2. EVOLUTIE VAN HET INTERNATIONAAL SYSTEEM SINDS 1648
2.1.DE STAAT: RELATIEF NIEUW OP GLOBAAL GEBIED
“the territorial trap” in sociale wetenschappen
- Wegens geschiedenis hebben we neiging om naar wereld te kijken als een wereld, verdeeld in nationale staten
- Maken verschillende assumpties als:
o Staten als nationale assumpties en nationaliteiten ➔ wereld = complexer dan dat
o Binnenland VS buitenland ➔ maar grote politieke vraagstukken zijn ook problemen van buitenland
o Neiging om staten te zien als container die alle aspecten van samenleving omvat
o
→ grote religieuze oorlogen in Europa
!! principe van de niet inmenging in de interne
aangelegenheden van andere actoren!!
➔ door dat principe mag de heerser doen wat die wil in
zijn gebied + geboorte van de ‘nationale staat’
1861: risorgimento (Italië)
- Beweging om Italië 1 te maken ➔ romanticisme + economische ontwikkelingen
1823: Monroe doctrine “america for the americans”
→ wij komen ons niet moeien bij u, u moet u niet komen moeien bij ons
2.2 GLOBALISERING EN DETERRITIORIALISERING VERSUS RETERRITORIALISERING: WAAR
DRAAIT HET ALLEMAAL OM ?
Jan Aart scholte
Globalisering = als een proces van deterritorialisering (= niveaus anders dan de nationale staat belangrijker zouden
kunnen worden)
EU = resultaat van reterritorialisering zodat ze problemen van globalisering aankunnen
Interne factoren Externe factoren
1. Politieke factoren ➔ globalisering
• Meer autonomie voor regio’s, decentralisatie = zorgt ervoor dat grenzen minder belangrijk worden
2. Economische factoren “de-territorialisering”
• Handel, investeringen
3. Culturele identiteit
• Eigen taal, geschiedenis, tradities
1
,➔ globalisering zorgt voor deterritorialisering (grenzen vervagen) ➔ regio’s krijgen juist meer belang + gaan zichzelf
organiseren ➔ leidt tot re-territorialisering: regio’s ontwikkelen een eigen identiteit + internationale samenwerking
Reterritorialisering speelt ook mee op mondiaal niveau
Vb. Frankrijk kon het in de jaren 70 het economisch niet meer alleen, hij nodigde de grootste industriële landen ter wereld
uit (westerse landen) ➔ resultaat: G7 vandaag G20 van belang
2.3 RETERRITORIALISERING, MACROREGIONALE INTEGRATIE EN MICROREGIO’S
→ Europa: ambitie om eengemaakt buitenlands beleid te ontwikkelen
DOEL: EU als één internationale actor te laten optreden en haar belangen, waarden en identiteit wereldwijd te verdedigen
➔ niet enkel economisch maar dus ook politieke speler zijn op wereldtoneel
1. Externe handel
= economische macht geeft de EU politieke macht
2. Common Foreign and Security Policy
= gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid
= lidstaten proberen samen één standpunt in te nemen over internationale kwesties ➔ moeilijk want werkt met
unanimiteit
3. Ontwikkelingssamenwerking
= doelen: armoede bestrijden, onderwijs ondersteunen, democratie en mensenrechten beschermen
4. Uitbereiding
= landen die lid willen worden moeten voldoen aan voorwaarden: democratie, rechtstaat, mensenrechten,
functionerende markteconomie
➔ is nog in opbouw
2.4 NIET-STATELIJKE ACTOREN EN INTERNATIONALE BETREKKINGEN
NGO’s
= organisaties die zich verenigen om specifieke vraagstukken in internationale politiek onder aandacht te brengen
Vb. Green peace, Amnesty international, Oxfam
Conclusie
- internationaal systeem is ingewikkeld en in evolutie doorheen de tijd
- Drivers van evolutie: demografie, defensie, economie, technologie, innovatie
- Wereldsysteem veranderd voortdurend
- Nationale staten, micro-regio’s, Ngo’s, multinationals, macro regionale gehelen
➔ = huidig complex wereldsysteem
3.GEOPOLITIEK
2
, 1 GEOPOLITIEKE ANALYSE
= onderzoekt hoe geografische factoren de politieke, economische en militaire machtsverhoudingen tussen staten en
andere actoren beïnvloeden
Rekening houden met:
1 FYSIEKE KENMERKEN VAN EEN GEBIED
Vb. bergen, rivieren, klimaat, olie, mineralen, water
→ elementen bepalen vaak waar mensen wonen, waar handel mogelijk is en waar conflicten ontstaan
2 HUMAN GEOGRAPHY – TERRITORY
→ conflicten ontstaan vaak omdat verschillende bevolkingsgroepen hetzelfde gebied opeisen
Vb. Israël – Palestina, Kosovo, Oekraïne
3 RUIMTELIJKE LIGGING
Kaarten van evolutie van het wereldsysteem
4 GRENZEN (INTERNE EN EXTERNE)
- Interne grenzen = grenzen tussen regio’s of deelstaten binnen een land
- Externe grenzen = internationale staatsgrenzen
- Invloedssferen = grootmacht probeert invloed uit te oefenen op bepaalde regio’s
5 GESCHIEDENIS
→ veel conflicten zijn alleen te begrijpen door naar het verleden te kijken
Geopolitieke representaties
= ideeën of beelden die landen hebben over zichzelf of anderen “wij horen historisch bij dit gebied”
6 ECONOMISCHE MACHT ALS GEOPOLITIEK INSTRUMENT
→ handel, investeringen, sancties, energie!!!, grondstoffen
7 GEOSTRATEGIE VAN DIVERSE ACTOREN
= hoe staten of andere actoren hun geografische ligging gebruiken om hun politieke, economische of militaire doelen te
bereiken
→ je kan een geopolitieke situatie nooit vanuit één factor verklaren
3.1 KLASSIEKE GEOPOLITIEK
3