Vraag 1: Wat beschrijft het historische proces van territorialisering in de context
van politieke macht?
A) De afnemende invloed van de staat door globalisering en Europese integratie.
B) De koppeling van politieke macht aan een specifiek geografisch grondgebied.
C) De uitbreiding van politieke invloed naar private en vrijwillige verenigingen.
D) Het proces waarbij de overheid taken overlaat aan het private initiatief.
Vraag 2: Volgens Carl Schmitt is de essentie van 'het politieke' gelegen in welk
fundamenteel onderscheid?
A) Het onderscheid tussen privaat en publiek bezit.
B) Het onderscheid tussen de staat en de burgerlijke samenleving.
C) Het onderscheid tussen vriend en vijand.
D) Het onderscheid tussen democratisch en autoritair bestuur.
Vraag 3: Wat is de visie van Chantal Mouffe op de rol van conflict binnen een vitale
democratie?
A) Conflict moet worden onderdrukt om de sociale stabiliteit te bewaren.
B) Conflict is een teken van een falend politiek systeem en moet worden vermeden.
C) Democratie verliest haar betekenis zodra de ruimte voor inhoudelijke confrontatie
verdwijnt.
D) Politieke besluitvorming moet altijd gebaseerd zijn op een volledige consensus
zonder strijd.
Vraag 4: Hoe definieert het concept 'agonisme' de relatie tussen politieke
tegenstanders?
A) Tegenstanders proberen elkaar als vijanden volledig te vernietigen.
B) Tegenstanders erkennen elkaars bestaansrecht en kanaliseren passie via
vreedzame confrontatie.
C) Tegenstanders negeren elkaars standpunten om de eigen ideologische zuiverheid te
bewaren.
D) Tegenstanders streven naar een klasseloze samenleving zonder enige vorm van
rivaliteit.
Vraag 5: Wat wordt bedoeld met de term 'affectieve polarisatie' in de hedendaagse
politiek?
A) De rationele discussie over sociaaleconomische herverdeling.
B) Een diepe emotionele afkeer en wantrouwen tegenover mensen met een andere
politieke overtuiging.
C) De ruimtelijke ordening van parlementariërs op basis van hun stemgedrag.
D) Het proces waarbij ideologieën verwateren tot vage, gedeelde kernwaarden.
Vraag 6: Waarom voldoen ideologische analyses volgens de tekst vaak niet aan de
wetenschappelijke deontologie?
A) Omdat ze werken met subjectieve criteria en interne kritiek of objectieve verificatie
missen.
2
, B) Omdat ze uitsluitend gebruikmaken van kwantitatieve methoden zonder kwalitatieve
duiding.
C) Omdat ze te veel nadruk leggen op de historische oorsprong van politieke begrippen.
D) Omdat ze geen onderscheid maken tussen het descriptieve en prescriptieve
bestanddeel.
Vraag 7: In welke specifieke ruimte vonden de termen 'links' en 'rechts' hun
oorsprong tijdens de Franse Staten-Generaal?
A) De Place de la Concorde.
B) De Salle des menus-plaisirs.
C) Het Palais-Royal.
D) De Bastille.
Vraag 8: Wat wordt bedoeld met het 'breuklijnenlandschap' dat de relevantie van
de links-rechtsindeling onder druk zet?
A) De geografische grens tussen verschillende natiestaten in Europa.
B) De toenemende complexiteit van issues waardoor partijen zich constant moeten
herpositioneren.
C) De fysieke afstand tussen de zetels van coalitiepartijen en de oppositie.
D) Het verdwijnen van ideologische verschillen door de opkomst van de 'nanny state'.
Vraag 9: Wat houdt het proces van 'ontdubbeling' van de links-rechtsas in?
A) De splitsing van de politieke as in een sociaaleconomische en een sociaalculturele
dimensie.
B) Het samenvoegen van alle politieke partijen tot twee grote machtsblokken.
C) De volledige vervanging van de materialistische as door een postmaterialistische as.
D) Het proces waarbij extreemlinks en extreemrechts inhoudelijk naar elkaar toe
groeien.
Vraag 10: Wat is het kenmerk van een 'nachtwakersstaat' binnen de liberale
traditie?
A) De overheid biedt uitgebreide sociale zekerheid van de wieg tot het graf.
B) De overheid heeft enkel de minimale taak om fysieke veiligheid en vrede te
garanderen.
C) De overheid stuurt de economie aan via vijfjarenplannen en collectief bezit.
D) De overheid bevordert positieve vrijheid door actief te interveniëren in het onderwijs.
Vraag 11: Welk principe streeft naar een sociale status gebaseerd op talent en
inzet in plaats van afkomst?
A) Subsidiariteit.
B) Egalitarisme.
C) Meritocratie.
D) Neocorporatisme.
Vraag 12: Welke politieke leiders worden in de tekst geassocieerd met de opkomst
van het neoliberalisme in de jaren '80?
A) John Stuart Mill en John Rawls.
B) Karl Marx en Saint-Simon.
3
, C) Reagan en Thatcher.
D) Benedict Anderson en Eric Hobsbawm.
Vraag 13: Hoe kijkt het conservatisme aan tegen autoriteit en sociale hiërarchie?
A) Autoriteit is een kunstmatig construct dat door een revolutie moet worden
afgebroken.
B) Sociale ongelijkheid is natuurlijk en autoriteit is essentieel voor maatschappelijke
orde.
C) Hiërarchie is enkel legitiem als deze gebaseerd is op een 'veil of ignorance'.
D) Autoriteit moet altijd volledig gedecentraliseerd worden naar het individu.
Vraag 14: Wat houdt het christendemocratische principe van 'rentmeesterschap'
in?
A) De plicht van de mens om de aarde zorgvuldig te beheren voor toekomstige
generaties.
B) Het recht van de staat om alle private eigendommen te nationaliseren.
C) De absolute macht van de vorst over zijn territorium en onderdanen.
D) De overtuiging dat economische efficiëntie het hoogste morele goed is.
Vraag 15: Welke stelling is typerend voor het 'personalisme' binnen de
christendemocratie?
A) Het individu is een volledig autonoom wezen zonder sociale verplichtingen.
B) De mens is een uniek individu dat onlosmakelijk verbonden is met de sociale
gemeenschap.
C) De staat is de enige actor die de morele koers van burgers mag bepalen.
D) Economische winst moet altijd voorrang krijgen op menselijke waardigheid.
Vraag 16: Waarvoor waarschuwde het vroege socialisme van het saint-
simonisme?
A) Dat religieuze tradities de economische vooruitgang zouden belemmeren.
B) Dat ongebreidelde concurrentie zou leiden tot rijkdomconcentratie bij een kleine
minderheid.
C) Dat de overheid te veel macht zou krijgen via de sociale zekerheid.
D) Dat de menselijke natuur te egoïstisch is voor collectieve samenwerking.
Vraag 17: Hoe onderscheidt het reformatorisch socialisme zich van de
revolutionaire variant?
A) Het streeft naar een gewelddadige omverwerping van het kapitalisme.
B) Het wijst elke vorm van overheidsbemoeienis in de economie af.
C) Het kiest voor integratie in het democratische systeem om geleidelijk hervormingen
door te voeren.
D) Het baseert zijn idealen uitsluitend op de 'geest van het volk' en nationale tradities.
Vraag 18: Wat beargumenteert Eric Hobsbawm met zijn concept van 'invented
traditions'?
A) Nationale tradities zijn altijd duizenden jaren oud en onveranderlijk.
B) Tradities worden recentelijk bedacht om nationale eenheid en continuïteit te
symboliseren.
4