Thema 1
● Erfelijkheid: Het proces waarbij kenmerken van de ene generatie worden
doorgegeven aan de volgende.
● Variatie: De zichtbare uiterlijke verschillen tussen ouders en nakomelingen of tussen
broers en zussen onderling.
● Genetica: De wetenschappelijke tak die de mechanismen van erfelijkheid en
genetische variatie bestudeert.
● Gen: De functionele eenheid van erfelijkheid, bestaande uit een specifiek
DNA-segment op een chromosoom.
● Aseksuele voortplanting: Voortplanting vanuit één enkele ouder zonder versmelting
van gameten; de nakomelingen zijn genetisch identiek aan de ouder (klonen).
● Seksuele voortplanting: Voortplanting waarbij twee ouders nakomelingen
voortbrengen met een unieke combinatie van genen door de versmelting van
gameten.
● Kloon (clone): Een individu of groep individuen die genetisch exact gelijk is aan de
ouder, ontstaan uit aseksuele voortplanting.
● Levenscyclus: De opeenvolging van stadia in de voortplantingsgeschiedenis van
een organisme, van de vorming van de zygote tot de productie van eigen
nakomelingen.
● Somatische cel: Alle cellen van het lichaam met uitzondering van de gameten en
hun voorlopercellen.
● Karyotype: Een geordende, visuele voorstelling van de chromosomenparen in een
celkern, gesorteerd op lengte en vorm.
● Homologe chromosomen (homologen): Een paar chromosomen (één van elke
ouder) die dezelfde lengte en vorm hebben en genen voor dezelfde kenmerken op
identieke plaatsen (loci) dragen.
● Geslachtschromosomen: Het chromosomenpaar dat het geslacht van een individu
bepaalt (bij de mens X en Y).
● Autosomen: Alle chromosomenparen (22 bij de mens) die niet direct betrokken zijn
bij de geslachtsbepaling.
● Gameet: Een haploïde voortplantingscel (eicel of zaadcel).
● Haploïde cel (\(n\)): Een cel die slechts één enkele set chromosomen bevat.
● Diploïde cel (\(2n\)): Een cel die twee volledige sets chromosomen bevat, één
afkomstig van de moeder en één van de vader.
● Bevruchting (fertilisatie): De versmelting van een haploïde eicel en een haploïde
spermacel.
● Zygote: De diploïde cel die ontstaat na de bevruchting.
● Meiose: Een specifiek type celdeling die het aantal chromosomen halveert van
diploïd naar haploïd voor de vorming van gameten.
● Generatiewisseling: Een levenscyclus (typisch voor planten) met zowel een
meercellig diploïd stadium (sporofyt) als een meercellig haploïd stadium
(gametofyt).
● Sporofyt: Het meercellige diploïde stadium bij planten dat door meiose haploïde
sporen produceert.
,● Gametofyt: Het meercellige haploïde stadium bij planten dat door mitose haploïde
gameten produceert.
● Meiose I: De eerste fase van meiose waarbij de homologe chromosomen worden
gescheiden (reductiedeling).
● Meiose II: De tweede fase van meiose waarbij de zusterchromatiden worden
gescheiden, vergelijkbaar met mitose.
● Synapsis: Het proces in profase I waarbij homologe chromosomen fysiek met elkaar
paren.
● Synaptonemaal complex: Een ritsachtige proteïnestructuur die de homologen
tijdens de synapsis stevig bij elkaar houdt.
● Cohesine: Proteïnecomplexen die zusterchromatiden langs hun gehele lengte aan
elkaar hechten.
● Crossing over: De uitwisseling van genetisch materiaal tussen
niet-zusterchromatiden tijdens profase I.
● Chiasma: De X-vormige regio op een homoloog paar waar crossing over heeft
plaatsgevonden.
● Tetrade: Een groep van vier chromatiden die ontstaat wanneer twee homologe
chromosomen zich tijdens profase I en metafase I paarsgewijs schikken.
, Thema 2
● Eigenschap (character): Een erfelijke variabele die verschilt tussen individuen,
zoals de kleur van een bloem.
● Kenmerk (trait): Een specifieke variant van een eigenschap, bijvoorbeeld paarse of
witte bloemen.
● Gen: Een discrete eenheid van erfelijkheid; moleculair gezien een regio in het DNA
die tot expressie kan komen om een functioneel eindproduct (polypeptide of RNA) te
maken.
● Allel: Alternatieve versies van een gen die leiden tot variaties in erfelijke kenmerken.
● Locus: de specifieke, vaste plaats van een gen op een chromosoom.
● Genotype: De genetische samenstelling of de specifieke set allelen van een
organisme.
