Communicatie Frans 3: Chapitre 3
Frans Nederlands
1. Une valeur Een waarde, een belang
2. Fondamental, Fundamenteel, essentieel
fondamentale
3. Un distributeur Een verdeler, een dealer, een automaat
4. Interminable Eindeloos
5. Une queue Een rij, een file
6. Cagoulé, cagoulée Met een bivakmuts
7. Une cagoule Een bivakmuts
8. Bouleverser Aangrijpen, schokken, in verwarring brengen
9. Déclencher Ontkoppelen, in beweging zetten, aan de gang brengen
10. Ôter Af, ont, be, wegnemen, uitdoen, uittrekken, afzetten
11. Une blague Een mop, grapje, poets
12. Un bizutage Een ontgroening, een doop
13. Une lessive Een wasmiddel
14. Une poudre à lessiver Een waspoeder
15. Un produit lessiviel Een wasproduct
16. Conquérir Veroveren, onderwerpen, voor zich winnen
17. Acquérir Verkrijgen, kopen
18. Prépondérant, (Over)heersend, van overwegend belang
prépondérante
19. Un assassinat Een moord
20. Perpréter Bedrijven, begaan, plegen
21. Abattre Doden, neerschieten
22. Une balle Een geweerkogel
23. Regagner Terugkeren naar, weer bereiken
24. Un homme d'affaires Een zakenman
25. L'importation (f) De invoer, import
26. L'exportation (f) De uitvoer, export
27. Se nouer Beginnen
28. Surgir Zich plotseling vertonen, zich plotseling voordoen, opkomen,
opwellen, ontstaan
29. Se réfugier Vluchten, uitwijken, de wijk nemen, beschutting zoeken
30. Un tueur, une tueuse Een moordenaar
31. Achever Afmaken, doden
32. La fluite De vlucht, het doorrijden na een ongeluk
33. Une embauche Een werk(gelegenheid)
34. Une papeterie Een papierhandel, een kantoorboekhandel
35. Un sténodactylo Een stenotypist(e)
36. Intérimaire Ad interim, interimair, tijdelijk
37. Relever Aantekenen
38. Un annuaire Een jaarboek
39. Dépourvu, dépourvue Arm
40. Le décollage Het opstijgen van een vliegtuig
41. Le décalage horaire Het tijdsverschil
42. Mou, molle Zacht, week
43. L'aplomb (m) De evenwichtigheid
44. Un contentieux Een geschil
45. Hypothéquer Verpanden, met een hypotheek bezwaren, in gevaar brengen
http://www.wrts.nl/lijst/print/113569152?wat=ab 1/2