2. Wat is 'rechtsvinding' en wat zijn de rode draden doorheen de cursus?
Wat is een (juridische) uitlegging? Uitlegging: begripsomschrijving 3. Leg uit: wat is een uitlegging in het algemeen en wat zijn zijn onderdelen?
4. Wat is een 'semantische interpretatie'?
5. Geef drie kenmerken.
6. Wat is een 'pragmatische interpretatie'?
7. In welke mate zijn Z en O belangrijk in een pragmatische interpretatie?
8. Wat is context? Definieer en geef twee soorten contexten.
9. Leg uit: explicaturen en implicaturen.
10. Leg uit: rechtsgevolgeninterpretaties en de verhouding met implicaturen.
11. In welke drie kenmerken verschillen pragmatische interpretaties van semantische interpretaties?
12. Leg het eerste kenmerk van pragmatische interpretaties uit.
13. Leg het tweede kenemerk van pragmatische interpretaties uit.
14. Leg het derde kenmerk van pragmatische interpretaties uit.
15. Waarom onderscheiden we de verschillende vormen van interpretatie?
Juridische uitlegging 16. Wat is een juridische uitlegging?
17. Wat is het juridisch uitleggingsdoel? Geef ook de visie van voorstanders van volledig heteronome rechtsvinding.
18. Wat is het juridisch uitleggingsvoorwerp? Geef ook de visie van de aanhangers van de volledig heteronome rechtsvinding.
19. Wat is de juridisch uitleggingsmethode? Geef ook de visie van voorstanders van heteronome rechtsvinding.
20. Wat is het juridisch uitleggingssubject?
21. Wat zijn typische doelstellingen?
22. Wat zijn specifieke doelstellingen?
23. Wat is een standpunt?
24. Wat is de verhouding tussen rollen, specifieke doelstellingen en standpunten?
25. Waarom staan we stil bij de doelstellingen van de uitlegger?
26. Leg uit: voorzichtige raadgever vs. activistische advocaat.
27. Leg uit: morrende rechter.
28. Leg uit: autocratische leiders en recht
29. Waarom zijn typische en specifieke doelstellingen van belang voor wetgevers?
30. Leg uit: niet juridische factoren die besluitvorming beïnvloeden.
Twee visies en de aantrekkingskracht
van volledig heteronome uitlegging 31. Wat zijn paradigma's en welke twee zijn er?
32. Wat is het ontologisch en epistemologisch uitgangspunt van het eerste paradigma?
33. Welke eerste toepassing hiervan in het recht is er van de ontologische en epistemologische uitgangspunten van het positivistische paradigma? Leg uit.
34. Geef vier voorbeelden.
35. Geef een tweede toepassing in het recht van de ontologische en epistemologische uitgangspunten van het positivistisch paradigma. Bespreek de verschillen tussenbeiden.
35. Wat is het axiologisch uitgangspunt van het rechtspositivisme?
36. Wat is het methodologisch uitgangspunt van het rechtspositivisme?
37. Wat is het staatkundig uitgangspunt van het rechtspositivisme?
38. Wat is het ontologisch en epistemologisch standpunt van het constructivistisch paradigma?
39. Hoe is dit toegepast op het recht?
40. Geef vier voorbeelden.
41. Wat is het axiologisch uitgangspunt van het constructivistisch paradigma?
42. Wat is in het algemeen het methodologisch uitgangspunt van het constructivistisch paradigma?
, 43. Wat zijn volgens de constructivisten de beperkingen van het syllogisme?
44. Wat verklaart het feit dat uitleggers keuzes moeten maken bij de constructie van major- en minorpremisse?
45. Leg het tegenargument van het constructivistisch paradigma tegen het 'subsumptieautomaat'-argument van de positivisten.
46. Welke methodologische shift is dan ook nodig volgens de constructivisten?
47. Wat is het staatskundig uitgangspunt van de constructivisten?
48. Waarom is het syllogisme zo hardnekkig?