de filosofen
filosoof periode stroming
Heraclitus 6e eeuw v.C. natuurfilosoof
Parmenides 5e eeuw v.C. natuurfilosoof
Protagoras 5e eeuw v.C. sofist, relativist
Socrates 5e eeuw v.C. realist
Plato 4e eeuw v.C. realist, systeembouwer
Aristoteles 4e eeuw v.C. realist, systeembouwer
Zeno van Citium 4e eeuw v.C. stoïcijn
Epicurus 4e eeuw v.C. epicurist
Seneca 1e eeuw n.C. stoïcijn
Epictetus 1e eeuw n.C. stoïcijn
Marcus Aurelius 2e eeuw n.C. stoïcijn
Plotinus 3e eeuw n.C. neoplatonist
Augustinus 4e eeuw n.C. realist of philosophia christiana
Thomas van Aquino 13e eeuw n.C. realist of scholasticus
Willem van Ockham 14e eeuw n.C. nominalist
Francis Bacon 16e eeuw n.C. empirist
René Descartes 17e eeuw n.C. rationalist
John Locke 17e eeuw n.C. empirist
David Hume 18e eeuw n.C. empirist, scepticist
Immanuel Kant 18e eeuw n.C. kritisch idealist
Georg W. F. Hegel 19e eeuw n.C. absoluut idealist
Karl Marx 19e eeuw n.C. historisch materialist
Friedrich Nietzsche 19e eeuw n.C. nihilist
Friedrich Schleiermacher 19e eeuw n.C. hermeneutiek
Edmund Husserl 20e eeuw n.C. fenomenoloog
Martin Heidegger 20e eeuw n.C. existentiëel fenomenoloog
Jean-Paul Sartre 20e eeuw n.C. existentialist
Jacques Derrida 20e eeuw n.C. deconstructivisme
Wittgenstein 20e eeuw n.C. analytische wijsbegeerte
Wiener Kreis (Moritz 20e eeuw n.C. neopositivist
Schlick)
Karl Popper 20e eeuw n.C. kritisch rationalist,
wetenschapsfilosoof
Thomas Kuhn 20e eeuw n.C. wetenschapsfilosoof
Michel Foucault 20e eeuw n.C. post-structuralist
Sigmund Freud 20e eeuw n.C. psychoanalyse
Jacques Lacan 20e eeuw n.C. psychoanalyse
Inhoudsopgave
6de vC - 6de E: antieke bestaanshorizon............................................................................................................ 3
1.2 Natuurfilosofie................................................................................................................................................4
1.3 Ethiek..............................................................................................................................................................4
1
,5de – 15de E: middeleeuws perspectief........................................................................................................... 12
2.1 De vroege middeleeuwen.............................................................................................................................12
2.2 de volle middeleeuwen – Herontdekking Aristoteles 13de E.........................................................................13
3. De integratie van Aristoteles..........................................................................................................................14
H3 : de crisis van de moderne tijd................................................................................................................. 17
15de – 19de E: crisis moderniteit..................................................................................................................... 17
H4: het einde vd moderniteit....................................................................................................................... 32
19de – 20ste E: einde moderniteit................................................................................................................... 32
Hedendaagse continentale wijsbegeerte...........................................................................................................33
Hedendaagse analytische wijsbegeerte (vanaf 20ste E)....................................................................................47
Caput Selectum I: wetenschapsfilosofie.............................................................................................................49
Inleiding
1) de grot van Plato
filosofie vertrekt vanuit de verwondering / betekenisverlies
filosofie heeft te maken met het moment waarop men zijn oude werkelijkheid niet meer als de
werkelijkheid beschouwd
actief en passief
voorwerp van verwondering = alles: alles heeft de mogelijkheid om in vraag gesteld te
