Hoofdstuk 1
DNA, chromosomen en cellen
Structuur en functie van nucleïnezuren
Deoxyribose (DNA) Ribose (RNA)
Fosfaateenheid zal 3’ uiteinde van ene suiker verbinden met 5’ uiteinde van het andere suiker
→ begin van DNA is aan de 5’ kant en einde aan de 3’ kant
Op plaats 1’ zit een base gebonden
o Purines (adenine en guanine) of pyrimidines (cytosine, thymine of uracil)
o Basen doe naan Complementaire basenparing
Guanine en cytosine vormen drie waterstofbruggen, adenine en
thymine/uracil slechts twee
Door ongelijke verdeling van aantal basen in de moleculen zien we
verschillende sterkten
→ DNA-molecule met veel G-C bindingen is sterker gebonden
o Denaturatietemperatuur ligt veel hoger dan bij A-T/U
DNA-molecule is antiparallel
o Eén streng heeft 3’ uiteinde bovenaan, andere de 5’ uiteinde
→ bij DNA-synthese moet nieuwe molecule ook antiparallel ontstaan
Structuur en functie van chromosomen
Moleculaire structuur van eukaryote chromosomen
Typisch eukaryoot chromosoom kan tot honderden miljoenen basenparen lang zijn
o Uitgeschreven is dit 1 meter lang
Mens heeft 23 chromosomenparen
Moeten passen in kern (2-4µm) in een cel van 10-100 µm
→ opvouwingen nodig
Chromosomen zijn dynamische structuren die alterneren tussen een
dichte en losse opvouwing
Chromosomen bestaan uit zowel DNA als eiwitten
o Eiwitten zorgen voor de organisatie van dit DNA: DNA-proteïne complex
, Drie niveaus van opvouwing mogelijk voor euchromatine
o Steeds 7 keer compacter gemaakt
Opvouwing rond histonen 8 histonen aanwezig waarrond DNA telkens 2 keer
wikkelt → 150 basenparen per histone
Tussen histonen korte stukjes ongewikkelt
DNA voor nieuwe histone
Vormen van vezels Alle kernen worden mooi driedimensionaal naast
(7*7=49) elkaar gelegd (zoals parelsnoer)
→ vorming chromatinevezel
Chromatine lussen Chromatinevezel wordt in lussen aangehecht
(49*7=343) Fase welke terug te vinden is in de interfase
o Nog sterker opgevouwen vorm mogelijk = heterochromatine
Super compacte vorm → transcriptioneel inactieve vorm
Chromosoom functie
Enkele structuren zijn noodzakelijk voor het beoefenen van de chromosoomfunctie
o Centrosoom (centraal)
Groot proteïnecomplex (kinetochoor) hecht aan op deze plaats
Hierop kunnen verschillende vezels aanhechten
o Origins of replicat (Oris)
Startplaatsen voor replicatie
Lange chromosomen kennen start op verschillende plaatsen om het
proces van replicatie te versnellen
o Telomeren op de uiteinden
DNA, chromosomen en cellen
Structuur en functie van nucleïnezuren
Deoxyribose (DNA) Ribose (RNA)
Fosfaateenheid zal 3’ uiteinde van ene suiker verbinden met 5’ uiteinde van het andere suiker
→ begin van DNA is aan de 5’ kant en einde aan de 3’ kant
Op plaats 1’ zit een base gebonden
o Purines (adenine en guanine) of pyrimidines (cytosine, thymine of uracil)
o Basen doe naan Complementaire basenparing
Guanine en cytosine vormen drie waterstofbruggen, adenine en
thymine/uracil slechts twee
Door ongelijke verdeling van aantal basen in de moleculen zien we
verschillende sterkten
→ DNA-molecule met veel G-C bindingen is sterker gebonden
o Denaturatietemperatuur ligt veel hoger dan bij A-T/U
DNA-molecule is antiparallel
o Eén streng heeft 3’ uiteinde bovenaan, andere de 5’ uiteinde
→ bij DNA-synthese moet nieuwe molecule ook antiparallel ontstaan
Structuur en functie van chromosomen
Moleculaire structuur van eukaryote chromosomen
Typisch eukaryoot chromosoom kan tot honderden miljoenen basenparen lang zijn
o Uitgeschreven is dit 1 meter lang
Mens heeft 23 chromosomenparen
Moeten passen in kern (2-4µm) in een cel van 10-100 µm
→ opvouwingen nodig
Chromosomen zijn dynamische structuren die alterneren tussen een
dichte en losse opvouwing
Chromosomen bestaan uit zowel DNA als eiwitten
o Eiwitten zorgen voor de organisatie van dit DNA: DNA-proteïne complex
, Drie niveaus van opvouwing mogelijk voor euchromatine
o Steeds 7 keer compacter gemaakt
Opvouwing rond histonen 8 histonen aanwezig waarrond DNA telkens 2 keer
wikkelt → 150 basenparen per histone
Tussen histonen korte stukjes ongewikkelt
DNA voor nieuwe histone
Vormen van vezels Alle kernen worden mooi driedimensionaal naast
(7*7=49) elkaar gelegd (zoals parelsnoer)
→ vorming chromatinevezel
Chromatine lussen Chromatinevezel wordt in lussen aangehecht
(49*7=343) Fase welke terug te vinden is in de interfase
o Nog sterker opgevouwen vorm mogelijk = heterochromatine
Super compacte vorm → transcriptioneel inactieve vorm
Chromosoom functie
Enkele structuren zijn noodzakelijk voor het beoefenen van de chromosoomfunctie
o Centrosoom (centraal)
Groot proteïnecomplex (kinetochoor) hecht aan op deze plaats
Hierop kunnen verschillende vezels aanhechten
o Origins of replicat (Oris)
Startplaatsen voor replicatie
Lange chromosomen kennen start op verschillende plaatsen om het
proces van replicatie te versnellen
o Telomeren op de uiteinden