Biologie: Biochemie
Biochemie:
- e chemie van de stoffen waaruit levende organismen zijn opgebouwd en van de chemische
reacties die bij levensprocessen zijn berokken
De elementaire bestanddelen van een cel:
- waterstof (H)
- zuurstof (O)
- koolstof (C)
- stikstof (N)
1. Water en mineralen
1.1 Water
Water wordt in ons lichaam zowel intercellulair (in de cel) als extracellulair (milieu buiten de cel)
aangetroffen.
Dit water vervult verscheidene functies:
- Oplosmiddel voor organische en anorganische stoffen
- Transportmiddel van voedings- en afvalstoffen in het extracellulair vocht
- Bouwsteen in stofwisselingsreacties
- Temperatuurregulator
Het watergehalte in ons lichaam wordt binnen enge grenzen gehouden. De hoeveelheid water die we
dagelijks opnemen moet ongeveer gelijk zijn aan de hoeveelheid water die iedere dag het lichaam
verlaat.
Het dynamisch evenwicht zorgt voor een ongeveer gelijkblijvend watergehalte (vochtbalans in
evenwicht = homeostasis van water)
Bij sterk vochtverlies zullen de nieren minder urine produceren om het evenwicht zo veel mogelijk te
handhaven.
, 1.2 Mineralen
De mens moet dagelijks een bepaalde hoeveelheid mineralen (zouten) opnemen. Enkele belangrijke
zouten zijn:
- Natriumchloride
- Calciumchloride
- Calciumfosfaat
- Magnesiumfosfaat
- Ijzerzouten
96% van het menselijk lichaam: water, sachariden, vetten en eiwitten
4% van het menselijk lichaam: mineralen
Opgeloste zouten geleiden de elektrische stroom (elektrolyten)
- Kationen: positief geladen
- Anionen: negatief geladen
Belang mineralen in ons lichaam?
- Functie als bouwstof
- Invloed op de osmotische waarde van lichaamsvloeistoffen
- Betekenis als bestanddeel van hormonen en enzymen
, 2. Diffusie en osmose
= fysische verschijnselen gebaseerd op concentratieverschillen.
Stoffen kunnen worden opgenomen door de cellen maar ook weer afgegeven worden aan het
extracellulair vocht
Osmose
Kan een stof vrij bewegen in een vloeistof
Diffusie: worden 2 compartimenten van elkaar gescheiden door een selectief permeabele
membraan, dan gaat het oplosmiddel zich bewegen naar het compartiment met de hoogste
concentratie.
Bij evenwicht is er geen netto transport meer van oplosmiddel: het drukverschil = osmotische druk.
Overmatig verlies van water leidt tot dehydratatie. Er zijn verschillende mogelijkheden:
- Verlies van water/ontoereikende toevoer ervan: extracellulair vocht hypertoon
- Verlies van water als van elektrolyten: extracellulair vocht hypertoon
- Verlies van elektrolyten: hypochloremische alkalose/hyponatremische acidose
Biochemie:
- e chemie van de stoffen waaruit levende organismen zijn opgebouwd en van de chemische
reacties die bij levensprocessen zijn berokken
De elementaire bestanddelen van een cel:
- waterstof (H)
- zuurstof (O)
- koolstof (C)
- stikstof (N)
1. Water en mineralen
1.1 Water
Water wordt in ons lichaam zowel intercellulair (in de cel) als extracellulair (milieu buiten de cel)
aangetroffen.
Dit water vervult verscheidene functies:
- Oplosmiddel voor organische en anorganische stoffen
- Transportmiddel van voedings- en afvalstoffen in het extracellulair vocht
- Bouwsteen in stofwisselingsreacties
- Temperatuurregulator
Het watergehalte in ons lichaam wordt binnen enge grenzen gehouden. De hoeveelheid water die we
dagelijks opnemen moet ongeveer gelijk zijn aan de hoeveelheid water die iedere dag het lichaam
verlaat.
Het dynamisch evenwicht zorgt voor een ongeveer gelijkblijvend watergehalte (vochtbalans in
evenwicht = homeostasis van water)
Bij sterk vochtverlies zullen de nieren minder urine produceren om het evenwicht zo veel mogelijk te
handhaven.
, 1.2 Mineralen
De mens moet dagelijks een bepaalde hoeveelheid mineralen (zouten) opnemen. Enkele belangrijke
zouten zijn:
- Natriumchloride
- Calciumchloride
- Calciumfosfaat
- Magnesiumfosfaat
- Ijzerzouten
96% van het menselijk lichaam: water, sachariden, vetten en eiwitten
4% van het menselijk lichaam: mineralen
Opgeloste zouten geleiden de elektrische stroom (elektrolyten)
- Kationen: positief geladen
- Anionen: negatief geladen
Belang mineralen in ons lichaam?
- Functie als bouwstof
- Invloed op de osmotische waarde van lichaamsvloeistoffen
- Betekenis als bestanddeel van hormonen en enzymen
, 2. Diffusie en osmose
= fysische verschijnselen gebaseerd op concentratieverschillen.
Stoffen kunnen worden opgenomen door de cellen maar ook weer afgegeven worden aan het
extracellulair vocht
Osmose
Kan een stof vrij bewegen in een vloeistof
Diffusie: worden 2 compartimenten van elkaar gescheiden door een selectief permeabele
membraan, dan gaat het oplosmiddel zich bewegen naar het compartiment met de hoogste
concentratie.
Bij evenwicht is er geen netto transport meer van oplosmiddel: het drukverschil = osmotische druk.
Overmatig verlies van water leidt tot dehydratatie. Er zijn verschillende mogelijkheden:
- Verlies van water/ontoereikende toevoer ervan: extracellulair vocht hypertoon
- Verlies van water als van elektrolyten: extracellulair vocht hypertoon
- Verlies van elektrolyten: hypochloremische alkalose/hyponatremische acidose