worden
wereld is vooraf geordende structuur: men komt terecht in een symbolische orde, niet in de
realiteit (symbolische orde = secundair aan de werkelijkheid) – Zizek
- taal, regels, organisaties, …
‘tweede natuur’ wordt het voorwerp van kritische reflectie
“waarom?” “daarom!” vs. de blik van het kind
blik van het kind: creëert en vernietigd vanuit volledige vrijheid (bv zandkasteel)
volwassen denken zo niet na
2
,2) filosofie en ideologie
-filosofie wil wetenschap zijn: argumentatie, technisch vocabularium, stelling poneren
-filosofie wordt ideologie (=geheel van definitieve zekerheden die het bestaan ordenen)
3) historiciteit vd filosofie
-filosofie is historisch bepaald: vragen worden eeuw na eeuw opnieuw gesteld, antwoord verschilt
per tijdsgeest (zie verder Hegel 18de E)
MAAR interpretatie is mogelijk en evolueert mee in de geschiedenis: degene die interpreteert wordt
bepaald door zijn eigen tijdsgeest
-filosofie is kritische instantie
4) wereldbeelden
Wereldbeeld is niet bewust gekozen = bestaanshorizon, we zijn altijd ‘kind van onze tijd’
evolutie: geleidelijke/ongemerkte ontwikkelingen als reactie op specifieke problemen
DEEL 1: de lotgevallen van de filosofische rationaliteit
H1: wijsbegeerte binnen de antieke bestaanshorizon: de oudheid
1.het ontstaan van de wijsbegerige rationaliteit
6de vC - 6de E: antieke bestaanshorizon
1.1 van mythos naar logos = het griekse wonder
aanvankelijk mythos als verklaring voor grond-leggende gebeurtenis (bv Persphone)
Logos = de rede = rationeel verklaringsprincipe/uitleg (universeel, objectief, systematisch)
Mythos = de verhalen = antwoorden op allerlei vragen (door goden/halfgoden)
vb onderwereld = herfst/winter, bovenwereld = zomer /lente
mythe neemt waarheid mee en is normatief en legitimerend (niet enkel waarom dingen zijn
maar ook waarom dingen zo moeten zijn): logos zat altijd al in mythos
overgang van mythos naar logos = begin van filosofie
1ste rationalisering: mytho-logie (samen met griekse ontwikkeling van cultuur)
= tussenstadium: mythos mytho-logie logos
Cultuurshok 6de E =contact vreemde volkeren, kolonisatie en handel, zucht naar vernieuwing
nieuwe wereldbeschouwing kritiek op mythen mythos naar logos
Claude Lévi-Strauss = structuralist uit 20ste E:
‘mythe (wilde denken) is even waardevol als wetenschap (getemde denken)’
beheersing mysterieuze wereld
Griekse mythische wereldbeeld Homerus (8ste E vC) en Hesiodus (7de E vC) met ‘Theogonie’ over
ontstaan van goden en onderlinge relaties, ontstaan kosmos
doel = eenheid brengen in veelheid van onsamenhangende verhalen
logos is al doorgedrongen in griekse mythen
Godsbeeld verschilt: Xenophanes (6de - 5de E vC) ‘goden krijgen het beeld en gelijkenis van het lokaal
volk’ =antropomorfisme wil zuivering logos
-mondeling wordt schriftelijk
-desacralisering van natuur = minder heilig maken (Griekse religie = natuurgodsdienst)
goden verliezen plaats in wereld gaan naar bovennatuurlijke plaats ‘Olympos’
-verklaring van wereld niet meer bij de goden bij universaliteit van de rede
3
, Grieken: ‘weten omwille van het weten’ = theoria (theoros=reiziger: bezienswaardigeheden)
= zuiver beschouwelijke ‘theoretische’ activiteit van de wetenschapper
>< Egyptenaren/Babyloniërs: kennis door praktische toepassingen
1.2 Natuurfilosofie
Natuurfilosofen = ontstaan van een kosmologie: logos + theoria = nieuwe WE mentaliteit
Natuurfilosofie = bestuderen natuur als iets dat op zichzelf bestaat/verklaard kan worden, geen
behoefte aan externe factore/bovennatuurlijke krachten
-‘de groei’ v/d natuur = phusis: gedesacraliseerde natuur
-kosmos = rationeel geordende logos (schoonheid natuur)
-verklaringsmodel = materialistisch, zoeken naar oerbeginsel/principe:
één oerstof =monist, meerdere =pluralist
volgens Thales en Milete: oerstof=water, volgens Anaximenes: oerstof=lucht
Heraclitus – 6de E vC – natuurfilosoof: filosofie van het worden
‘het worden’ – ‘alles vloeit, niets is blijvend’
wat u ziet/voelt/… is de wkh voortdurende verandering / permanente flux (≠ pleidooi voor chaos!)
