1. Basisconcepten en definities...........................................................................2
2. Substraat voor leren: ongeconditioneerd gedrag............................................6
3. Habituatie en sensitisatie................................................................................ 9
4. Pavloviaanse conditionering: basisconcepten...............................................14
5. Stimulusreacties bij Pavloviaanse conditionering..........................................25
7. Instrumentele of operante conditionering.....................................................32
Motivatie & emotie............................................................................................... 37
Wetenschappelijke cyclus................................................................................. 37
DEEL 1: motivatie.............................................................................................. 39
I. Wetenschappelijke cyclus toegepast op motivatie.........................................39
II. Procestheorieën............................................................................................. 41
III. Inhoudstheorieën.......................................................................................... 57
DEEL 2: emotie.................................................................................................. 65
I. Wetenschappelijke cyclus toegepast op emotie.............................................65
II. Emotietheorieën............................................................................................ 65
Taalontwikkeling................................................................................................... 83
Verbal fluency................................................................................................... 83
Het semantisch geheugen................................................................................. 86
Language & thought.......................................................................................... 95
Netwerkmodellen............................................................................................ 102
Hogere cognitie.................................................................................................. 109
H1. Denken en Probleem oplossen..................................................................109
H2. Deductie en inductie................................................................................. 118
H3. Beslissen................................................................................................... 129
1
,LEERPSYCHOLOGIE
1. BASISCONCEPTEN EN DEFINITIES
2
,FUNDAMENTELE KENMERKEN VAN LEREN
LEREN EN ANDERE VORMEN VAN GEDRAGSVERANDERINGEN
“leren?”
Studeren, “schools leren” (leren lezen, rekenen…)
Vaardigheid, techniek leren (leren lopen, zwemmen, koken…)
= binnen leerpsychologie, dit alles + …
Onbewust leren (vb. angstig leren zijn van honden)
Leren bij dieren (& voor gelijkaardigheid v.d. onderliggende mechanismen)
Niet enkel gesofisticeerde, ook basale vaardigheden (gezichten
herkennen, stappen…)
Niet enkel leren ‘doen’, maar ook leren ‘niet doen’ (leren zwijgen tijdens
de les)
Niet enkel motorisch-perceptueel-cognitief, ook emotioneel-affectief (iets
leren lusten)
Niet enkel bij kinderen / jongeren, heel leven lang (door veranderende
omgevingen)
DUS: leren = hét middel waardoor dieren hun gedrag duurzaam wijzigen, met
als doel een veranderingen in de leefwereld (gedragsmatige / neuronale
“plasticiteit”)
Leren wordt geïdentificeerd door een gedragsverandering kan een
toename of afname van een bepaalde respons zijn
LEREN, PERFORMANTIE EN NIVEAUS VAN ANALYSE
Niet elke gedragsverandering impliceert leren!
Oorzaken van tijdelijke, niet-duurzame gedragsverandering ≠ leren (vb.
vermoeidheid)
Leren wordt veroorzaakt door specifieke ervaringen, andere oorzaken ≠
leren (vb. fysieke maturatie: niet beperkt tot 1 soort gedrag, MAAR soms
interactie)
MATURATIE vs. LEREN
- Leren: oefening en ervaring specifiek in verband met geleerde
gedrag (éénmalig / meermaals)
- Gedragsveranderingen veroorzaakt door leren zijn relatief
specifiek / beperkt in vergelijking met effecten van maturatie
o Vgl. effecten maturatie grijpbeweging leren koken op
kookplaat
Wel generalisatie van geleerde gedrag naar gelijkaardige situaties
Leren ≠ gedragsverandering door evolutie, want gebeurt niet in individueel
leven
Vermogen tot leren is zélf product van evolutie
Leren = relatief duurzame verandering in gedragspotentieel ≠
performantie
3
, o Performantie (gedragsverandering) = functie van motivatie,
stimuluscondities & het “geleerde”
o Afwezigheid gedragsverandering ≠ afwezigheid leren!
= “behaviorally silent learning”: met beloning
werden ratten sneller en sneller, zonder beloning
toonde dit effect zich niet in de grafiek tot er een
beloning werd gegeven (hadden toch iets geleerd)
Niveau van analyse Type leermachine
Volledig organisme Gedragsmatig
Neuronale circuits & Neuronale systemen / netwerken
neurotransmittoren
Individuele neuronen & synapsen Moleculair & cellulair
= alle niveaus zijn van belang bij leren, binnen leerpsychologie kijken op
gedragsmatig niveau
EEN DEFINITIE VAN LEREN
“Leren is een relatief duurzame verandering in het potentieel om een
bepaald gedrag* te stellen, die toe te schrijven is aan ervaring met
gebeurtenissen in de omgeving die specifiek gerelateerd** zijn aan dat
gedrag”
* motorische responsen en / of autonoom-vegetatieve responsen
** S of S1-S2 of R-S
3 fundamentele types van ‘ervaring’…
1. [S] = ervaring met een stimulus op zich
= habituatie / sensitisatie
2. [S1 – S2] = ervaring met relatie tussen 2 stimuli / gebeurtenissen
= klassieke / Pavloviaanse conditionering
3. [R – S] = ervaring met relatie tussen gedrag en consequente gebeurtenis
in omgeving
= operante conditionering
Naturalistische vs. Experimentele observaties
- Enkel correlaties - Enige dat causale uitspraken kan
- Nooit oorzaken, enkel maken
hypothesen = ‘waarom’ van een
gedragsverandering
HET “FUNDAMENTELE” LEEREXPERIMENT
Experimentele groep vs. controlegroep(en)
Gelijkgesteld op alle (persoons / omgevings) variabelen
Enkel experimentele groep krijgt kritische leerervaring (OV) op moment T0
Vergelijking van gedragsverandering in beide groepen op moment T1 laat
causale leer-uitspraak toe
4