Samenvatting Godsdsienst 2 augustus ’26
Samenvatting Godsdienst 2
Hoofdstuk 1: Inleiding: Het leerplan rooms –
katholieke godsdienst voor de lagere school in
Vlaanderen
(Kunnen toepassen, er wordt geen theoretische kennis gevraagd.)
Leerdoelen
1. Opbouw en intenties van het vernieuwde leerplan
Het vernieuwde leerplan vertrekt vanuit een integrale benadering. In elke godsdienstles
worden drie perspectieven met elkaar verbonden:
Context/pluraliteit: wat leeft er in de wereld en in de samenleving? Welke
verschillende levensbeschouwingen zijn aanwezig?
Christelijk geloof/traditie: wat brengt de christelijke traditie, de Bijbel, rituelen,
symbolen en geloofsfiguren aan?
Identiteit/leerling: wat betekent het thema voor het kind zelf? Welke ervaringen,
vragen en verlangens heeft het kind?
Deze drie perspectieven worden niet los van elkaar behandeld, maar gaan met elkaar in
dialoog.
De 10 intenties van het leerplan vormen hierbij het uitgangspunt. Belangrijk zijn onder
andere de integrale benadering, hermeneutisch-communicatief werken, aandacht voor de
hedendaagse context, interlevensbeschouwelijke dialoog, betekenisvolle rituelen en de rol
van de leraar.
Kort: het leerplan wil kinderen helpen groeien in hun levensbeschouwelijke ontwikkeling
door hun eigen leefwereld, de christelijke traditie en de wereld rondom hen met elkaar te
verbinden.
2. Het hermeneutisch-communicatief model
Hermeneutisch betekent: interpreteren, betekenis zoeken en vertalen.
In de godsdienstles zoeken kinderen naar betekenis in:
hun eigen ervaringen en levensvragen;
de wereld en de verschillende stemmen daarin;
de christelijke traditie.
Communicatief betekent dat dit zoeken naar betekenis gebeurt in dialoog met anderen.
Kinderen hebben verschillende overtuigingen en ervaringen. Die verschillen worden gebruikt
om met elkaar in gesprek te gaan. Een hermeneutisch knooppunt ontstaat wanneer
verschillende visies rond eenzelfde onderwerp samenkomen.
Onthouden:
Hermeneutisch = betekenis zoeken en interpreteren.
Communicatief = hierover in dialoog gaan.
3. Verband tussen lesthema en terreinen
Ina Van De Wiele 1
,Samenvatting Godsdsienst 2 augustus ’26
Een lesthema moet gekoppeld worden aan een passend terrein uit het leerplan.
De opbouw is:
Lesthema → terrein → leerplandoel → lesdoel
Per terrein zijn er zes terreindoelen. Daarnaast zijn er ingrediënten uit de drie perspectieven.
Elk doel moet gekoppeld worden aan een ingrediënt uit elk van de drie perspectieven.
Je moet dus bij het voorbereiden van een les nadenken:
Welk thema behandel ik?
Bij welk terrein past dit?
Welk leerplandoel past hierbij?
Welke ingrediënten komen vanuit de drie perspectieven?
Hoe vertaal ik dit naar concrete lesdoelen?
4. Kinderen helpen groeien als mens
Een godsdienstles heeft als doel de totale ontwikkeling van het kind te ondersteunen.
Daarom moet je niet alleen kennis aanbieden, maar verschillende soorten doelstellingen
gebruiken:
Onderdeel Betekenis
Hoofd kennis, denken, begrijpen
Hart voelen, waarderen, affectief betrokken zijn
Handen handelen, doen, gedrag
Geest spirituele en religieuze ontwikkeling
De cursus benadrukt dat godsdienstonderwijs niet alleen gericht is op kennis over
levensvragen en de christelijke visie. Kinderen moeten ook leren waarderen wat voor hen
betekenisvol is en dit eventueel vertalen naar hun handelen.
Kort: een goede lessenreeks spreekt hoofd, hart, handen en geest aan.
5. Leerplandoelen en lesdoelen
Leerplandoel
Een leerplandoel komt rechtstreeks uit het leerplan en is algemener.
Lesdoel
Een lesdoel vertrekt vanuit het leerplandoel, maar is concreet en haalbaar binnen één les.
Bijvoorbeeld:
Te vaag:
"De kinderen begrijpen dat ze elkaar moeten vergeven."
Beter:
"De kinderen verwoorden een eerste stap om iemand te vergeven."
Een goed lesdoel bevat zoveel mogelijk inhoud. Algemene doelen zoals "de kinderen kunnen
stil zijn" of "de kinderen kunnen samenwerken" zijn op zichzelf geen goede inhoudelijke
godsdienstdoelen.
Kort:
Leerplandoel = wat je volgens het leerplan wilt bereiken.
Lesdoel = hoe je dat concreet maakt voor jouw les.
6. De vier fasen van de godsdienstdidactiek
Ina Van De Wiele 2
,Samenvatting Godsdsienst 2 augustus ’26
1. Sfeerschepping
De eerste fase. Je zorgt voor een gepaste sfeer en maakt de kinderen ontvankelijk voor het
onderwerp.