harmonie van kosmos ligt niet in neutralisatie van tegenstellingen maar, maar juist in de
spanning ertussen: “oorlog is de vader van alle dingen” eenheid van tegengestelden
= constitutief conflict: permanente zit in permanente verandering
wkh is resultaat van voortdurende verandering en voortdurende conflicten
aard vd kosmos = verandering
oerelement = vuur: tegengestelden binnen het vuur: verbrand en vernietigd, maar geeft ook warmte
en licht
Parmenides – 6de/5de E vC – natuurfilosoof: filosofie van het zijn
‘het zijnde is, het niet zijnde is niet’ >< Heraclitus
het zijnde:
- kan niet ontstaan: is er altijd geweest en zal er altijd zijn (anders zou er voor het zijnde
het niet-zijnde zijn, kan ook niet vergaan)
- ondeelbaar: het zijnde heeft geen gradaties, er is geen meer zijn dan iets anders
- onbeweeglijk en begrensd: anders zou er op een bepaalde plek het niet-zijn zijn
- volmaakt: anders zou er niet-zijnde zijn binnen het zijnde, het is klaar / af
- bolvormig: is net zoals een bol in alle richtingen gelijk (metaforisch)
leerdicht ‘over de natuur’ (1ste deel=waarheid, 2de deel=mening)
DE VRAAG: is het of is het niet? (bestaat het of bestaat het niet?)
-het is niet en het is noodzakelijk dat het niet is (wat niet bestaat kan niet gedacht worden)
-het is en het is niet
-het is en het is onmogelijk dat het niet is (alles waarover ik spreek/denk bestaat)
laatste is enige waarheid
kritiek van Aristoteles: niet natuurfilosofie maar metafysica
natuurfilosofie: veranderlijke wkh metafysica: onveranderlijke principes
1.3 Ethiek
kritiek op de mythe: samenleving in globale kosmische orde waar religieus gezag samenvalt met
politiek gezag wordt in vraag gesteld
spanning tss natuur (physis) en cultuur (nomos) uit zich in maatschappelijke veranderingen:
- ontstaan van de democratie
- verval van de bloedwraak: onderscheid tss moord en doodslag
4
filosoof periode stroming
Heraclitus 6e eeuw v.C. natuurfilosoof
Parmenides 5e eeuw v.C. natuurfilosoof
Protagoras 5e eeuw v.C. sofist, relativist
Socrates 5e eeuw v.C. realist
Plato 4e eeuw v.C. realist, systeembouwer
Aristoteles 4e eeuw v.C. realist, systeembouwer
Zeno van Citium 4e eeuw v.C. stoïcijn
Epicurus 4e eeuw v.C. epicurist
Seneca 1e eeuw n.C. stoïcijn
Epictetus 1e eeuw n.C. stoïcijn
Marcus Aurelius 2e eeuw n.C. stoïcijn
Plotinus 3e eeuw n.C. neoplatonist
Augustinus 4e eeuw n.C. realist of philosophia christiana
Thomas van Aquino 13e eeuw n.C. realist of scholasticus
Willem van Ockham 14e eeuw n.C. nominalist
Francis Bacon 16e eeuw n.C. empirist
René Descartes 17e eeuw n.C. rationalist
John Locke 17e eeuw n.C. empirist
David Hume 18e eeuw n.C. empirist, scepticist
Immanuel Kant 18e eeuw n.C. kritisch idealist
Georg W. F. Hegel 19e eeuw n.C. absoluut idealist
Karl Marx 19e eeuw n.C. historisch materialist
Friedrich Nietzsche 19e eeuw n.C. nihilist
Friedrich Schleiermacher 19e eeuw n.C. hermeneutiek
Edmund Husserl 20e eeuw n.C. fenomenoloog
Martin Heidegger 20e eeuw n.C. existentiëel fenomenoloog
Jean-Paul Sartre 20e eeuw n.C. existentialist
Jacques Derrida 20e eeuw n.C. deconstructivisme
Wittgenstein 20e eeuw n.C. analytische wijsbegeerte
Wiener Kreis (Moritz 20e eeuw n.C. neopositivist
Schlick)
Karl Popper 20e eeuw n.C. kritisch rationalist,
wetenschapsfilosoof
Thomas Kuhn 20e eeuw n.C. wetenschapsfilosoof
Michel Foucault 20e eeuw n.C. post-structuralist
Sigmund Freud 20e eeuw n.C. psychoanalyse
Jacques Lacan 20e eeuw n.C. psychoanalyse
Inhoudsopgave
6de vC - 6de E: antieke bestaanshorizon............................................................................................................ 3
1.2 Natuurfilosofie................................................................................................................................................4
1.3 Ethiek..............................................................................................................................................................4
