1. Inleiding
Omschrijving
belangrijk subdomein van de politieke wetenschappen en omvat de vergelijkende studie van
politieke systemen:
• Interne structuren
• Instituties
• Actoren & processen
Drie empirische tradities: landenstudie, methodologisch & analytisch
Het analytisch doel van VP is: aan de hand van de combinatie van inhoud & methode de
gelijkenissen & verschillen tussen politieke systemen bekijken: variatie is het uitgangspunt
• Beschrijven a.d.h.v. classificatie & typologie
• Verklaren d.m.v. hypotheses
• Voorspellen door [causale] effecten bloot te leggen
Behavioural revolution
Strijd tussen wetenschappers die voor heel wat verschuivingen zorgde. Een van de belangrijkste
verschuivingen gaat over de uitbreiding van de discipline op vlak van cases. Na WOII ontstonden
heel wat nieuwe staten door dekolonisering waardoor het aantal nationale politieke systemen
steeg. Voorheen keek men vooral naar de VS en het VK.
Daarnaast merkte men ook dat andere democratieën, zoals die in België en Nederland, werkten.
Men gaf ze de term consensusdemocratie.
Evolutie van de inhoud
VP vergelijkt doorgaans nationale politieke systemen (staten en formele instellingen), maar
beperkt zich daar niet noodzakelijk toe (allerlei actoren). Het bekijkt ook sub- en supranationale
systemen en types of elementen van systemen.
Kritiek:
• drang om te focussen op wetmatigheden en abstracties. Niet voor de cultuur van een
land en de algemene praktijk binnen het land.
• Tegenreactie: ‘bringing the state back’, ‘midrange theory’, ‘case-oriented’ analysis.
• Omdat dat op een nieuwe manier moest, richtte men zich tot het neo-institutionalisme:
o het idee dat instellingen formele regels en procedures met zich meebrengen,
maar evengoed ook normen en waarden (informeel). Die instituties hebben
impact op wat mensen doen.
Gevolgen:
• Veelheid aan kenmerken van politieke systemen bestudeerd
• Besef van de integratieve meerwaarde van het systeemdenken
• Meer aandacht voor het maken, de uitkomst en de impact van beleid.
1
, • We bestuderen en zien een groeiende interdependentie tussen politieke systemen.
Evolutie van methodes
Veelheid aan methodes in VP
• Methode hangt af van
o Onderzoeksvraag
o Dimensie van vergelijking
o Analyse-eenheden
o Focus op gelijkenissen of verschillen
Extensief design: veel landen, weinig variabelen
Intensief design: weinig landen, veel variabelen
Vaak gebruik gemaakt van configuratielogica: landen worden als een geheel, bepaald door
complexe constellatie van factoren beschouwd.
Uitdagingen
• Te weinig cases, te veel variabelen
• Bias bij het selecteren van cases
• Hetzelfde fenomeen kan verschillende dingen betekenen in verschillende landen.
Maakt vergelijken moeilijk.
• Staten kunnen niet volledig op zichzelf bekeken worden in de context van globalisering.
Regimes en politieke systemen indelen
We gebruiken typologie als classificatiesysteem: clusters met gedeelde kenmerken.
• Bv. typologie van regimes: democratie, authoritair regime, hybride regime
Drie hedendaagse varianten
• Freedom in the World
• Democracy Index
• Verfijnde modellen in politieke economie of met de HDI
2
,2. Staat en democratie: deel 1
Examenvragen:
Oorlog en religie waren katalysatoren voor de opkomst van de moderne staat maar zonder een
aantal hefbomen was die staat er in haar huidige vorm wellicht nooit gekomen. Leg uit en geef
een voorbeeld van zo’n hefboom.
In de postkoloniale periode wordt de staat een belangrijk westers exportproduct. Waarom kun je
zeggen dat dit product niet overal even sterk geconsumeerd en/of gesmaakt wordt?
