INDIVIDUELE VERSCHILLEN,
DEEL 2
,INHOUD
INHOUD.................................................................................................................. 1
Persoonlijkheidspsychologie herhaling...................................................................2
H6. Genen en persoonlijkheid................................................................................. 4
H7. Persoonlijkheid en fysiologie..........................................................................16
H8. Evolutionaire benadering van persoonlijkheid...............................................27
H11. Motieven en persoonlijkheid........................................................................36
H13. Persoonlijkheid en emoties..........................................................................45
H15. Persoonlijkheid en sociale interactie............................................................63
H16. Geslacht, gender, en PH............................................................................... 70
H18. Persoonlijkheid, stress en gezondheid.........................................................84
1
,PERSOONLIJKHEIDSPSYCHOLOGIE HERHALING
DIFFERENTIELE PSYCHOLOGIE / PSYCHOLOGIE VAN INDIVIDUELE
VERSCHILLEN
Tussen mensen (zowel uiterlijke als psychologische verschillen)
Binnen mensen (over de tijd, in verschillende situaties, voor verschillende
personen)
Algemene psychologie: algemene wetten
2 grote deeldomeinen
1. Intelligentie, cognitief functioneren
2. Persoonlijkheid (karakter, emoties)
2 grote visies op persoonlijkheid: trekvisie & interactionistische visie
TREKVISIE
NOMOTHETISCHE TREKCONCEPT
Nomothetische trekconcept: 3 cruciale eigenschappen:
1. Interne, stabiele eigenschappen consistent patroon van gedrag
2. Causaal verklaren het gedrag v.h. individu
3. Dimensies (<------------------>)
IMPLICATIES
1. H(P)!
2. Gedrag wordt gekenmerkt door relatief hoge (soorten
consistentie Hampson)
a. A-consistentie = cross-temporele stabiliteit (zelfde G,
zelfde S)
b. B-consistentie = cross-situationele stabiliteit (zelfde G,
andere S)
c. C-consistentie = cross-uitingsstabiliteit (ander G, zelfde S)
d. D-consistentie = voorspelling van concreet gedrag op concrete
situatie (ander G, andere S)
o Personality coefficient: in welke mate kan je bepaald gedrag
in bepaalde situatie voorspellen
INTERACTIONISTISCHE VISIE
ASSUMPTIES
1. Persoonlijkheid = systeem van processen dat iemands
reactie op een concrete situatie bepaalt (vb. CAPS systeem
Mischel)
2
, 2. Gedrag = functie van de INTERACTIE tussen persoon en omgeving
3. Persoonlijkheid in termen van ALS … DAN … gedragshandtekeningen
IMPLICATIES
1. G = P x S
2. Gedrag wordt gekenmerkt door relatief hoge
a. A consistentie
MAAR door relatief lage
b. B consistentie
c. C-consistentie
d. D-consistentie
WIE HEEFT GELIJK? CONCLUSIE
Trekken zijn relatief cross-temporeel Concreet gedrag is weinig consistent
consistent Concrete gedragsuitingen correleren ook
Consistente ind. verschillen in algemene niet sterk onderling
gedragstendenzen & worden slecht voorspeld door trekken
& voorspellen ook belangrijke
levensoutcomes
CONCLUSIE
Mensen worden gekenmerkt door (ind. verschillen in) algemene
gedragstendenzen
Gedragstendenzen zijn relatief stabiel & voorspellende kracht voor
levensoutcomes
MAAR zijn weinig informatief voor de predictie van concreet gedrag OMDAT
zo’n gedrag mee bepaald wordt in interactie met de specifieke situatie
Hedendaags persoonlijkheidsonderzoek:
1. Trekvisie domineert
o Brede empirische theorie van structuur van persoonlijkheid (Big
Five, Hexaco)
o Consistent theoretisch kader geeft mogelijkheid tot cumulatieve
wetenschap
o Makkelijk te onderzoeken (eenvoudige trekvragenlijsten)
2. Interactionisme
o Assumpties worden nochtans algemeen aanvaard
o MAAR moeilijker te onderzoeken
o Gebrek aan omvattende theorie van persoonlijkheid die de
voornaamste processen en structuren met naam noemt
3