Evolutietheorieën
Anaximander
Vissen kwamen uit modder
Gradualisme
In Grand Canyon verschillende lagen -> lagen met de tijd opgestapeld
Met de tijd = 109 jaren = deep time
Catastrofisme
God begint opnieuw na uitroeien door bepaalde gebeurtenis -> geloven dus niet in evolutie
Lamarckisme/transformatietheorie
Wel evolutie, was fout -> nek giraf begint te groeien omdat ze dit nodig hebben
(werkelijkheid: enkel giraffen met lange nekken overleven)
-> evolutie heeft een concreet doel (werkelijkheid: puur toeval)
Punctuated equilibrium
= evolutie rust op lange perioden van stabiliteit tot er een plotse, drastische verandering is
visvangst -> vissen die vroeger kinderen krijgen overleven beter
Darwinisme
Deed tocht -> vinken op verschillende plaatsen leken op elkaar maar dus toch beetje
verschillend => moeten een gemeenschappelijke voorouder hebben gehad
Natuurlijke selectie -> descent with modification:
1. unity of life (alle leven lijken op elkaar)
2. Diversity of life (toch allemaal beetje verschillend -> meestal hand in hand met omgeving)
3. De manier waarop organismen zich hebben aangepast aan hun omgeving om te overleven
Observaties:
1. binnen een populatie is er vaak veel variatie
2. Organismes maken meer nakomelingen dan de natuur aankan
Conclusies:
1. Individuen waarvan hun erfelijke eigenschappen ervoor zorgen dat ze beter overleven in
hun omgeving en zich voort te planten, hebben de neiging meer nakomelingen achter te
laten
2. Deze ongelijke kans op overleving en zich voort te planten leidt er tot toe dat gunstige
eigenschappen zich opstapelen in populatie
1
,Dus eigenschappen moeten al in het organisme zitten (<-> Lamarck)
Variatie moet genetisch zijn, dan pas mogelijke selectie
Mechanismen die evolutie beïnvloeden:
1. Natuurlijke selectie
donkere kleur <-> lichtere kleur => betere camouflage
2. Genetische drift
donkere kleur is toevallig ‘meer populair’ geworden
3. Gene flow
andere kleur is bij de populatie gekomen waardoor allelen veranderen
Selectiemechanismen
1. directionele selectie
Evolutie niet op individu, maar op populatie
Generatie na generatie bevoordeeld dezelfde genotypes => zorgt voor fenotypische
veranderingen in een populatie = micro-evolutie
giraffennek
2. stabiliserende selectie
Bestendigt generatie na generatie de ‘gemiddelde’ kenmerktoestanden -> verlaagt
genotypische diversiteit
geboortegewicht mens is een middenmaat van alles
3. disruptieve selectie
Disruptie = variatie in de soort zelf
Bevoordeelt extreme toestanden => sterke driver van evolutie
Maakt soortvorming mogelijk binnen een populatie waarbinnen een gene flow perfect
mogelijk is -> sympatrische soortvorming
Sterk in combinatie met assortive mating
4. seksuele selectie
Interseksuele -> vrouwen aangetrokken tot mannen
Intraseksuele -> herten mannetjes vechten met elkaar
Handicap-hypothese = dingen die opvallen, het leven ‘lastiger’ maken, tonen juist aan dat je
sterk bent aangezien je kan overleven met die ‘handicap’
staart pauw
5. kunstmatige selectie
Mens houdt wat handig is, en vernietigt wat ze niet kan gebruiken (of past het aan)
Popular sire effect = enkel de mooiste overleven maar kunnen ook drager zijn van negatieve
kenmerken => inteeltdepressie = variatie (kunstmatig) verkleinen = artificiële bottleneck
2
, Veranderingen aan populaties
Bemerkingen:
1. selectie kan enkel gebeuren op bestaande variatie -> evolutie heeft geen concreet doel
2. Evolutie wordt beperkt door omstandigheden
3. Aanpassingen zijn vaak compromissen
4. Toeval, natuurlijke selectie en de omgeving interageren
Genetic drift
= random veranderingen
Bottleneck effect
Via een natuurlijk event verkleint de populatie drastisch = extinction event
Hierdoor is er een vergrote kans op inteeltdepressie als de populatie terug aan het vergroten
is
Floridapanter, noordelijke zeeolifant, eiland van de kleurenblinde mensen
Founder effect
= fysieke afscheiding door de natuur/mens
The Amish
Ontstaan van soorten
Soort = groep van natuurlijke populaties waarvan de individuen zich onderling kunnen
voortplanten en levensvatbaar, vruchtbaar nageslacht voortbrengen, maar die reproductief
geïsoleerd zijn van andere dergelijke groepen
Paard <-> ezel
Gene flow = genen uitwisseling (hoe groter populatie, hoe beter de gene flow)
Bij verschillende populaties van dezelfde soort kan een barrière opgesteld worden => die
populatie gaat genetisch beginnen verschillen van de andere populaties => een nieuwe soort
is ontstaan
Allopatrische soortvorming
= soort gescheiden door ramp => duidelijke geografische soortscheiding = barrièrevorming
Assortive mating = = paren met individuen die op jou lijken => zorgt dat gen versterkt wordt
Parapatrische soortvorming
= gedeeltelijk scheiden, leven in de buurt van elkaar
Sympatrische soortvorming
= gene flow blijft gebeuren (komt niet vaak voor) = samenlevend
3