Vandaag bestaat er een debat over de toekomst van de staat. Voor sommigen staat die sterk als
altijd of sterker dan ooit. Voor anderen is de staat op weg naar de uitgang. Geef voor elke van die
standpunten argumenten. Waarom kunnen we (niet) besluiten dat ook in de hedendaagse
wereld de staat de default van bestuurlijke organisatie is?
Staten in de wereld
De VN telt 193 leden.
• Dit zijn staten met soevereiniteit: erkend in het internationale statensysteem.
• Vaak als referentie voor aantal staten
Quasistaten: Staten die formeel soeverein zijn, maar in praktijk treden ze niet op als echte
staten. Vb. microstaten zoals Liechtenstein, Andorra, Monaco…
De facto staten: Functioneren als staten, maar niet zo erkend. Geen echte legitimiteit in het
internationale systeem. Vb. Taiwan, Kosovo…
Moderne wereld van staten
Deze indeling is nogal vanzelfsprekend in de vergelijkende studie van politieke stelsels. De staat
is het referentiepunt en de standaard analyse-eenheid van VP. Dit is echter niet altijd zo geweest
en zal wellicht ook niet zo blijven.
Vroeger: Konink- en keizerrijken, samen met vrije steden
• Persoonsgebonden en gedecentraliseerd bestuur
• Omvangrijke bevolking of oppervlakte
• Geen abstracte politieke gemeenschap of afgebakend territorium
Nu: moderne staat
• de soevereine (wettelijke en feitelijke) autoriteit over een territorium met een bevolking
en grenzen.
• Ontstond in Europa (16e – 18e eeuw) en groeide aanvankelijk geleidelijk.
• Echte expansie na WOII.
• Bracht andere en meer complexe relaties tussen staten teweeg.
o Impact op binnenlandse politieke systeem
o Debat over onafhankelijkheid en toekomst van de staat. Vb. discussie over bereik
en edect van globalisering.
Wat is een staat
3
, ‘Staat’ blijft een gecontesteerd begrip. Sommigen proberen het begrip te definiëren, anderen
willen het omschrijven met basiskenmerken zoals in onderstaande figuur:
Lees de figuur van ‘territory’ over ‘population’ naar ‘government’ en ‘legitimacy’ tot ‘sovereignty’.
• ‘Population’: de bevolking van een staat vormt een politieke gemeenschap van burgers.
Die laatsten zijn volledig en gelijkwaardig lid van de staat (met de rechten en plichten
die daarbij horen). Dit principe roept wel nieuwe vragen op (wat met dubbel
staatsburgerschap, permante residenten, immigranten, etc.?). Voor sommigen is die
bevolking ook de basis van een volk of natie.
• ‘Government’: elke staat heeft een bestuur maar is er niet aan gelijk te stellen. De staat
definieert de politieke gemeenschap, het bestuur beheert deze (zie ook het
onderscheid tussen staatshoofden en regeringsleiders).
• ‘Sovereignty’: dit plaatst de staat als de ultieme (d.i. de belangrijkste en de laatste) bron
van autoriteit. Het begrip werd ontwikkeld door Bodin (16de eeuw) en vond zijn weg in
Europa. Het diende er als rechtvaardiging voor het consolideren van de macht door
bepaalde monarchen (zie slide 6). Onder impuls van de democratisering verschoof die
macht later naar de verkozen raden (die optreden als vertegenwoordigers van de
bevolking).
Opkomst van het statensysteem
Middeleeuws Europa:
• In de periode ±1000-1500 delen monarchen hun macht met vazallen in het eigen
territorium (feodalisme) en met de transnationale autoriteit van het moment (met de
monarch als wereldlijke agent).
Opkomst moderne staat:
• Nieuwe technologieën: grote legers & wapenwedloop
o Ontstaan bureaucratieën, grotere bestuursentiteiten, uniformering,
standaardisering, handel & diplomatie
• Sommige vorsten centraliseren hun macht.
• Kritiek van o.a. Luther op corruptie en privileges van de Kerk.
4