1
,5de – 15de E: middeleeuws perspectief........................................................................................................... 12
2.1 De vroege middeleeuwen.............................................................................................................................12
2.2 de volle middeleeuwen – Herontdekking Aristoteles 13de E.........................................................................13
3. De integratie van Aristoteles..........................................................................................................................14
H3 : de crisis van de moderne tijd................................................................................................................. 17
15de – 19de E: crisis moderniteit..................................................................................................................... 17
H4: het einde vd moderniteit....................................................................................................................... 32
19de – 20ste E: einde moderniteit................................................................................................................... 32
Hedendaagse continentale wijsbegeerte...........................................................................................................33
Hedendaagse analytische wijsbegeerte (vanaf 20ste E)....................................................................................47
Caput Selectum I: wetenschapsfilosofie.............................................................................................................49
Inleiding
1) de grot van Plato
filosofie vertrekt vanuit de verwondering / betekenisverlies
filosofie heeft te maken met het moment waarop men zijn oude werkelijkheid niet meer als de
werkelijkheid beschouwd
actief en passief
voorwerp van verwondering = alles: alles heeft de mogelijkheid om in vraag gesteld te
worden
wereld is vooraf geordende structuur: men komt terecht in een symbolische orde, niet in de
realiteit (symbolische orde = secundair aan de werkelijkheid) – Zizek
- taal, regels, organisaties, …
‘tweede natuur’ wordt het voorwerp van kritische reflectie
“waarom?” “daarom!” vs. de blik van het kind
blik van het kind: creëert en vernietigd vanuit volledige vrijheid (bv zandkasteel)
volwassen denken zo niet na
2
,2) filosofie en ideologie
-filosofie wil wetenschap zijn: argumentatie, technisch vocabularium, stelling poneren
-filosofie wordt ideologie (=geheel van definitieve zekerheden die het bestaan ordenen)
3) historiciteit vd filosofie
-filosofie is historisch bepaald: vragen worden eeuw na eeuw opnieuw gesteld, antwoord verschilt
per tijdsgeest (zie verder Hegel 18de E)
MAAR interpretatie is mogelijk en evolueert mee in de geschiedenis: degene die interpreteert wordt
bepaald door zijn eigen tijdsgeest
-filosofie is kritische instantie
4) wereldbeelden
Wereldbeeld is niet bewust gekozen = bestaanshorizon, we zijn altijd ‘kind van onze tijd’
evolutie: geleidelijke/ongemerkte ontwikkelingen als reactie op specifieke problemen
DEEL 1: de lotgevallen van de filosofische rationaliteit
H1: wijsbegeerte binnen de antieke bestaanshorizon: de oudheid
1.het ontstaan van de wijsbegerige rationaliteit
6de vC - 6de E: antieke bestaanshorizon
1.1 van mythos naar logos = het griekse wonder
aanvankelijk mythos als verklaring voor grond-leggende gebeurtenis (bv Persphone)
Logos = de rede = rationeel verklaringsprincipe/uitleg (universeel, objectief, systematisch)
Mythos = de verhalen = antwoorden op allerlei vragen (door goden/halfgoden)
vb onderwereld = herfst/winter, bovenwereld = zomer /lente
mythe neemt waarheid mee en is normatief en legitimerend (niet enkel waarom dingen zijn
maar ook waarom dingen zo moeten zijn): logos zat altijd al in mythos
overgang van mythos naar logos = begin van filosofie
