Geschiedenis partweek H6 & H7
6.1:
In de 15de eeuw verslechterde in de kustgewesten de situatie in de landbouw. Het
grondwater stond hoog dat de grond niet meer gebruikt kon worden voor het graan. Boeren
stapten over op rundveehouderij, omdat de koeien er wel konden grazen. Zij verkochten
luxe voedingsmiddelen aan de stadsbewoners, zoals boter kaas en slachtvee. In Noord-
Duitse gebieden en in de Baltische landen namen de graanproductie toe. Graanhandelaren
kochten graan in dit Oostzeegebied en verkochten dat in de kustgewesten van Nederland.
De zuivelproducten uit Nederland werden aangevuld met gezouten vis, en in het
Oostzeegebied verkocht. Deze winstgevende handel met het Oostzeegebied wordt de
moedernegotie genoemd. Een groot deel van deze handel liep via Amsterdam, en hierdoor
groeide de stad nog meer uit tot het centrum van handelskapitalisme nadat de Spanjaarden
in 1585 Antwerpen veroverde. Handelaren namen goederen uit heel Europa mee om die
later tegen een hogere prijs te verkopen. Graan uit het Oostzeegebied, wijn en olijfolie uit
het Middellandse zeegebied, haring uit de Noordzee en talloze producten vulden de
Amsterdamse zolders en pakhuizen. Amsterdam groeide uit tot de belangrijkste stapelmarkt
van Europa.
Veel kooplieden investeerden hun winsten uit de moedernegotie in handelscompagnieën,
die handelsreizen organiseerden naar bijv. het Middellandse zeegebied. Portugezen
beheersten de handel in specerijen, zijde en andere Aziatische producten, want zij hadden
de zeeroute naar Azië ontdekt. Hier werd enorm veel winst uit gehaald. Enkele kooplieden
wilde dit ook, en richtten handelscompagnieën op om 4 schepen naar Azië te sturen.
Cornelis de Houtman nam de leiding en moest deze route vinden en vastleggen. 2 jaar later
kwam hij terug van deze zogeheten ‘Eerste Schipvaart’. 1 schip was vergaan, 2/3 van de
matrozen en bemanningsleden was dood en de ingekochte specerijen waren klein. Er was
verlies, maar deze Eerste Schipvaart had wel aangetoond dat Hollanders ook naar Azië
konden. Met die wetenschap voeren in 1598 22 schepen naar Azië en in 1599 zelfs 68
schepen. De republiek ging binnen enkele jaren een hoofdrol spelen in de handel van
Aziatische producten. Hierdoor gingen de prijzen van de specerijen ook omhoog, en hierdoor
daalde de prijzen in Amsterdam door weinig vraag. Door deze concurrentie greep de
Staten-Generaal in en alle handelscompagnieën werden in 1602 samengesteld tot de
Verenigde Oost-Indische Compagnie, ook wel de VOC genoemd.
De VOC kreeg van de Staten-Generaal het handelsmonopolie op Azië, alleen de VOC mocht
hier dus handelen. De VOC mocht handelsovereenkomsten met inlandse vorsten sluiten,
soldaten en bestuursambtenaren in dienst nemen, aan vreemde kusten forten bouwen en
oorlog voeren. Ook kreeg de VOC toestemming om schepen van vijanden te kapen door de
kaperbrieven van de Staten-Generaal. In 1600 hadden Britse kooplieden zich ook al verenigd
in de East India Company. En de Fransen richtten in 1642 een dergelijke compagnie op, en al
deze compagnieën concurreerde heel erg met elkaar. Voor handel met West-Afrika en
Amerika organiseerde de Republiek in 1621 de West-Indische compagnie (WIC). De WIC
bouwde forten en handelsnederzettingen en stichtte koloniën. Ze nam een deel van de
Spaanse slavenhandel over en was actief in de kaapvaart. Het bekendste succes van de WIC
was de verovering van de Spaanse zilverloot door Piet Hein. Doordat de handel de
verschillende werelddelen met elkaar verbond, was er sprake van een grote
, wereldeconomie. De VOC verkocht opium in India en China, en daar werden specerijen,
zijde, katoen en porselein voor de Europese markt gekocht. De WIC ruilde kostbaarheden,
wapens en dure Aziatische stoffen voor tot slaaf gemaakte Afrikanen, die ze dan weer in
Amerika verkochten. Ook tabak en suiker nam de WIC mee vanuit Amerika.
Kenmerkende aspecten:
De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht
van de Nederlandse republiek
Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een
wereldeconomie.
