Binnen management onderscheiden we drie belangrijke domeinen:
Strategisch management
o Gaat over de langetermijnrichting van een organisatie.
o Bepaalt:
welke doelen de organisatie wil bereiken;
waar ze actief wil zijn;
hoe ze zich onderscheidt van concurrenten;
welke middelen daarvoor nodig zijn.
Organisatiemanagement
o Gaat over de interne inrichting van de organisatie.
o Omvat:
structuren;
processen;
taakverdeling;
coördinatie;
samenwerking om strategische doelen te realiseren.
Cultuurmanagement
o Gaat over waarden, normen, overtuigingen en gedragingen binnen een organisatie.
o Beïnvloedt:
hoe beslissingen worden genomen;
hoe medewerkers samenwerken;
hoe veranderingen worden aanvaard.
Strategie opbouwen: vijf kernvragen
1. Wat willen we bereiken?
Gaat over de algemene ambitie van de organisatie.
Hierbij wordt bepaald:
o wat de organisatie op lange termijn wil worden;
o welke missie en visie ze nastreeft;
o welke concrete doelstellingen worden gebruikt om vooruitgang te meten.
Een strategie moet:
o ambitieus zijn;
o meetbaar zijn.
Zonder duidelijke doelstellingen is het moeilijk om te evalueren of de organisatie vooruitgang
boekt.
2. Waar gaan we actief zijn?
Gaat over de keuze van het speelveld.
Een organisatie bepaalt:
o in welke markten ze actief wil zijn;
o welke klantengroepen ze wil bedienen;
o welke producten of diensten ze aanbiedt;
o in welke geografische regio’s ze aanwezig wil zijn;
o welke activiteiten ze bewust niet zal doen.
Strategie betekent dus ook kiezen wat men niet doet.
Een organisatie kan niet overal tegelijk sterk zijn.
3. Hoe gaan we winnen?
1
, Gaat over het concurrentievoordeel.
De organisatie bepaalt hoe ze beter, anders of aantrekkelijker zal zijn dan concurrenten.
Mogelijke manieren:
o lagere kosten;
o hogere kwaliteit;
o innovatie;
o betere klantenservice.
Kernvraag:
o waarom zouden klanten voor ons kiezen en niet voor een concurrent?
4. Welke capaciteiten hebben we nodig?
Gaat over de vaardigheden, middelen en competenties die nodig zijn om de strategie waar te
maken.
Voorbeelden:
o kennis en expertise;
o technologie;
o medewerkers;
o leiderschap.
Een strategie is alleen haalbaar als de organisatie:
o over de juiste capaciteiten beschikt;
o of bereid is die op te bouwen.
5. Welke managementsystemen zijn nodig?
Gaat over systemen om de strategie uit te voeren en op te volgen.
Voorbeelden:
o planningssystemen;
o rapporteringssystemen;
o prestatie-indicatoren;
o evaluatie- en feedbackmechanismen.
Een managementsysteem zorgt ervoor dat strategie:
o niet alleen op papier bestaat;
o maar ook effectief wordt uitgevoerd.
Een functionele expert kan hierbij betrokken zijn, bijvoorbeeld uit:
o finance;
o HR;
o marketing;
o operations;
o IT.
Die expert moet wel begrijpen welke strategische keuzes eerder zijn gemaakt.
Strategie bouwen
Bij het bouwen van een strategie moet een organisatie rekening houden met haar
overkoepelende doelen.
Een goede strategie vertrekt niet vanuit losse acties.
Ze vertrekt vanuit een duidelijke samenhang tussen keuzes.
Strategie is dus een logisch geheel van keuzes.
Die keuzes moeten op elkaar afgestemd zijn.
Strategy-as-practice: praxis, practices en practitioners
Binnen strategisch management wordt strategie niet alleen gezien als een plan.
Strategie is ook iets wat mensen dagelijks doen.
2
, Dit noemt men de strategy-as-practice-benadering.
Praxis
Verwijst naar concrete strategieactiviteiten binnen een organisatie.
Het gaat over wat er effectief gebeurt wanneer strategie wordt:
o gemaakt;
o besproken;
o uitgevoerd;
o aangepast.
Voorbeelden:
o strategievergaderingen;
o workshops;
o besluitvorming;
o analyses;
o presentaties;
o evaluaties van prestaties.
Praxis bekijkt ook hoe strategie samenhangt met de context:
o organisatorische context;
o institutionele context;
o maatschappelijke context.
Strategie wordt beïnvloed door de omgeving waarin een organisatie actief is.
Voorbeelden van omgevingsfactoren:
o economische omstandigheden;
o regelgeving;
o technologische ontwikkelingen;
o concurrentie;
o maatschappelijke verwachtingen;
o politieke factoren;
o interne machtsverhoudingen.
Centrale vraag:
o hoe wordt strategie beïnvloed door de omgeving?
Practices
Zijn de methoden, instrumenten en procedures die worden gebruikt om strategie te ontwikkelen.
Voorbeelden:
o SWOT-analyse;
o PESTEL-analyse;
o concurrentieanalyse;
o businessmodellen;
o strategische planning;
o balanced scorecard;
o scenarioanalyse.
Practices zijn hulpmiddelen waarmee strategie wordt:
o voorbereid;
o gestructureerd;
o onderbouwd.
Practitioners
Zijn de mensen die betrokken zijn bij strategie.
Dit kunnen interne en externe actoren zijn, zoals:
o CEO;
o topmanagementteam;
3
, o consultants;
o medewerkers;
o raad van bestuur;
o externe adviseurs.
Strategie wordt dus niet alleen gemaakt door één persoon.
Ze ontstaat door interactie tussen verschillende actoren.
Die actoren hebben elk hun eigen:
o kennis;
o belangen;
o perspectieven.
Strategie is geen eenmalig plan
Een strategie is pas optimaal wanneer ze voortdurend wordt bijgeschaafd.
Een strategisch plan wordt geloofwaardiger wanneer het niet statisch blijft.
Het moet regelmatig worden aangepast op basis van:
o nieuwe prestatie-informatie;
o veranderingen in de omgeving;
o feedback uit de organisatie;
o marktontwikkelingen;
o technologische veranderingen;
o acties van concurrenten;
o veranderende klantbehoeften.
Strategie is dus een continu proces van:
o plannen;
o uitvoeren;
o meten;
o leren;
o bijsturen.
H1: WHAT IS STRATEGY AND WHY IS IT IMPORTANT
Het succes van een organisatie hangt af van drie grote factoren:
1. Externe omgeving
Factoren buiten de organisatie.
De organisatie heeft hier weinig directe controle over.
Ze beïnvloeden wel sterk de prestaties.
4