● Fenotype: Het observeerbare uiterlijk of de waarneembare fysische en fysiologische
kenmerken van een organisme.
● Soort (species): Een groep populaties waarvan de leden het potentieel hebben om
onderling te kruisen en vruchtbare nakomelingen voort te brengen.
● Ras (variety): Een specifieke variëteit binnen een soort met duidelijk te
onderscheiden kenmerken.
● Hybride: Een nakomeling uit de paring van twee verschillende soorten, óf uit de
paring van twee verschillende zaadvaste/fokzuivere rassen binnen dezelfde soort.
● Zaadvast (plant): Planten die bij zelfbestuiving enkel nakomelingen van hetzelfde
ras produceren.
● Fokzuiver (dier): Het equivalent van zaadvast bij dieren; individuen die na paring
met gelijken enkel nakomelingen met hetzelfde kenmerk voortbrengen.
● P-generatie: De oudergeneratie bestaande uit zaadvaste of fokzuivere rassen.
● F1-generatie: De eerste generatie hybride nakomelingen die voortkomen uit de
P-generatie.
● F2-generatie: De nakomelingen ontstaan door zelf- of kruisbestuiving van de
F1-hybriden.
● Zelfbestuiving: Bestuiving waarbij het stuifmeel van een bloem op de stempel van
dezelfde bloem of plant terechtkomt.
● Kruisbestuiving: Bevruchting tussen twee verschillende planten door stuifmeel
handmatig of via natuurlijke weg over te brengen.
● Heterozygoot: Een organisme met twee verschillende allelen voor een specifiek
gen.
● Homozygoot: Een organisme met twee identieke allelen voor een specifiek gen.
● Dominant: Het allel dat het uiterlijk (fenotype) bepaalt bij een heterozygoot individu.
● Recessief: Het allel dat geen merkbaar effect heeft op het uiterlijk bij een
heterozygoot; het kenmerk wordt enkel zichtbaar bij homozygotie.
● Monohybride: Een individu dat heterozygoot is voor één enkele eigenschap (bv.
Aa).
● Dihybride: Een individu dat heterozygoot is voor twee verschillende eigenschappen
(bv. AaBb).
● Polyhybride: Een kruising of individu waarbij drie of meer verschillende
eigenschappen betrokken zijn.
● Erfelijkheid: Het proces waarbij kenmerken van de ene generatie worden
doorgegeven aan de volgende.
● Variatie: De zichtbare uiterlijke verschillen tussen ouders en nakomelingen of tussen
broers en zussen onderling.
● Genetica: De wetenschappelijke tak die de mechanismen van erfelijkheid en
genetische variatie bestudeert.
● Gen: De functionele eenheid van erfelijkheid, bestaande uit een specifiek
DNA-segment op een chromosoom.
● Aseksuele voortplanting: Voortplanting vanuit één enkele ouder zonder versmelting
van gameten; de nakomelingen zijn genetisch identiek aan de ouder (klonen).
● Seksuele voortplanting: Voortplanting waarbij twee ouders nakomelingen
voortbrengen met een unieke combinatie van genen door de versmelting van
gameten.
● Kloon (clone): Een individu of groep individuen die genetisch exact gelijk is aan de
ouder, ontstaan uit aseksuele voortplanting.
● Levenscyclus: De opeenvolging van stadia in de voortplantingsgeschiedenis van
een organisme, van de vorming van de zygote tot de productie van eigen
nakomelingen.
● Somatische cel: Alle cellen van het lichaam met uitzondering van de gameten en
hun voorlopercellen.
● Karyotype: Een geordende, visuele voorstelling van de chromosomenparen in een
celkern, gesorteerd op lengte en vorm.
● Homologe chromosomen (homologen): Een paar chromosomen (één van elke
ouder) die dezelfde lengte en vorm hebben en genen voor dezelfde kenmerken op
identieke plaatsen (loci) dragen.
● Geslachtschromosomen: Het chromosomenpaar dat het geslacht van een individu
bepaalt (bij de mens X en Y).
● Autosomen: Alle chromosomenparen (22 bij de mens) die niet direct betrokken zijn
bij de geslachtsbepaling.
● Gameet: Een haploïde voortplantingscel (eicel of zaadcel).
● Haploïde cel (\(n\)): Een cel die slechts één enkele set chromosomen bevat.
● Diploïde cel (\(2n\)): Een cel die twee volledige sets chromosomen bevat, één
afkomstig van de moeder en één van de vader.
● Bevruchting (fertilisatie): De versmelting van een haploïde eicel en een haploïde
spermacel.
