15 maand)
Lopen aan 1 hand (11 maand)
Zelfstandig lopen
1ste stap meestal voor 15de maand.
Sociale persoonlijkheidsontwikkeling
1) Differentiatie in sociale gerichtheid
Geboorte:
Huilen = primitief communicatiemiddel (niet doelgericht)
Als baby honger heeft
Als pamper vuil is
= als het iets wilt duidelijk maken.
Asociaal wezen
Kunnen geen onderscheid maken tussen zichzelf en de rest.
Solitaire glimlach = gastric smile
Op zichzelf
Als baby voldaan is (eten, drinken,…)
6-8 weken:
Sociale glimlach = lachen naar om het even wie.
1ste sociale contact.
Kun je overal met de baby naartoe gaan.
Interactief
Volwassene die reageert op de sociale glimlach (intensiteit neemt toe)
Ontstaat ook door het zien van het expressief gelaat (contactglimlach).
3 maand:
Snelheid en intensiteit van de glimlach neemt toe bij vertrouwde gezichten.
Intenser bij ouders en bekende mensen.
Lacht nog naar iedereen maar dat is minder intenser.
Troosten: ouders kunnen het beter dan vreemden.
8 maand:
Vreemdenangst = huilen bij het zien van onbekende gezichten.
Verlatingsangst = vertrouwd enkel bekende personen.
Vb. onthaalmoeder:
Huilt bij het afgezet worden
Sneller wennen, want dit gebeurt dagelijks.
2) Ontstaan hechtingsgedrag
Hechting = een affectieve band opbouwen met een persoon zodat verbondenheid ontstaat die tijd en ruimte overstijgt.
Contact met hechtingspersoon (de ouders) nastreven.
Levenslang + steek veel op voor volwassenen
Bowlby: waarom zoveel kinderen in weeshuis na WOII in een slechte toestand?
Voortdurende wisseling personeelsbezetting.
Levensnoodzakelijke, emotionele behoefte.
Vier periodes (Bowbly’s hechtingstheorie)
1. Voorhechtingsfase (2-3maand)
o Interesse in prikkels die het lichaam beroeren. (Niet geinteresserd in mensen zelf).
o Aantal instinctieve reactiepatroon
Sociale glimlach
3