INHOUDSOPGAVE
1
,Samenvatting ethische & rechtsfilosofische stromingen ................................................................. 1
Inleiding ................................................................................................................................................ 2
Wat is ethiek? .................................................................................................................................. 2
Onze morele ontwikkeling .............................................................................................................. 5
Ethiek & moraal ............................................................................................................................. 10
Waarom behoefte aan ethiek? ..................................................................................................... 11
Hoofdstuk 1: BEGINSELENETHIEK OF PRINCIPIËLE HOUDING .................................................. 12
Wat zijn morele beginselen? ........................................................................................................ 12
Wat fundeert morele beginselen.................................................................................................. 12
De klassieke rechtvaardigingstoets ............................................................................................. 15
Domeinonafhankelijke beginselen ................................................................................................. 21
Domeinafhankelijke beginselen ..................................................................................................... 37
Hoofdstuk 2 GEVOLGENETHIEK OF CONSEQUENTIALISTISCHE HOUDING ............................. 49
Hoofdstuk 3 deugdenethiek of karakteriele houding ......................................................................... 60
Hoofdstuk 4 moreel sceptische houding ............................................................................................ 70
3 moreel sceptische stellingen ....................................................................................................... 72
Filosofische situering: moraal botst met een wetenschappelijk mens- en wereldbeeld ................ 79
Maatschappelijke relevantie van deze sceptische houding ........................................................... 90
INLEIDING
Wat is ethiek?
2
,= Met ethiek neem je op een rationele wijze een houding aan tegenover een moreel
probleem obv redelijke argumenten
3 zaken
o Houding
o Moreel probleem
o Rationale wijze
1. Moreel probleem
Voorbeelden:
Moet ik een goede kennis die om geld vraagt, dat ook geven?
Mag dove ouder voor een doof kind kiezen?
Moet er een verplichte samenlevingsdienst voor jongeren komen?
o Morele probleem ≠ kennistheoretisch of praktisch probleem
- Normatief probleem
o Niet elk normatief probleem = moreel probleem, maar elk moreel probleem is
wel een normatief probleem
bv. Tegen 9u in Brussel dus je MOET vroeg opstaan = normaatief
probleem, maar geen moreel
- Zorgt voor spanning
o je twijfelt, je moet erover nadenken, je kan er snachts van wakker liggen
o probleem is niet iets vrijblijvend
= je kan niet zeggen dat je je er niets van aan zal trekken, het
probleem vraagt een oplossing/ houding van je
- Mening wordt verwacht
- Weinig consensus
o Mensne nemen verschillend houdingen aan
o Eensgezindheid over wat de beste houding is, bestaat niet
o Heel tegenovergestelde met wetenschap
Combo van gebrek aan consensus, persoonlijke betrokkenheid, dringendheid,
onafwendbaarheid => SPANNING
2. Houding
- 4 soorten houdingen tov een probleem
o Oplossing (ervoor hebben)
3
, o Nieuw probleem zien
Waarom iets niet vanzelfsprekend is en dus over moet nagedacht
worden
o Zinvolle reflectie
Je hebt er ideeën, beschouwingen over
o Een benadering waardoor er geen probleem meer is
Zien dat er geen relevantie is en dus geen probleem
3. Rationele wijze
Ethiek heeft te maken met rationaliteit = op een juiste manier kunnen zeggen waarom
je die bepaalde houding hebt aangenomen
Maar beschrijven wat redelijke argumenten zijn = moelijk
Dus uitleggen welke argumenten ONredelijk zijn (3)
1. Geloof – wil van God
Plato en het probleem met religieuze argumenten
In Euthyphro klaagt Euthyphro zijn vader aan voor mishandeling van een slaaf.
Socrates vraagt waarom hij dat doet en welk argument hij heeft tegen het
handelen van zijn vader.
Euthyphro antwoordt dat het tegen de wil van de goden is.
Socrates zegt: hoe weet je zeker wat de goden willen? En als je zegt dat de
goden tegen onrecht zijn, waarom zeg je dan niet gewoon dat het
onrechtvaardig is?
Dit leidt tot een dilemma: ofwel baseer je je oordeel op de wil van de goden, die
je eigenlijk niet kent, ofwel op rechtvaardigheid op zich.
Alles wat met religieuze argumenten onderbouwd wordt, kan net zo goed met
een seculier rechtvaardigheidsbegrip worden beargumenteerd.
Verwijzen naar de wil van de goden is dus geen noodzakelijke of zinvolle
toevoeging in ethische discussies.
2. Emoties – instincten – intuïties
Heel veel moreel gedrag wordt door onze emoties aangestuurd
Maar emoties kunnen onze houding niet onderbouwen, ze geven er enkel uitdrukking
aan
Vb. seks tussen broer & zus is niet verboden in België, maar hoe leg je dan
uit dat het afgekeurd wordt
3. Feitelijke toestand
Onderscheid tussen feiten & normen !!
Als je die 2 overlapt met elkaar, dan bega je de naturalistische drogreden
o Mag je niet doen, is onaanvaardbaar
o De wereld van het zijn vs. de wereld van het moeten
4