Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 27 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Van Gen Tot Populatie definitielijst | Biotechnologie | PXL | 2025/26

Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 27 pagina's

woordenlijst met alle terminologie uit de doelstellingen van H1-12

Voorbeeld van de inhoud

Thema 1
●​ Erfelijkheid: Het proces waarbij kenmerken van de ene generatie worden
doorgegeven aan de volgende.
●​ Variatie: De zichtbare uiterlijke verschillen tussen ouders en nakomelingen of tussen
broers en zussen onderling.
●​ Genetica: De wetenschappelijke tak die de mechanismen van erfelijkheid en
genetische variatie bestudeert.
●​ Gen: De functionele eenheid van erfelijkheid, bestaande uit een specifiek
DNA-segment op een chromosoom.
●​ Aseksuele voortplanting: Voortplanting vanuit één enkele ouder zonder versmelting
van gameten; de nakomelingen zijn genetisch identiek aan de ouder (klonen).
●​ Seksuele voortplanting: Voortplanting waarbij twee ouders nakomelingen
voortbrengen met een unieke combinatie van genen door de versmelting van
gameten.
●​ Kloon (clone): Een individu of groep individuen die genetisch exact gelijk is aan de
ouder, ontstaan uit aseksuele voortplanting.
●​ Levenscyclus: De opeenvolging van stadia in de voortplantingsgeschiedenis van
een organisme, van de vorming van de zygote tot de productie van eigen
nakomelingen.
●​ Somatische cel: Alle cellen van het lichaam met uitzondering van de gameten en
hun voorlopercellen.
●​ Karyotype: Een geordende, visuele voorstelling van de chromosomenparen in een
celkern, gesorteerd op lengte en vorm.
●​ Homologe chromosomen (homologen): Een paar chromosomen (één van elke
ouder) die dezelfde lengte en vorm hebben en genen voor dezelfde kenmerken op
identieke plaatsen (loci) dragen.
●​ Geslachtschromosomen: Het chromosomenpaar dat het geslacht van een individu
bepaalt (bij de mens X en Y).
●​ Autosomen: Alle chromosomenparen (22 bij de mens) die niet direct betrokken zijn
bij de geslachtsbepaling.
●​ Gameet: Een haploïde voortplantingscel (eicel of zaadcel).
●​ Haploïde cel (\(n\)): Een cel die slechts één enkele set chromosomen bevat.
●​ Diploïde cel (\(2n\)): Een cel die twee volledige sets chromosomen bevat, één
afkomstig van de moeder en één van de vader.
●​ Bevruchting (fertilisatie): De versmelting van een haploïde eicel en een haploïde
spermacel.
●​ Zygote: De diploïde cel die ontstaat na de bevruchting.
●​ Meiose: Een specifiek type celdeling die het aantal chromosomen halveert van
diploïd naar haploïd voor de vorming van gameten.
●​ Generatiewisseling: Een levenscyclus (typisch voor planten) met zowel een
meercellig diploïd stadium (sporofyt) als een meercellig haploïd stadium
(gametofyt).
●​ Sporofyt: Het meercellige diploïde stadium bij planten dat door meiose haploïde
sporen produceert.

,●​ Gametofyt: Het meercellige haploïde stadium bij planten dat door mitose haploïde
gameten produceert.
●​ Meiose I: De eerste fase van meiose waarbij de homologe chromosomen worden
gescheiden (reductiedeling).
●​ Meiose II: De tweede fase van meiose waarbij de zusterchromatiden worden
gescheiden, vergelijkbaar met mitose.
●​ Synapsis: Het proces in profase I waarbij homologe chromosomen fysiek met elkaar
paren.
●​ Synaptonemaal complex: Een ritsachtige proteïnestructuur die de homologen
tijdens de synapsis stevig bij elkaar houdt.
●​ Cohesine: Proteïnecomplexen die zusterchromatiden langs hun gehele lengte aan
elkaar hechten.
●​ Crossing over: De uitwisseling van genetisch materiaal tussen
niet-zusterchromatiden tijdens profase I.
●​ Chiasma: De X-vormige regio op een homoloog paar waar crossing over heeft
plaatsgevonden.
●​ Tetrade: Een groep van vier chromatiden die ontstaat wanneer twee homologe
chromosomen zich tijdens profase I en metafase I paarsgewijs schikken.

, Thema 2
●​ Eigenschap (character): Een erfelijke variabele die verschilt tussen individuen,
zoals de kleur van een bloem.
●​ Kenmerk (trait): Een specifieke variant van een eigenschap, bijvoorbeeld paarse of
witte bloemen.
●​ Gen: Een discrete eenheid van erfelijkheid; moleculair gezien een regio in het DNA
die tot expressie kan komen om een functioneel eindproduct (polypeptide of RNA) te
maken.
●​ Allel: Alternatieve versies van een gen die leiden tot variaties in erfelijke kenmerken.
●​ Locus: de specifieke, vaste plaats van een gen op een chromosoom.
●​ Genotype: De genetische samenstelling of de specifieke set allelen van een
organisme.
●​ Fenotype: Het observeerbare uiterlijk of de waarneembare fysische en fysiologische
kenmerken van een organisme.
●​ Soort (species): Een groep populaties waarvan de leden het potentieel hebben om
onderling te kruisen en vruchtbare nakomelingen voort te brengen.
●​ Ras (variety): Een specifieke variëteit binnen een soort met duidelijk te
onderscheiden kenmerken.
●​ Hybride: Een nakomeling uit de paring van twee verschillende soorten, óf uit de
paring van twee verschillende zaadvaste/fokzuivere rassen binnen dezelfde soort.
●​ Zaadvast (plant): Planten die bij zelfbestuiving enkel nakomelingen van hetzelfde
ras produceren.
●​ Fokzuiver (dier): Het equivalent van zaadvast bij dieren; individuen die na paring
met gelijken enkel nakomelingen met hetzelfde kenmerk voortbrengen.
●​ P-generatie: De oudergeneratie bestaande uit zaadvaste of fokzuivere rassen.
●​ F1-generatie: De eerste generatie hybride nakomelingen die voortkomen uit de
P-generatie.
●​ F2-generatie: De nakomelingen ontstaan door zelf- of kruisbestuiving van de
F1-hybriden.
●​ Zelfbestuiving: Bestuiving waarbij het stuifmeel van een bloem op de stempel van
dezelfde bloem of plant terechtkomt.
●​ Kruisbestuiving: Bevruchting tussen twee verschillende planten door stuifmeel
handmatig of via natuurlijke weg over te brengen.
●​ Heterozygoot: Een organisme met twee verschillende allelen voor een specifiek
gen.
●​ Homozygoot: Een organisme met twee identieke allelen voor een specifiek gen.
●​ Dominant: Het allel dat het uiterlijk (fenotype) bepaalt bij een heterozygoot individu.
●​ Recessief: Het allel dat geen merkbaar effect heeft op het uiterlijk bij een
heterozygoot; het kenmerk wordt enkel zichtbaar bij homozygotie.
●​ Monohybride: Een individu dat heterozygoot is voor één enkele eigenschap (bv.
Aa).
●​ Dihybride: Een individu dat heterozygoot is voor twee verschillende eigenschappen
(bv. AaBb).
●​ Polyhybride: Een kruising of individu waarbij drie of meer verschillende
eigenschappen betrokken zijn.

Documentinformatie

Geüpload op
18 augustus 2026
Aantal pagina's
27
Geschreven in
2025/2026
Type
Samenvatting
€8,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
0
Volgers
0
Items
2
Laatst verkocht
-


Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen