H2 – Voedingsaanbevelingen voor volwassenen
1. Algemeen
1.1. Aanbevelingen voor gezonde voeding
Twee niveaus
→ Niveau van de nutriënten
o Vitamines
→ Niveau van de voedingsmiddelen
o Hier moet je dieper op ingaan voor de mensen die er geen verstand van hebben over
voeding
o Dus als ze ijzer te kort hebben, dan moet je aanhalen welke producten dit bevatten om zo
meer ijzer te krijgen
ADH = aanbevolen dagelijkse hoeveelheid
1.2. Algemene probleemstelling
Hoe komen de nutriënt referentiewaarden tot stand
→ Nutriënt referentiewaarden worden vastgelegd op basis deze distributiekenmerken
→ Er is een optimale inname die voldoende is
→ Dan zijn alle lichaamsfunctie die de voedingsstof nodig hebben. Is het bediend en is het in orde
→ Een suboptimaal
→ Je inname gaat van optimaal naar sub, waardoor je reserve gaat verminderen want voor de
meeste stoffen hebben we een reserve
→ Na een tijd zijn de reserves op en dit is slecht.
→ Dan krijg je metabool effecten -> dus vermindering van het lichaam
→ Nog verder dan krijg je vermoeidheid, ziekten…
→ Inname hoger brengen dan de optimale aanbeveling dan is de kans groot dat je een toxic effect
krijgt
→ Vb. te veel vit D innemen dan kan je na een tijd sterven
→ Je kan slechte symptomen gaan krijgen
→ IJzer wordt gebruikt voor zuurstof te transporteren. Zit in onze glymoglobine
1
,Voedingsleer miv anamnese
Referentiewaarden
Gemiddelde
AI = gebruiken we als we onvoldoende info weten
UL = max inname die je nog veilig kan noemen
AMDR = macronutriënten
De term voedingsnomen is een verzamelnaam voor de volgende referentiewaarden voor energie en
voedingsstoffen
→ Gemiddelde behoefte
→ Aanbevolen hoeveelheid
→ Adequate inneming
→ Aanvaardbare bovengrens van inneming
1.3. Frequentieverdeling van de individuele behoefte aan gegeven nutriënt
→ Op de grafiek zie je sommige hebben er veel van nodig, sommige ni, en de rest zit in het midden
→ We nemen het gemiddelde en tellen daar 2 keer de standaarddeviatie bij en terug aftrekken. Dan
krijg je A en C. dan krijg je 95% aan de behoefte van die stof. Er zijn dan nog 2,5% mensen onder A
en nog eens 2,5% boven C
→ Waarom de ADH niet hoger leggen zodat die 2,5% die boven de C zitten er ook bij passen
o Omdat te veel ook ni gezond is
→ We moeten zorgen dat het niet te veel wordt maar ook niet te weinig. Vandaar de middenmoot
nemen
Extra info
→ Mensen die een lagere behoefte hebben die hebben een lagere ijzer status. Kan soms bedrieglijk
zijn in de zin van het heeft een lage status maar heeft meer de behoefte ernaar. Behoefte en
status kan dus heel verschillend zijn. Dus kan heel laag zijn maar de behoefte is er ook ni dus is
het ni erg
2
,Voedingsleer miv anamnese
→ De blauwe zone dat is de optimale range van inname vb. bij vit is het breed en bij vit A is dit veel
kleiner
→ De vetoplosbare vit blijven in het systeem zitten en stapelen zich op
1.4. Gemiddelde behoefte: average requirement = AR
→ Top Gauss-curve
o 50% van de bevolking is voorzien met deze inneming
o 50% van de bevolking is niet voorzien met deze inneming
o Aanbevolen hoeveelheid zijn steeds hoger dan de gemiddelde behoefte
1.5. Aanbevolen dagelijkse hoeveelheid = ADH
→ = gemiddelde behoefte + 2 SD (standaarddeviatie)
→ = “bevolkingsreferentie-opname” =Population Reference Intake”(PRI)
→ = Amerikaanse RDA (Recommended Dietary Allowances)
→ 97,5% van de bevolking wordt voorzien met deze aanbeveling
→ ≠ minimumniveau van opname
→ Hoger dan de individuele behoefte
→ Van toepassing voor alle nutriënten excl. aanbeveling voor energie
3
, Voedingsleer miv anamnese
Adequate inname = AI
→ Laagste niveau van inneming dat toereikend lijkt te zijn voor vrijwel de gehele populatie
→ Keuze voor AI bij onvoldoende kennis over AR of ADH
→ Zal veelal hoger zijn dan de aanbevolen hoeveelheid (wanneer men deze toch kon vaststellen)
Maximale toelaatbare inname = MTI
→ = Tolerable upper intake level (UL)
→ Het hoogste niveau van inname waarbij geen schadelijke gezondheidseffecten waargenomen of
te verwachten zijn
No observed adverse effect level = NOAEL
→ = hoogste niveau van inname waarbij geen effecten van overdosering zijn waargenomen
→ Op dit niveau zie je nog geen negatief gezondheid effect
1.6. Essentieel element
→ Bestanddeel in het menselijk lichaam dat onontbeerlijk is omdat de mens het zelf niet kan
aanmaken
→ Voldoende inname van deze essentiële elementen is belangrijk
o Bv. bepaalde poly-onverzadigde vetzuren (PUFA’s), vitaminen, sporenelementen
→ Tekort -> dysfunctionering met soms ernstige gevolgen voor de gezondheid
→ Te veel (van sommige elementen) -> schadelijk voor de gezondheid
→ Behoud van evenwichtstoestand door homeostatische mechanismen
1.7. Aanbevelingen
→ Meerdere aanbevelingen omtrent ADH, MTI en AI’s hebben betrekking op een ‘standaard’ persoon
van een bepaalde leeftijd en geslacht
→ Maar bij afwijken van de ‘standaard’ op basis van bv Body Mass Index (BMI) (bv uitgesproken
obesitas) of fysieke activiteit (PAL) (bv bij atleten)
o Aanpassingen aanbevelingen noodzakelijk
4