2. Verkennen
Je brengt het onderwerp binnen en legt een link met de leefwereld en ervaringen van de
kinderen. Je kunt hierbij bijvoorbeeld werken met een gesprek, stelling, filmfragment of
inleefspel.
3. Verdiepen
Hier gebeurt de eigenlijke inhoudelijke uitwerking. Je brengt nieuwe elementen aan vanuit
de christelijke traditie, andere levensbeschouwingen en de context.
4. Verankeren
De leerlingen verwerken wat ze ontdekt hebben en verbinden dit met zichzelf, hun
ervaringen en hun verdere levensbeschouwelijke ontwikkeling.
De vier fasen vormen geen strikt lineair stappenplan. Het leerproces is cyclisch: soms ga je
opnieuw verkennen, soms kan verankering leiden tot verdere verdieping.
Ina Van De Wiele 3
, Samenvatting Godsdsienst 2 augustus ’26
Hoofdstuk 2 – De Bijbel: een bron om van te
leven?
1. Hoe lees je de Bijbel?
De Bijbel is geen geschiedenisboek
De Bijbel is geschreven door mensen voor mensen.
De schrijvers vertellen hun ervaringen met God.
Daarom gebruiken ze beeldtaal (de tweede taal).
De Bijbel moet figuurlijk gelezen worden en niet letterlijk.
Voorbeeld
"Ik zie jou zo graag dat ik jou zou willen opeten."
Letterlijk → kannibalisme.
Figuurlijk → heel veel van iemand houden.
2. Waarheid ≠ Juistheid
Belangrijk onderscheid
Juistheid
Historisch of wetenschappelijk correct.
Feiten.
Waarheid
De diepere betekenis van een verhaal.
Iets kan waar zijn, ook al is het niet letterlijk gebeurd.
Voorbeelden uit de cursus
Zonsondergang
Wetenschapper → legt uit hoe het ontstaat.
Dichter → beschrijft gevoelens.
Schilder → toont zijn ervaring.
→ Alle drie vertellen een stukje van de waarheid.
Boek "Als de olifanten vechten"
Verhaal is fictief.
Toch toont het de waarheid over kindsoldaten.
Toepassing op de Bijbel
Niet elk Bijbelverhaal is letterlijk gebeurd.
Toch bevatten de verhalen een diepe waarheid.
3. De Bijbel interpreteren: Sitz-im-Leben
Ina Van De Wiele 4
Samenvatting Godsdienst 2
Hoofdstuk 1: Inleiding: Het leerplan rooms –
katholieke godsdienst voor de lagere school in
Vlaanderen
(Kunnen toepassen, er wordt geen theoretische kennis gevraagd.)
Leerdoelen
1. Opbouw en intenties van het vernieuwde leerplan
Het vernieuwde leerplan vertrekt vanuit een integrale benadering. In elke godsdienstles
worden drie perspectieven met elkaar verbonden:
Context/pluraliteit: wat leeft er in de wereld en in de samenleving? Welke
verschillende levensbeschouwingen zijn aanwezig?
Christelijk geloof/traditie: wat brengt de christelijke traditie, de Bijbel, rituelen,
symbolen en geloofsfiguren aan?
Identiteit/leerling: wat betekent het thema voor het kind zelf? Welke ervaringen,
vragen en verlangens heeft het kind?
Deze drie perspectieven worden niet los van elkaar behandeld, maar gaan met elkaar in
dialoog.
De 10 intenties van het leerplan vormen hierbij het uitgangspunt. Belangrijk zijn onder
andere de integrale benadering, hermeneutisch-communicatief werken, aandacht voor de
hedendaagse context, interlevensbeschouwelijke dialoog, betekenisvolle rituelen en de rol
van de leraar.
Kort: het leerplan wil kinderen helpen groeien in hun levensbeschouwelijke ontwikkeling
door hun eigen leefwereld, de christelijke traditie en de wereld rondom hen met elkaar te
verbinden.
2. Het hermeneutisch-communicatief model
Hermeneutisch betekent: interpreteren, betekenis zoeken en vertalen.
In de godsdienstles zoeken kinderen naar betekenis in:
hun eigen ervaringen en levensvragen;
de wereld en de verschillende stemmen daarin;
de christelijke traditie.
Communicatief betekent dat dit zoeken naar betekenis gebeurt in dialoog met anderen.
Kinderen hebben verschillende overtuigingen en ervaringen. Die verschillen worden gebruikt
om met elkaar in gesprek te gaan. Een hermeneutisch knooppunt ontstaat wanneer
verschillende visies rond eenzelfde onderwerp samenkomen.
Onthouden:
Hermeneutisch = betekenis zoeken en interpreteren.
Communicatief = hierover in dialoog gaan.
3. Verband tussen lesthema en terreinen
Ina Van De Wiele 1
,Samenvatting Godsdsienst 2 augustus ’26
Een lesthema moet gekoppeld worden aan een passend terrein uit het leerplan.