6.2:
Toen in 1588 de Staten-Generaal besloot om geen nieuwe landsheer te zoeken, werden de
zeven gewesten van de Unie van Utrecht een republiek: de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden. De republiek werd door regenten bestuurd, terwijl in andere landen een vorst
het hoogste gezag had. Regenten zijn mensen uit rijke handelsfamilies. In de Republiek was
de macht verdeeld tussen de Gewestelijke staten en de Staten-Generaal. De Staten-
Generaal bepaalden het buitenlandbeleid en de verdediging van het land, en hier ging het
meeste geld naartoe. Ook bestuurden ze Drenthe en de Generaliteitslanden, gebieden in het
zuiden die waren veroverd na 1588 door stadhouders Maurits en Frederik Hendrix. In de
Staten-Generaal zaten afgevaardigden van de Gewestelijke staten. De Gewestelijke Staten
van elk gewest mocht bepalen hoe de rechtspraak werd geregeld, welke regels er golden en
hoeveel belasting betaald moest worden. Zo overheerste het particularisme: elk gewest kon
beleid maken wat het beste paste bij hun. In alle gewesten overheerste het protestantisme,
maar in Nederland werd het katholicisme niet verboden, maar je mocht het niet openbaar
zijn.
In de republiek hadden de stadhouder en de raadspensionaris veel macht. Voorheen was de
stadhouder de plaatsvervanger van de landsheer, maar nu was hij legerleider. Holland,
Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel benoemden de belangrijkste stadhouder.
Friesland en Groningen (met Drenthe) benoemden de zogenaamde Friese stadhouder. Een
stadhouder was altijd afkomstig uit de familie van Oranje. De stadhouder voerde altijd de
opdrachten van de Staten-Generaal uit, omdat ze opperbevelhebber waren van het leger
van de Republiek, dat werd betaald door de Staten-Generaal en daarom dus Staatse leger
heette. De stadhouder had veel invloed op de Gewestelijke Staten en de Staten-Generaal, en
mocht hij stadsbestuurders benoemen. De raadspensionaris was de woordvoerder van
Holland in de Staten-Generaal, en hij was een machtige politicus doordat Holland erg rijk
was.
De oorlog tegen Spanje duurde tientallen jaren en er ontstonden 2 groepen binnen de
Republiek. De Oranjegezinden onder leiding van stadhouder Maurits wilden oorlog
doorzetten, omdat ze er veel geld door verdienden door produceren en verhandelen van
oorlogsproducten. De staatsgezinden wilde vrede met Spanje en onder leiding van Van
Oldenbarnevelt lukte dit, door een meerderheid voor vrede in de Staten-Generaal. In 1609
was er een wapenstilstand tussen de Republiek en Spanje voor 12 jaar overeen: het
Twaalfjarig Bestand. Toen kwam er een godsdienstig probleem tussen 2 groepen calvinisten:
de orthodoxen en de gematigden. Maurits koos voor de orthodoxen, en van Van
6.1:
In de 15de eeuw verslechterde in de kustgewesten de situatie in de landbouw. Het
grondwater stond hoog dat de grond niet meer gebruikt kon worden voor het graan. Boeren
stapten over op rundveehouderij, omdat de koeien er wel konden grazen. Zij verkochten
luxe voedingsmiddelen aan de stadsbewoners, zoals boter kaas en slachtvee. In Noord-
Duitse gebieden en in de Baltische landen namen de graanproductie toe. Graanhandelaren
kochten graan in dit Oostzeegebied en verkochten dat in de kustgewesten van Nederland.
De zuivelproducten uit Nederland werden aangevuld met gezouten vis, en in het
Oostzeegebied verkocht. Deze winstgevende handel met het Oostzeegebied wordt de
moedernegotie genoemd. Een groot deel van deze handel liep via Amsterdam, en hierdoor
groeide de stad nog meer uit tot het centrum van handelskapitalisme nadat de Spanjaarden
in 1585 Antwerpen veroverde. Handelaren namen goederen uit heel Europa mee om die
later tegen een hogere prijs te verkopen. Graan uit het Oostzeegebied, wijn en olijfolie uit
het Middellandse zeegebied, haring uit de Noordzee en talloze producten vulden de
Amsterdamse zolders en pakhuizen. Amsterdam groeide uit tot de belangrijkste stapelmarkt
van Europa.
Veel kooplieden investeerden hun winsten uit de moedernegotie in handelscompagnieën,
die handelsreizen organiseerden naar bijv. het Middellandse zeegebied. Portugezen
beheersten de handel in specerijen, zijde en andere Aziatische producten, want zij hadden
de zeeroute naar Azië ontdekt. Hier werd enorm veel winst uit gehaald. Enkele kooplieden
wilde dit ook, en richtten handelscompagnieën op om 4 schepen naar Azië te sturen.
Cornelis de Houtman nam de leiding en moest deze route vinden en vastleggen. 2 jaar later
kwam hij terug van deze zogeheten ‘Eerste Schipvaart’. 1 schip was vergaan, 2/3 van de
matrozen en bemanningsleden was dood en de ingekochte specerijen waren klein. Er was
verlies, maar deze Eerste Schipvaart had wel aangetoond dat Hollanders ook naar Azië
konden. Met die wetenschap voeren in 1598 22 schepen naar Azië en in 1599 zelfs 68
schepen. De republiek ging binnen enkele jaren een hoofdrol spelen in de handel van
Aziatische producten. Hierdoor gingen de prijzen van de specerijen ook omhoog, en hierdoor
daalde de prijzen in Amsterdam door weinig vraag. Door deze concurrentie greep de
Staten-Generaal in en alle handelscompagnieën werden in 1602 samengesteld tot de
Verenigde Oost-Indische Compagnie, ook wel de VOC genoemd.
