FAMILIERECHT
Volledige samenvatting
DEEL 1 — Samenvatting
DEEL 2 — Begrippenlijst
DEEL 3 — Wetgevinglijst
, Personen- en familierecht
Hoe lees je dit document?
Hieronder staan de opmaakcodes die in deze samenvatting gebruikt worden.
Term = Definitie. De term staat vet in donkerblauw, de uitleg erachter.
→ Uitwerking, nuance of uitzondering bij de regel erboven.
1. 2. 3. Genummerd wanneer de tekst zelf een aantal aankondigt, zodat je kan nakijken of je er geen
vergeet.
art. 213 Wetsartikelen staan in bruin, zodat je er snel op kan scannen.
Focus Focuskader uit de cursus, geel gemarkeerd.
UITLEG Extra toelichting bij een begrip dat kort geformuleerd is.
2
, Personen- en familierecht
Inhoudsopgave
Klik hieronder en druk op F9 om de inhoudsopgave door Word te laten invullen.
3
, Personen- en familierecht
DEEL 1 — SAMENVATTING
HOOFDSTUK 1. WAT IS PERSONEN- EN FAMILIERECHT?
§ 1. Juridische omschrijving
Personen- en familierecht = tak van het burgerlijk recht die bepaalt wie je bent in het rechtsverkeer en hoe je
met je naasten verbonden bent
Personenrecht = regelt wie in welke mate mag deelnemen aan het (burgerlijk) rechtsverkeer
▪ Algemene personenrecht = van toepassing op alle natuurlijke personen
▪ Bijzonder personenrecht = slechts van toepassing op bepaalde categorieën personen
Wie is een persoon? = de natuurlijke persoon valt juridisch samen met het biologische persoonsbegrip
→ elke mens vanaf zijn geboorte, en reeds daarvoor, tot aan zijn overlijden, en soms nog daarna
Familierecht = regelt de familierechtelijke betrekkingen, 3 betrekkingen:
1. Partners ‘in tafel en/of bed’: horizontaal
2. Ouders en kinderen: verticaal
3. De uitgebreide familie: verwantschappen
Wat is een familie? = de wet geeft geen definitie; het begrip wordt ingevuld door de drie soorten betrekkingen
hierboven
Kruispunten = plaatsen waar de takken van het familierecht elkaar tegenkomen; het recht regelt die
ontmoetingen met ‘verkeerslichten’ die botsingen verhinderen
→ vb. verkeerslichten: huwelijksbeletselen, aanverwantschap
§ 2. Functionele omschrijving
Kwadranten van de familie = 2 functies van de familie
1. Ouderschap = solidariteit tussen ouders en hun kinderen, ontstaan door de afhankelijkheid van de kinderen
→ natuurlijke afhankelijkheid: het kind kan fysiek niet voor zichzelf zorgen
→ culturele afhankelijkheid: het kind moet worden opgevoed en ingeleid in de samenleving
2. Paarvorming = solidariteit tussen volwassenen, eveneens ontstaan door de afhankelijkheid van de kinderen
Verwantschapsstructuur = de ordening van samenhorigheid en solidariteit binnen een ruimere groep mensen
→ bevat dezelfde basiskenmerken: regels over mogelijke partnerrelaties en een eigen terminologie
§ 3. Verleden
Evoluties van het familierechtssysteem
Tijdlijn van het familierechtssysteem = 4 momenten
1. 1804: monistisch systeem, opgebouwd rond het burgerlijk huwelijk
2. 1979: arrest-Marckx (EHRM) — gelijkstelling binnen- en buitenhuwelijkse afstamming
3. Vanaf 1987: splitsing in 4 kwadranten, en splitsing horizontaal – verticaal
4. Nu: herintegratie?
Conclusie = evolutie van “de familie” naar “de families”
Evoluties binnen het personen- en familierechtssysteem
5 grote evoluties = doorlopende bewegingen die het huidige personen- en familierecht hebben gevormd
▪ Ontkerkelijking = sinds de 20e eeuw brokkelt de invloed van de kerk af; komt die nu weer terug?
▪ Ontmanning = het afschaffen van de machtspositie van de man en de vader
4
, Personen- en familierecht
▪ Emancipatie = begonnen bij de vrouw en de kinderen, daarna uitgebreid naar andere groepen
– Gelijkheid tussen man en vrouw
– LGBTIQA: afnemend belang geslacht en gender
– Vrije seksualiteit: emancipatie vrouw, loskoppeling seksualiteit-voortplanting
– Kinderen: bescherming van, voorzieningen voor, participatie en autonomie
– Personen met ziekte/beperking: bescherming en inclusieve benadering
– Vreemdelingen: genot van alle rechten, wel uitzonderingen
– Dieren en andere dragers van leven: bijzondere bescherming
– Mensenrechten?: op verschillende manieren gewaarborgd
▪ Verfeitelijking = meer aandacht voor de feitelijke situatie in plaats van voor louter juridische bepalingen
▪ Wilsautonomie = groeit systematisch, ten nadele van regelgeving van openbare orde