De opbouw is:
Lesthema → terrein → leerplandoel → lesdoel
Per terrein zijn er zes terreindoelen. Daarnaast zijn er ingrediënten uit de drie perspectieven.
Elk doel moet gekoppeld worden aan een ingrediënt uit elk van de drie perspectieven.
Je moet dus bij het voorbereiden van een les nadenken:
Welk thema behandel ik?
Bij welk terrein past dit?
Welk leerplandoel past hierbij?
Welke ingrediënten komen vanuit de drie perspectieven?
Hoe vertaal ik dit naar concrete lesdoelen?
4. Kinderen helpen groeien als mens
Een godsdienstles heeft als doel de totale ontwikkeling van het kind te ondersteunen.
Daarom moet je niet alleen kennis aanbieden, maar verschillende soorten doelstellingen
gebruiken:
Onderdeel Betekenis
Hoofd kennis, denken, begrijpen
Hart voelen, waarderen, affectief betrokken zijn
Handen handelen, doen, gedrag
Geest spirituele en religieuze ontwikkeling
De cursus benadrukt dat godsdienstonderwijs niet alleen gericht is op kennis over
levensvragen en de christelijke visie. Kinderen moeten ook leren waarderen wat voor hen
betekenisvol is en dit eventueel vertalen naar hun handelen.
Kort: een goede lessenreeks spreekt hoofd, hart, handen en geest aan.
5. Leerplandoelen en lesdoelen
Leerplandoel
Een leerplandoel komt rechtstreeks uit het leerplan en is algemener.
Lesdoel
Een lesdoel vertrekt vanuit het leerplandoel, maar is concreet en haalbaar binnen één les.
Bijvoorbeeld:
Te vaag:
"De kinderen begrijpen dat ze elkaar moeten vergeven."
Beter:
"De kinderen verwoorden een eerste stap om iemand te vergeven."
Een goed lesdoel bevat zoveel mogelijk inhoud. Algemene doelen zoals "de kinderen kunnen
stil zijn" of "de kinderen kunnen samenwerken" zijn op zichzelf geen goede inhoudelijke
godsdienstdoelen.
Kort:
Leerplandoel = wat je volgens het leerplan wilt bereiken.
Lesdoel = hoe je dat concreet maakt voor jouw les.
6. De vier fasen van de godsdienstdidactiek
Ina Van De Wiele 2
,Samenvatting Godsdsienst 2 augustus ’26
1. Sfeerschepping
De eerste fase. Je zorgt voor een gepaste sfeer en maakt de kinderen ontvankelijk voor het
onderwerp.
2. Verkennen
Je brengt het onderwerp binnen en legt een link met de leefwereld en ervaringen van de
kinderen. Je kunt hierbij bijvoorbeeld werken met een gesprek, stelling, filmfragment of
inleefspel.
3. Verdiepen
Hier gebeurt de eigenlijke inhoudelijke uitwerking. Je brengt nieuwe elementen aan vanuit
de christelijke traditie, andere levensbeschouwingen en de context.
4. Verankeren
De leerlingen verwerken wat ze ontdekt hebben en verbinden dit met zichzelf, hun
ervaringen en hun verdere levensbeschouwelijke ontwikkeling.
De vier fasen vormen geen strikt lineair stappenplan. Het leerproces is cyclisch: soms ga je
opnieuw verkennen, soms kan verankering leiden tot verdere verdieping.
Ina Van De Wiele 3
, Samenvatting Godsdsienst 2 augustus ’26
Hoofdstuk 2 – De Bijbel: een bron om van te
leven?
1. Hoe lees je de Bijbel?
De Bijbel is geen geschiedenisboek
De Bijbel is geschreven door mensen voor mensen.
De schrijvers vertellen hun ervaringen met God.
Daarom gebruiken ze beeldtaal (de tweede taal).
De Bijbel moet figuurlijk gelezen worden en niet letterlijk.
Voorbeeld
"Ik zie jou zo graag dat ik jou zou willen opeten."
Letterlijk → kannibalisme.
Figuurlijk → heel veel van iemand houden.
2. Waarheid ≠ Juistheid
Belangrijk onderscheid
Juistheid
Historisch of wetenschappelijk correct.
Feiten.
Waarheid
De diepere betekenis van een verhaal.
Iets kan waar zijn, ook al is het niet letterlijk gebeurd.
Voorbeelden uit de cursus
Zonsondergang
Wetenschapper → legt uit hoe het ontstaat.
Dichter → beschrijft gevoelens.
Schilder → toont zijn ervaring.
→ Alle drie vertellen een stukje van de waarheid.
Boek "Als de olifanten vechten"
Verhaal is fictief.
Toch toont het de waarheid over kindsoldaten.
Toepassing op de Bijbel
Niet elk Bijbelverhaal is letterlijk gebeurd.
Toch bevatten de verhalen een diepe waarheid.
3. De Bijbel interpreteren: Sitz-im-Leben
Ina Van De Wiele 4