Inleiding
Verschillende levensfases (leeftijden)
Domeinen van ontwikkeling
o Sociaal-emotionele
o Cognitieve
o Persoonlijkheid
o Morele
o Lichamelijke, motorische, sensoriële
o Taalontwikkeling
o Spelontwikkeling
Ontwikkelingspsychologie = een tak in de psychologie die zich richt op het begrijpen van
de stabiliteit en verandering van gedrag overheen de levensloop
Baby = geboorte tot 1,5j
Peuter = 1,5j tot 3j
Kleuter = 3j tot 6j
Lagere school = 6j tot 12j
Middelbaar = 12j tot 18j
H1 – Sociaal-emotionele ontwikkeling
Alles wat te maken heeft met sociale vaardigheden
1. Baby
Heeft universele emoties
o Baby’s hebben de basis emotie direct al, deze tonen ze ook
o De moeilijkere emoties komen er pas later bij
Een reflexmatige glimlach -> sociale glimlach
o In het begin lachen ze niet naar u maar is het eerder een reflex
o Later komt pas de sociale glimlach
Social referencing
o Op zoek naar info in de omgeving (voelen wat andere voelen)
o Ze zijn nog niet helemaal ontwikkelt en hebben dus nog iemand nodig
o Ze moeten eerst bevestiging krijgen van geliefden om bij andere personen
te lachen
o Ze kijken eerst wat de geliefde voelt en dan neemt de baby het over
Vb. van social referencing
Baby’s reageren normaal bij het zien van een slang aangezien ze het nog niet
kennen
De volwassenen reageren er anders op
Later zal de baby reageren zoals de volwassene reageerde
Hechting = een duurzame affectieve band tussen 2 individuen, het jonge kind en zijn
verzorger
= een emotionele band gaan ontwikkelen
Hechtingsgedrag
o De baby stuurt signalen uit en daar reageren de ouders op
Reactie verzorger -> belang van sensitieve responsiviteit
o De reactie gaan geven wat er past bij de nood van het kind -> Vb. het kind
weent, dan moet je reageren
Hechting (op basis van ontstaan verwachtingspatroon)
1
, Ontwikkelingspsychologie
o De baby leert als er iets is met mij dan komt er iemand -> Vb. als ik ween,
dan komt er iemand
In de babyfase niet zomaar de baby laten wenen, want dan krijgen ze het gevoel
dat er niemand voor hen is
Dit kan wel op latere leeftijd
Ongerichte responsiviteit
Ze gaan in de eerste maanden nog geen hechting gaan hebben met mensen,
maakt niet uit wie
5-7 maand
Vanaf hier kan er een bepaalde voorkeur van mensen komen
De voorkeur toont zich in de reactie die er wordt uitgelokt
7-12 maand
Hier wordt de voorkeur sterker, ze worden eenkennig
Ze willen alleen bij die ene persoon zijn en niet bij de rest = vreemdenangst
De persoon waarbij ze willen zijn is er niet of is in een andere ruimte =
scheidingsangst
1-4j
Ze leren dat het oké os dat de ouders weg gaan, want ze weten dat ze
terugkomen
Ze weten dat er voor hen gezorgd zal worden
4j en ouder
Ze gaan veel minder gaan wenen
Er is een intern werkmodel = datgene wat in je hoofd zit dat zegt dat de wereld
veilig is, je bent niet alleen
1.1.Gehechtsheidspatronen
Hechtingskwaliteit – 4 categorieën
o Veilige gehechtheid
o Vermijdende gehechtheid
o Angstig ambivalente gehechtheid
o Gedesoriënteerde/gedesorganiseerde gehechtheid
Heeft een levenslange impact
1.2.Hechtingsstijlen
Veilige gehechtheid
Primaire verzorgingsfiguur = veilige haven
Separatie = tijdelijk van slag, voorkeur blijft aanwezig, het weg gaan, ze worden
gescheiden
Hereniging = actief contact zoeken, het huilen stopt snel, opnieuw exploreren,
getroost worden
2