De VOC kreeg van de Staten-Generaal het handelsmonopolie op Azië, alleen de VOC mocht
hier dus handelen. De VOC mocht handelsovereenkomsten met inlandse vorsten sluiten,
soldaten en bestuursambtenaren in dienst nemen, aan vreemde kusten forten bouwen en
oorlog voeren. Ook kreeg de VOC toestemming om schepen van vijanden te kapen door de
kaperbrieven van de Staten-Generaal. In 1600 hadden Britse kooplieden zich ook al verenigd
in de East India Company. En de Fransen richtten in 1642 een dergelijke compagnie op, en al
deze compagnieën concurreerde heel erg met elkaar. Voor handel met West-Afrika en
Amerika organiseerde de Republiek in 1621 de West-Indische compagnie (WIC). De WIC
bouwde forten en handelsnederzettingen en stichtte koloniën. Ze nam een deel van de
Spaanse slavenhandel over en was actief in de kaapvaart. Het bekendste succes van de WIC
was de verovering van de Spaanse zilverloot door Piet Hein. Doordat de handel de
verschillende werelddelen met elkaar verbond, was er sprake van een grote
, wereldeconomie. De VOC verkocht opium in India en China, en daar werden specerijen,
zijde, katoen en porselein voor de Europese markt gekocht. De WIC ruilde kostbaarheden,
wapens en dure Aziatische stoffen voor tot slaaf gemaakte Afrikanen, die ze dan weer in
Amerika verkochten. Ook tabak en suiker nam de WIC mee vanuit Amerika.
Kenmerkende aspecten:
De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht
van de Nederlandse republiek
Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een
wereldeconomie.
6.2:
Toen in 1588 de Staten-Generaal besloot om geen nieuwe landsheer te zoeken, werden de
zeven gewesten van de Unie van Utrecht een republiek: de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden. De republiek werd door regenten bestuurd, terwijl in andere landen een vorst
het hoogste gezag had. Regenten zijn mensen uit rijke handelsfamilies. In de Republiek was
de macht verdeeld tussen de Gewestelijke staten en de Staten-Generaal. De Staten-
Generaal bepaalden het buitenlandbeleid en de verdediging van het land, en hier ging het
meeste geld naartoe. Ook bestuurden ze Drenthe en de Generaliteitslanden, gebieden in het
zuiden die waren veroverd na 1588 door stadhouders Maurits en Frederik Hendrix. In de
Staten-Generaal zaten afgevaardigden van de Gewestelijke staten. De Gewestelijke Staten
van elk gewest mocht bepalen hoe de rechtspraak werd geregeld, welke regels er golden en
hoeveel belasting betaald moest worden. Zo overheerste het particularisme: elk gewest kon
beleid maken wat het beste paste bij hun. In alle gewesten overheerste het protestantisme,
maar in Nederland werd het katholicisme niet verboden, maar je mocht het niet openbaar
zijn.
In de republiek hadden de stadhouder en de raadspensionaris veel macht. Voorheen was de
stadhouder de plaatsvervanger van de landsheer, maar nu was hij legerleider. Holland,
Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel benoemden de belangrijkste stadhouder.
Friesland en Groningen (met Drenthe) benoemden de zogenaamde Friese stadhouder. Een
stadhouder was altijd afkomstig uit de familie van Oranje. De stadhouder voerde altijd de
opdrachten van de Staten-Generaal uit, omdat ze opperbevelhebber waren van het leger
van de Republiek, dat werd betaald door de Staten-Generaal en daarom dus Staatse leger
heette. De stadhouder had veel invloed op de Gewestelijke Staten en de Staten-Generaal, en
mocht hij stadsbestuurders benoemen. De raadspensionaris was de woordvoerder van
Holland in de Staten-Generaal, en hij was een machtige politicus doordat Holland erg rijk
was.
De oorlog tegen Spanje duurde tientallen jaren en er ontstonden 2 groepen binnen de
Republiek. De Oranjegezinden onder leiding van stadhouder Maurits wilden oorlog
doorzetten, omdat ze er veel geld door verdienden door produceren en verhandelen van
oorlogsproducten. De staatsgezinden wilde vrede met Spanje en onder leiding van Van
Oldenbarnevelt lukte dit, door een meerderheid voor vrede in de Staten-Generaal. In 1609
was er een wapenstilstand tussen de Republiek en Spanje voor 12 jaar overeen: het
Twaalfjarig Bestand. Toen kwam er een godsdienstig probleem tussen 2 groepen calvinisten:
de orthodoxen en de gematigden. Maurits koos voor de orthodoxen, en van Van