2.0 Wat zijn natuurlijke materialen?
• Natuurlijke materialen = materialen met een natuurlijke oorsprong
o Hout en houtcomposieten, natuursteen, natuurlijke en dierlijke materialen (met een
minimum aan bewerking)
• Impact van alle materialen kan je nachecken bij EPD = Environmental Product Declaration en
geeft veel info over ontginningen, onderhoud, transport,.. De FOD heeft hiervoor een
databank ontwikkeld waar alle gegevens bijgehouden worden
2.1 HOUT
• Hout is een van de meest natuurlijke en circulaire bouwmaterialen. Het is flexibel en
demonteerbaar, maar gevoelig voor water en ongedierte. Door technieken zoals CLT (cross
laminated timber) is hout ook geschikt voor dragende constructies
Toepassingen:
- Dragende constructies: massiefbouw met CLT, skeletbouw, dak- en vloerbalken
- Gevel-, muur- en vloerbekledingen
- Ramen en deuren
- Interieurafwerking
- Meubilair
• Hout is een natuurlijk gegroeid materiaal met uitzonderlijke eigenschappen.
• De eigenschappen hangen af van hoe de boom gegroeid is en hoe het hout verzaagd wordt.
• Niet alle delen van de boom zijn geschikt voor de bouw:
o Wortels en onderste deel: te vochtig → niet bruikbaar.
o Stam: meest gebruikt in de bouw (minder vocht).
o Takken en kruin: kleiner, vaak verwerkt tot houtsnippers of plaatmateriaal.
• Een boom heeft minstens ±30 jaar nodig om een degelijke stam te vormen voor
bouwtoepassingen.
• Hout kan in principe terugkeren naar de natuur, maar niet meer als er niet-natuurlijke
stoffen (bv. lijm) aan toegevoegd worden.
Structuur:
• Hout heeft groeiringen met vroeghout (voorjaar) en laathout (zomer).
• In een dwarsdoorsnede onderscheiden we:
o Kernhout: hardste hout, dicht op elkaar liggende jaarringen → sterk en massief.
1
, o Spinthout: bevat lichtere (voorjaar) en donkere (zomer) jaarringen.
o Bast en schors: niet bruikbaar voor de bouw.
Eigenschappen:
• Hout kan zowel trek- als drukkrachten opnemen (anders dan beton).
• Richtwaarde voor overspanning: H = L/20.
• Hout is brandbaar, tenzij het voldoende overgedimensioneerd wordt.
Verschil loofhout en naaldhout
• Loofhout (loofbomen met bladeren) = hardhout.
• Naaldhout (naaldbomen met naalden) = zachthout.
• Naaldhout wordt meestal gebruikt voor constructieve toepassingen:
o Goede prijs-kwaliteitverhouding
o Licht in verhouding tot mechanische sterkte
o Voorbeelden: vuren en grenen
• Beide houtsoorten moeten gedroogd worden vóór gebruik.
• Drogen gebeurt meestal in droogovens (niet gewoon natuurlijk aan de lucht).
Verschillende manieren verzagen
• De manier van verzagen bepaalt het patroon en de eigenschappen van hout.
• Er zijn 3 manieren:
o Kopsvlak: dwars op de stam → jaarringen zichtbaar als cirkels.
o Radiaal vlak (dwarsrichting): door het hart van de boom → rechte lijntekening.
o Tangentiaal vlak (raaklijnrichting): langs de zijkant van de stam → vlamachtige
tekening (jaarringen als schuine vormen, stralen als puntjes).
• Belangrijke richtingen in hout:
o Radiaal
o Axiaal (draadrichting, langs de vezels)
o Tangentiaal
2
, Belangrijk om te weten!
EXAMEN: vlampatroon en draadpatroon herkennen en onderscheid weten!
3
, Vochtgehalte
Duurzaamheidsklasse
• Duurzaamheidsklassen geven de natuurlijke weerstand tegen schimmels en rot aan.
• Klasse 1 is beste maar is heel duur door alle CO2 impact dat errond zit, dus we kijken liever
naar hout met klasse 2 of 3
• Vanaf klasse 3 is meestal verduurzaming of onderhoud nodig.
Aantasting
• Brand: als hout in aanraking is geweest met vlammen gaat die buitenlaag verkolen. De
buitenste laag offeren we op om de balk te beschermen.
• Schimmels: ontstaan bij een lange periode van hoog vochtgehalte (30–40%).
o Er zijn twee soorten:
1. Schimmels die de celwand aantasten → gevaarlijk, verzwakken het hout
(celwand verpulvert).
2. Schimmels die de celwand niet aantasten → geen structureel probleem voor
het hout.
• Schimmels die de celwand aantasten of houtverwekkende schimmels
o Bruinrot
▪ Breekt cellulose af
▪ Geeft een kubisch (blokjes) patroon
▪ Hout wordt broos en valt uit elkaar
o Witrot
▪ Breekt cellulose én lignine af
▪ Celwanden worden beschadigd
▪ Hout begint af te brokkelen
o Zachtrot
▪ Tast cellulose en lignine aan
▪ Hout wordt zacht
4