1ste rationalisering: mytho-logie (samen met griekse ontwikkeling van cultuur)
= tussenstadium: mythos mytho-logie logos
Cultuurshok 6de E =contact vreemde volkeren, kolonisatie en handel, zucht naar vernieuwing
nieuwe wereldbeschouwing kritiek op mythen mythos naar logos
Claude Lévi-Strauss = structuralist uit 20ste E:
‘mythe (wilde denken) is even waardevol als wetenschap (getemde denken)’
beheersing mysterieuze wereld
Griekse mythische wereldbeeld Homerus (8ste E vC) en Hesiodus (7de E vC) met ‘Theogonie’ over
ontstaan van goden en onderlinge relaties, ontstaan kosmos
doel = eenheid brengen in veelheid van onsamenhangende verhalen
logos is al doorgedrongen in griekse mythen
Godsbeeld verschilt: Xenophanes (6de - 5de E vC) ‘goden krijgen het beeld en gelijkenis van het lokaal
volk’ =antropomorfisme wil zuivering logos
-mondeling wordt schriftelijk
-desacralisering van natuur = minder heilig maken (Griekse religie = natuurgodsdienst)
goden verliezen plaats in wereld gaan naar bovennatuurlijke plaats ‘Olympos’
-verklaring van wereld niet meer bij de goden bij universaliteit van de rede
3
, Grieken: ‘weten omwille van het weten’ = theoria (theoros=reiziger: bezienswaardigeheden)
= zuiver beschouwelijke ‘theoretische’ activiteit van de wetenschapper
>< Egyptenaren/Babyloniërs: kennis door praktische toepassingen
1.2 Natuurfilosofie
Natuurfilosofen = ontstaan van een kosmologie: logos + theoria = nieuwe WE mentaliteit
Natuurfilosofie = bestuderen natuur als iets dat op zichzelf bestaat/verklaard kan worden, geen
behoefte aan externe factore/bovennatuurlijke krachten
-‘de groei’ v/d natuur = phusis: gedesacraliseerde natuur
-kosmos = rationeel geordende logos (schoonheid natuur)
-verklaringsmodel = materialistisch, zoeken naar oerbeginsel/principe:
één oerstof =monist, meerdere =pluralist
volgens Thales en Milete: oerstof=water, volgens Anaximenes: oerstof=lucht
Heraclitus – 6de E vC – natuurfilosoof: filosofie van het worden
‘het worden’ – ‘alles vloeit, niets is blijvend’
wat u ziet/voelt/… is de wkh voortdurende verandering / permanente flux (≠ pleidooi voor chaos!)
harmonie van kosmos ligt niet in neutralisatie van tegenstellingen maar, maar juist in de
spanning ertussen: “oorlog is de vader van alle dingen” eenheid van tegengestelden
= constitutief conflict: permanente zit in permanente verandering
wkh is resultaat van voortdurende verandering en voortdurende conflicten
aard vd kosmos = verandering
oerelement = vuur: tegengestelden binnen het vuur: verbrand en vernietigd, maar geeft ook warmte
en licht
Parmenides – 6de/5de E vC – natuurfilosoof: filosofie van het zijn
‘het zijnde is, het niet zijnde is niet’ >< Heraclitus
het zijnde:
- kan niet ontstaan: is er altijd geweest en zal er altijd zijn (anders zou er voor het zijnde
het niet-zijnde zijn, kan ook niet vergaan)
- ondeelbaar: het zijnde heeft geen gradaties, er is geen meer zijn dan iets anders
- onbeweeglijk en begrensd: anders zou er op een bepaalde plek het niet-zijn zijn
- volmaakt: anders zou er niet-zijnde zijn binnen het zijnde, het is klaar / af
- bolvormig: is net zoals een bol in alle richtingen gelijk (metaforisch)
leerdicht ‘over de natuur’ (1ste deel=waarheid, 2de deel=mening)
DE VRAAG: is het of is het niet? (bestaat het of bestaat het niet?)
-het is niet en het is noodzakelijk dat het niet is (wat niet bestaat kan niet gedacht worden)
-het is en het is niet
-het is en het is onmogelijk dat het niet is (alles waarover ik spreek/denk bestaat)
laatste is enige waarheid
kritiek van Aristoteles: niet natuurfilosofie maar metafysica
natuurfilosofie: veranderlijke wkh metafysica: onveranderlijke principes
1.3 Ethiek
kritiek op de mythe: samenleving in globale kosmische orde waar religieus gezag samenvalt met
politiek gezag wordt in vraag gesteld
spanning tss natuur (physis) en cultuur (nomos) uit zich in maatschappelijke veranderingen:
- ontstaan van de democratie
- verval van de bloedwraak: onderscheid tss moord en doodslag
4