Communicatie Frans 3: Chapitre 2
Frans Nederlands
1. Un trafiquant, une trafiquante Een sjachelaar, een zwarthandelaar
2. Un consul Een consul
3. Guérir Genezen, helen
4. Tenter Proberen, trachten, ondernemen, wagen
5. Soulager Verlichting geven, ontlasten
6. Les soins palliatifs De pijnbestrijding, de terminale zorg
7. Épuiser Uitputten, opgebruiken
8. Expédier Verzenden, afzenden
9. Décharger Lossen, afladen
10. Un molosse Een grote waakhond
11. Mordre Bijten, afknabbelen
12. Un otage Een gijzelaar, een gegijzelde
13. Une autorité Een autoriteit
14. Un prisonnier politique, une Een politiek gevangene
prisonnière politique
15. Des nouvelles Nieuwsberichten, het nieuws
16. Une stratégie Een strategie, een beleid
17. Une tondeuse à gazon Een grasmaaier
18. Un(e) bénéficiaire Een begunstigde
19. Réduire Reduceren, verminderen, verlagen, beperken, inkorten,
verkleinen
20. Des erreurs de calcul Rekenfouten
21. Rejeter Bannen, verwerpen, afwijzen, afschuiven
22. Un(e) coupable Een dader, een schuldige
23. S'aggraver Verergeren
24. Décréter Decreteren, verordenen, uitvaardigen
25. Un couvrefeu Een avondklok, een uitgaansverbod
26. Une déclaration Een verklaring, uitspraak, aangifte, declaratie, opgave
27. Une pincette Een tangetje, een pincet
28. Engager In dienst nemen
29. Un ouvrier, une ouvrière Een werker, een arbeider
30. Les charges sociales De loonlijst
31. Une interruption Een onderbreking, opschorting, storing, afbreking
32. La procréation De verwekking, voortbrenging, voortplanting
33. Le sangfroid De koelbloedigheid, zelfbeheersing
34. Un échec Een mislukking, tegenslag, nederlaag
35. Subventionner Subsidiëren, een toelage toekennen aan, steun verlenen
36. Écouler Voorbijgaan, verlopen, verstrijken
37. Se plaindre Klagen, een klacht indienen
38. Renforcer Versterken, verstevigen, verzwaren, vergroten
39. Imposer Opleggen, voorschrijven
40. Surveiller Surveilleren, toezicht houden op, letten op, in de gaten
houden, waken over
41. Un déliquant, une déliquante Een deliquent(e)
42. Déballer Uitpakken
43. Une carafe Een karaf
44. Un seigneur Een heer, gebieder, meester, eigenaar
45. Mener Leiden
http://www.wrts.nl/lijst/print/113563297?wat=ab 1/2