● Zygote: De diploïde cel die ontstaat na de bevruchting.
● Meiose: Een specifiek type celdeling die het aantal chromosomen halveert van
diploïd naar haploïd voor de vorming van gameten.
● Generatiewisseling: Een levenscyclus (typisch voor planten) met zowel een
meercellig diploïd stadium (sporofyt) als een meercellig haploïd stadium
(gametofyt).
● Sporofyt: Het meercellige diploïde stadium bij planten dat door meiose haploïde
sporen produceert.
,● Gametofyt: Het meercellige haploïde stadium bij planten dat door mitose haploïde
gameten produceert.
● Meiose I: De eerste fase van meiose waarbij de homologe chromosomen worden
gescheiden (reductiedeling).
● Meiose II: De tweede fase van meiose waarbij de zusterchromatiden worden
gescheiden, vergelijkbaar met mitose.
● Synapsis: Het proces in profase I waarbij homologe chromosomen fysiek met elkaar
paren.
● Synaptonemaal complex: Een ritsachtige proteïnestructuur die de homologen
tijdens de synapsis stevig bij elkaar houdt.
● Cohesine: Proteïnecomplexen die zusterchromatiden langs hun gehele lengte aan
elkaar hechten.
● Crossing over: De uitwisseling van genetisch materiaal tussen
niet-zusterchromatiden tijdens profase I.
● Chiasma: De X-vormige regio op een homoloog paar waar crossing over heeft
plaatsgevonden.
● Tetrade: Een groep van vier chromatiden die ontstaat wanneer twee homologe
chromosomen zich tijdens profase I en metafase I paarsgewijs schikken.
, Thema 2
● Eigenschap (character): Een erfelijke variabele die verschilt tussen individuen,
zoals de kleur van een bloem.
● Kenmerk (trait): Een specifieke variant van een eigenschap, bijvoorbeeld paarse of
witte bloemen.
● Gen: Een discrete eenheid van erfelijkheid; moleculair gezien een regio in het DNA
die tot expressie kan komen om een functioneel eindproduct (polypeptide of RNA) te
maken.
● Allel: Alternatieve versies van een gen die leiden tot variaties in erfelijke kenmerken.
● Locus: de specifieke, vaste plaats van een gen op een chromosoom.
● Genotype: De genetische samenstelling of de specifieke set allelen van een
organisme.
● Fenotype: Het observeerbare uiterlijk of de waarneembare fysische en fysiologische
kenmerken van een organisme.
● Soort (species): Een groep populaties waarvan de leden het potentieel hebben om
onderling te kruisen en vruchtbare nakomelingen voort te brengen.
● Ras (variety): Een specifieke variëteit binnen een soort met duidelijk te
onderscheiden kenmerken.
● Hybride: Een nakomeling uit de paring van twee verschillende soorten, óf uit de
paring van twee verschillende zaadvaste/fokzuivere rassen binnen dezelfde soort.
● Zaadvast (plant): Planten die bij zelfbestuiving enkel nakomelingen van hetzelfde
ras produceren.
● Fokzuiver (dier): Het equivalent van zaadvast bij dieren; individuen die na paring
met gelijken enkel nakomelingen met hetzelfde kenmerk voortbrengen.
● P-generatie: De oudergeneratie bestaande uit zaadvaste of fokzuivere rassen.
● F1-generatie: De eerste generatie hybride nakomelingen die voortkomen uit de
P-generatie.
● F2-generatie: De nakomelingen ontstaan door zelf- of kruisbestuiving van de
F1-hybriden.
● Zelfbestuiving: Bestuiving waarbij het stuifmeel van een bloem op de stempel van
dezelfde bloem of plant terechtkomt.
● Kruisbestuiving: Bevruchting tussen twee verschillende planten door stuifmeel
handmatig of via natuurlijke weg over te brengen.
● Heterozygoot: Een organisme met twee verschillende allelen voor een specifiek
gen.
● Homozygoot: Een organisme met twee identieke allelen voor een specifiek gen.
● Dominant: Het allel dat het uiterlijk (fenotype) bepaalt bij een heterozygoot individu.
● Recessief: Het allel dat geen merkbaar effect heeft op het uiterlijk bij een
heterozygoot; het kenmerk wordt enkel zichtbaar bij homozygotie.
● Monohybride: Een individu dat heterozygoot is voor één enkele eigenschap (bv.
Aa).
● Dihybride: Een individu dat heterozygoot is voor twee verschillende eigenschappen
(bv. AaBb).
● Polyhybride: Een kruising of individu waarbij drie of meer verschillende
eigenschappen betrokken zijn.