Gedragsregelen, KID, moratorium en productinterventie
Schematische en uitgebreide samenvatting — Financieel recht 2025-2026
Les van 27 april 2026 (deel 2)
,Overzichtsschema — opbouw van de leerstof
Beleggersbescherming steunt op een gelaagd systeem van maatregelen, gaande van louter informeren tot het
volledig verbieden van bepaalde producten. Onderstaand schema geeft de opbouw weer, van het minst tot het
meest ingrijpend.
# Instrument Kernidee Rechtsgrond
FI moet zich billijk/loyaal gedragen en in het
art. 26 e.v. WFT + MiFID-
1 Gedragsregelen belang van de cliënt handelen; ken uw cliënt
KB
(know your customer)
Ontwikkelaar bepaalt vooraf de doelgroep van
art. 27, §2 WFT (sinds
2 Product governance een product; distributeur wordt daarover
MiFID II)
geïnformeerd
Verplicht, beknopt (max. 3 pagina's)
3 KID (informatieverplichting) precontractueel document met essentiële info, PRIIPS-Verordening
bij verpakte producten
Vrijwillig verbod op commercialisering van
4 Moratorium bijzonder ingewikkelde gestructureerde FSMA-moratorium (BIFI)
instrumenten aan retailbeleggers
Dwingend verbod op commercialisering van FSMA-reglementen
Banning
5 bepaalde (te risicovolle/complexe) instrumenten Banning I en II; ESMA-
(productinterventie)
aan retail(beleggers) bevoegdheid
Rode draad: de wetgever kan het koersrisico zelf niet wegnemen, maar wil (1) dat elke belegger weet welk risico
hij loopt (informatieverplichtingen) en (2) de belegger in bepaalde gevallen ook tegen zichzelf beschermen
(geschiktheids-/gepastheidscontrole, product governance, moratorium, banning).
,1. Inleiding: waarom beleggersbescherming?
• Vertrekpunt: geld enkel op een spaar-/termijnrekening plaatsen levert een beperkt rendement op dat de
inflatie vaak niet compenseert — de belegger verliest dan reëel koopkracht.
• Alternatief: beleggen levert een hoger potentieel rendement op, maar is risicovol (koersschommelingen,
volatiliteit).
• Doelstelling van de regelgeving: het koersrisico zelf kan niet worden weggenomen — de regelgeving zorgt
er wel voor dat elke belegger weet welk risico hij neemt, in de eerste plaats via informatieverplichtingen ten
laste van de financiële instelling (FI).
• Paternalistische component: in bepaalde gevallen wordt de belegger ook tegen zichzelf beschermd, doordat
de FI moet nagaan of een product gepast/geschikt is voor die specifieke belegger (een FI mag niets adviseren
dat tegen het beleggersprofiel van de cliënt ingaat).
Rechtskader in grote lijnen (art. 26 e.v. WFT)
De bescherming geldt voor de niet-professionele belegger — een categorie die ruimer is dan het begrip
‘consument’ (ook bv. KMO's kunnen niet-professionele belegger zijn).
Categorie regels Inhoud Oorsprong
Spelregels bij het aanbieden van beleggingsdiensten: EU-richtlijn (MiFID),
aanvankelijk het billijk-en-loyaal-beginsel, sinds de crisis omgezet in de Wet
Gedragsregelen (art. 26
van 2007-2008 uitgebreid met de verplichting om in het Financieel Toezicht
e.v. WFT)
belang van de cliënt te handelen en de ‘know your (WFT) van 2
customer’-regel augustus 2002
Gelijkaardige gedragsregels voor
Verzekeringsproducten Wet Verzekeringen
spaar-/beleggingsverzekeringen (tak 21 en tak 23)
De algemene beginselen uit de WFT worden verder
Verdere uitwerking gepreciseerd bij Koninklijk Besluit (o.m. het MiFID-KB) en KB + ESMA
verder geconcretiseerd via ESMA-guidelines
Dankzij deze gelaagde regelgeving (wet → KB → ESMA-guidelines) is er een grote mate van gelijkenis in de
toepassing van de regels tussen de verschillende EU-lidstaten.
Impact en belang van het gemeen aansprakelijkheidsrecht (art. 30ter WFT)
• De gedragsregels zelf zijn in de eerste plaats onderworpen aan gedragstoezicht: de nationale
toezichthouder (FSMA) sanctioneert een inbreuk, bv. via een administratieve sanctie.
• Schadevergoeding aan individuele beleggers zit niét vervat in de gedragstoezichtregels — daarvoor moet
worden teruggevallen op de klassieke principes van het gemeen aansprakelijkheidsrecht: fout, schade en
causaal verband.
• Een loutere koersdaling leidt nooit automatisch tot aansprakelijkheid van de bank; er is een fout nodig (bv.
gebrekkige informatie, een niet-passend advies).
• Art. 30ter WFT (bijzondere Belgische regel — relevant voor het examen): bij miskenning van bepaalde
gedragsregels geldt een weerlegbaar vermoeden van transactiecausaliteit — d.w.z. dat de door de
retailbelegger verrichte transactie het gevolg is van die miskenning. Let op: transactiecausaliteit betekent
niet automatisch dat er ook een causaal verband is tussen de miskenning en de (schade)causaliteit — het
vermoeden bestrijkt enkel de transactie, niet de schade zelf.
• Op EU-niveau wordt deze aansprakelijkheid niet geregeld (behalve specifiek voor de KID, zie art. 11 PRIIPS-
VO hieronder) — de nationale rechtsstelsels vullen dit zelf in, wat tot verschillen tussen lidstaten leidt.
• Vormen van schade: niet enkel geleden verliezen, ook gederfde winst (bv. het rendement van een plausibel
alternatief, gelet op de beleggingsdoelstellingen van de belegger) en zelfs niet-financiële (morele) schade —
bv. een pacifistische belegger van wie het vermogensbeheer toch aandelen van een wapenfabrikant kocht in
strijd met zijn duurzaamheidsvoorkeuren, ook al werd daarmee winst gemaakt.
,