§ 4. Toekomst
Hoe zal het personen- en familierecht evolueren? = 6 verwachte ontwikkelingen
1. Opbouw/afbouw welvaartstaat: afbrokkeling familierecht, heropbouw noodzakelijk?
2. Terug naar barbarij?: verdwijning van de tweerelatie als norm en van het geslachtsverschil
3. Modulatie: het recht moet van toonsoort veranderen om de nieuwe realiteit te kunnen benoemen
4. Empirisch familierecht: nood aan evidence-based familiebeleid/empirische vaststellingen
5. Familie als middenveld: nood aan familie als middenveld, binnenin zelfregulering mogelijk
6. Samenhangend personen- en familierecht: nood aan afstemming voor referentiefunctie
§ 5. Bijzondere plaats van het personen- en familierecht binnen het rechtssysteem
Status vs contract = twee tegengestelde ordeningsprincipes: status wordt beheerst door de openbare orde,
contract door de vrijheid van partijen
→ redenen dwingend karakter personen- en familierecht:
▪ Publiekrechtelijke functie: de regels van het personen- en familierecht raken de grondslag van de
maatschappelijke orde
▪ Parens patriae-doctrine: overheid mag ‘zoals ouder over het volk’ bescherming bieden voor burgers die voor
hun belang niet zelf of zelfstandig kunnen opkomen
▪ Tit for tat: overwegingen van rechtseconomische aard, in twee vormen
– Empirisch: micro-economisch onderzoek dat nagaat in welke mate economische overwegingen meespelen bij
familierechtelijke betrekkingen
– Normatief: macro-economisch onderzoek dat nagaat hoe familierechtelijke betrekkingen het best worden
georganiseerd vanuit het algemeen belang
Status vs contract vandaag = de tweedeling is minder scherp geworden sinds het ontstaan van de welvaartstaat
→ meer eenheid want:
▪ Status werd contract: groeiende wilsautonomie in personen- en familierecht
▪ Contract werd status: veel sturend tussenkomen overheid in privaatrecht
§ 6. Bronnen van het personen- en familierecht
Wetgeving
Federaal niveau = burgerlijk recht in verband met personen en familie is federale bevoegdheid
▪ Art. 3-502 en 1475-1479 oud BW en boek 2 BW
▪ Ger.W. (vooral art. 572bis en 1253bis)
▪ Bijzondere wetgeving (vb. Jeugdbeschermingswet, Wetboek Belgische Nationaliteit, …)
Dubbele evolutie = federale staat verliest op 2 manieren zijn bevoegdheid in p.- en f.recht
▪ Internationaal niveau: evolutie naar boven
→ mensenrechtenverdragen (vb. EVRM, BUPO-Verdrag, Kinderrechtenverdrag, …)
5
, Personen- en familierecht
→ EU: Europees familierechtelijk internationaal privaatrecht
▪ Deelstatelijk niveau: evolutie naar beneden
→ gemeenschappen: bijstand aan persoon (vb. Decreet Rechtspositie Minderjarige, …)
→ gewesten: economische en grondgebonden aangelegenheden
Rechtspraak
Federaal niveau = 3 organen
1. Grondwettelijk Hof: vooral belang via beantwoorden prejudiciële vragen
2. Raad van State: beperkt belang
3. Hof van Cassatie: heel belangrijk voor beantwoorden rechtsvragen burgerlijk recht
Internationaal niveau = 2 organen
1. EHRM en Hof van Justitie: beperkt belang door beperkte bindende kracht
Rechtsleer
Rol rechtsleer = 2 rollen
1. Ontwikkeling onderdelen p.- en f.recht (: rechtsleer – rechtspraak – wetgeving)
2. Artikelsgewijze becommentariëring wetgeving
6
, Personen- en familierecht
PERSONENRECHT
HOOFDSTUK 2. PERSONEN
Afdeling 1. Waarover gaat het?
Personen = onderwerp van boek 1 OBW, echter niet gedefinieerd in wet wat persoon is
→ wel onderscheid met andere juridische categorieën
Antropocentrisch recht = recht is gemaakt door mensen voor mensen
Entiteiten recht = 2 soorten
1. Natuurlijke personen: menselijke personen van ‘vlees en bloed’
→ elke mens en enkel de mens
2. Rechtspersonen: niet lichamelijke publiek- en privaatrechtelijke entiteiten
→ door mens gecreëerd
Focus 2. Over personen, dieren en voorwerpen
Basisonderscheid = onderscheid tussen personen en voorwerpen, sinds 2021 ook dieren
Voorwerpen = hebben geen juridische hoedanigheid en dus ook geen rechten/plichten
→ zijn slecht het voorwerp (: object) van rechten van personen (: subject)
Opvattingen recht = gematerialiseerde vs gedematerialiseerde opvatting
▪ Gematerialiseerde: regels over lichaam, gedachten, gevoelens en gedrag mens (: persoonlijkheid)
▪ Gedematerialiseerde: regels over mens als fictieve entiteit (: juridische masker/rol)
Actor-netwerktheorie = erkent binnen netwerk van recht ook de agency van niet-menselijke elementen die het
netwerk samenstellen met menselijke actoren
→ voorwerpen en dieren ook erkent als materiele actanten, met eigen-waardige belangen
Evolutie onderscheid = steeds meer in richting aan het evolueren van verdwijning tweedeling
→ voorwerpen en dieren die (gedeeltelijke) rechtspersoonlijkheid kunnen verwerven?
→ mogelijkheid om tegelijk persoon en voorwerp en dier te zijn?
Dieren = sinds 2021 erkent als aparte categorie in art. 3.39 BW; geen voorwerp, geen persoon
→ nog geen invulling gekregen; voorlopig regelgeving over voorwerpen nog van toepassing
Andere dragers van leven = objectiefrechtelijke bescherming van onder andere lucht, water, planten, …
Geen dragers van leven = objectiefrechtelijke bescherming ten behoeve van algemeen belang
→ gaat om ‘dingen’ met veel immateriële waarde, onder andere cultuurgoederen
Afdeling 2. De natuurlijke persoon
§ 1. De mens
Mens = elke entiteit die uit een mens is geboren op basis van menselijke gameten
→ begrip menselijk blijft ongedefinieerd in de wet
§ 2. Vanaf de geboorte
▪ Levende en levensvatbare geboorte
7
, Personen- en familierecht
Geboorte = begin van rechtspersoonlijkheid; vastgelegd met akte van geboorte (art. 42 OBW)
→ uitgangspunt = levende (: enig teken van leven) en levensvatbare (: enige tijd zelfstandig in leven kunnen
blijven) geboorte
Akte van geboorte = opgemaakt door ambtenaar van de burgerlijke stand na medisch attest opgesteld door
arts of vroedvrouw over levende en levensvatbare geboorte
Akte van geboorte en overlijden = overlijden na vaststelling, maar voor aangifte geboorte
Doodgeboorte
Begrafenis of crematie = verplicht eenmaal wettelijke levensvatbaarheidsgrens bereikt is
→ voor bereiken wettelijke levensvatbaarheidsgrens: mogelijk op verzoek ouders
Akte van een levenloos kind = maakt het kind juridisch zichtbaar (art. 58-59 OBW)
→ zwangerschapsduur (: aantal dagen) wordt berekend aan de hand van de foetale leeftijd
→ wordt opgesteld door ambtenaar van de burgerlijke stand indien:
▪ ≥ 180 dagen: akte verplicht: voor- en achternaam op vraag ouders
▪ ≥ 140 en < 180 dagen: akte op vraag ouders: voornaam op vraag ouders
▪ < 140 dagen: geen akte mogelijk
Nog geen geboorte
Infans conceptus-regel = verwekt kind als geboren beschouwd telkens dat in zijn belang is
UITLEG
Een fictie, geen echte rechtspersoonlijkheid. Het verwekte kind is juridisch nog niets, maar wanneer het in zijn voordeel
zou zijn, doet het recht alsof het al geboren was. Klassiek voorbeeld: vader sterft tijdens de zwangerschap — het kind
erft toch. Belangrijk: de fictie krijgt pas volle uitwerking als het kind levend én levensvatbaar geboren wordt. Sterft het
bij de geboorte, dan is er nooit iets verworven.
→ fictieregel: verwekt kind is geen natuurlijk persoon, wordt enkel als zodanig beschouwd
→ voorwaarde: krijgt pas volle uitwerking bij levende en levensvatbare geboorte
Verwekking = innesteling in baarmoeder met inherent vermogen om tot mens te ontwikkelen
Wettelijke toepassingen = titularis van zakelijke rechten, erfgerechtigheid, verkrijgen gift, als kind erkent
Focus 3. Het menselijke leven voor de geboorte
Ongeboren kind = geen rechtspersoonlijkheid; valt in juridische categorie voorwerp
→ krijgt geen zelfstandige bescherming als rechtspersoon
→ verwekking: rechtsbescherming op basis van menselijke waardigheid als schakel in menselijk leven
→ voor verwekking: geen rechtsbescherming, wel vraag of deze niet ook bescherming verdient
§ 3. Tot aan het overlijden
▪ Overlijden
▪ Vanaf het overlijden geen persoon meer overlijden niet gedefinieerd
▪ Arts moet altijd vaststellen of een persoon nog leeft of niet maar wet geeft geen criteria hiervoor dit gebeurd op
basis van de medische wetenschap
▪ Ofwel hersendood of klinische dood (hartslag, ademhaling,)
▪ Met vooruitgang kan men die klinische zaken langer leven
▪ Moment van overlijden beïnvloeden door wetenschap
▪ Bij uitgangspunt is iedereen orgaandonor: klinische functie zo lang mogelijk goed houden voor donatie (verser)
hier moeten dus 3 artsen het overlijden vaststellen
▪ Overlijden = einde rechtspersoonlijkheid: vastgesteld met akte van overlijden (art. 55 OBW)
8