HET PRODUCT KUNST
- kunst is onderhevig aan wetten van vraag en aanbod
- spanning tussen productie en consumptie
1) idee heeft vorm gekregen → groot aantal composities creëren vanuit dat
uitgangspunt en uit te melken (herhaling is nodig om het concept
bekendheid te geven en markt te creëren)
2) betekenis van het idee wordt tegelijk afgezwakt bij iedere nieuwe versie
- !! productie is nodig om de markt in beweging te brengen, maar overproductie
ondermijnt de uniciteit, de spanning en de vraag !!
- kunst en geld staan niet los van elkaar
- soms veel geld waard door ‘inherente waarde’ = een complex aan factoren die moielijk
te definiëren zijn
Weyerman:
- kunstgeschiedenis = kunstenaarsgeschiedenis
- naam bepaalt de waarde van de kunst
- kritiek: naamkopers begrijpen niks van kunst
KUNSTECONOMIE
- drie factoren:
o vraag of behoefte van de consument (opdrachtgevers en verzamelaars)
o markt waar handel kan plaatsvinden (handelaars)
▪ tussenhandelaars: proberen deel van de winst mee te pikken, rechtstreeks
(galeriehouders) of indirect (veilingen)
o aanbod ofwel productie (kunstenaars)
- de interactie tussen die drie groepen heeft een enorme impact gehad op de kunst door de eeuwen
heen
- markteconomische omstandigheden zijn overal anders vanwege (gilde)regels, sociale diversiteit,...
- kunst en economie pas recent in verband gebracht
o Francis Haskell (1963): één van de eersten → benadert echter maar 1 aspect, namelijk de rol
van opdrachtgevers
o John Michael Montias: gedegen analyse → marktmechanismen in de Republiek van de 17e
eeuw
PRODUCTINNOVATIE
- stemmen kunstenaars hun stijl en techniek niet bewust af op de marktprincipes om hun omzet te
verhogen? (idee van Montias)
Jan Van Goyen
- snelle, monochrome landschapjes die hij voor hoge prijzen wist te verkopen
1
, - productinnovatie: even veel verdienen voor een werk waar hij slechts
1 dag aan werkte, als kunstenaars die maanden aan een landschap
werkten
- ontwikkelde hierrond een anekdote (“wie kan snelst een landschap
schilderen”)
o hij haalde horizonlijn naar beneden (klein deel dat arbeid
vergt)
PROCESINNOVATIE
Rafael
- wil inzetten op prenten: konden gedrukt en verspreid worden over heel
Europa → Rafael vergrootte zo de impact op de kunstmarkt en wakkerde
de vraag aan
- wil de technieken van gravure niet aanleren → liet het werk over aan een
capabele graveur (vb. Marcantonio Raimondi)
Johannes Vermeer
- tegenvoorbeeld: werkte maanden in alle eenzaamheid aan één schilderij
- werken werden door één verzamelaar aangekocht en bleken niet veel waard
- pas in 19e eeuw: belangstelling voor impressionisme / la vie moderne
- Théophile Thoré-Bürger: “toonbeeld van de schildering van het dagelijkse leven”
INNOVATIES IN HANDEL EN BRANDING
- kunst is geen alledaags product
- weinig producten waarbij de merknaam (auteur) zo’n enorme invloed heeft op de prijs
- vanaf 15e-16e eeuw zijn kunstenaars zich hier van bewust
o verschil tussen de valore di fatica (ambachtelijke werk) en de valore di stima (waardering)
o vb. Fountain van Marcel Duchamps: geen productiekosten, maar hoge prijs
- Adriaen van der Werff: één van de best verkopende meesters in Europa
o noteerde heel precies de kostprijs en arbeidstijd om zo de waarde van een
schilderij te bepalen
o daar deed hij nog een flink deel bovenop ‘maar segge’
- mensen investeren kapitaal in uitgeverijen (vb. Hieronymus Cock)
o graveur om tekeningen van Bruegel om te zetten
o probleem: niemand kende Bruegel → Hieronymus Cock (wel bekend) als
inventor vermeld → voorbeeld van hoe namen gebruikt worden om
meerwaarde te creëren
- ook kunstkopers en verzamelaars spelen grote rol
o zij bepalen wat goed in de markt ligt
1. PRODUCTIE
- = alle objecten die als kunst zijn vervaardigd of worden verhandeld
- niet alles wat als kunst wordt verkocht, werd ook als kunst bedacht
o vb. Art by Telephone: telefonisch instructies doorgegeven aan curator
o productieproces wordt soms uitbesteed
- twee grote tendensen:
o productie in opdracht
2
, ▪ initiatief ligt bij de opdrachtgever
o productie on spec
▪ initiatief bij de kunstenaar: hoopt ‘op speculatie’ een koper te vinden
▪ vrijheid van de kunstenaar is veel groter, maar risico van de vrije markt (kopers goed
inschatten
▪ verhouding tussen in opdracht en on spec is in de afgelopen eeuwen radicaal
omgedraaid, met grote stilistische consequenties
2. CONSUMPTIE
- = patronage, mecenaat, verzamelen
- vaak privépersonen, of overheidsinstellingen (gilden, kerkbesturen, musea)
3. HANDEL
- kunsthandelaars, veilinghuizen, agenten, makelaars, galeriehouders,...
- twee typen kunsthandel:
o rechtstreekse tussenhandel: handelaar onderhoudt contacten tussen de kunstenaar en de
afnemers, ze zetten de kunstenaar in de markt
o onrechtstreekse kunsthandel: tweedehandsmarkt, enorm groot want product dat niet verslijt
(vb. veilingen)
- sinds 15e-16e eeuw: kunsthandel een grote impact op productie
o risicokapitaal investeren
o vraag te stimuleren en dus het type kunst op de markt bepalen
WEDIJVER TUSSEN STADSTATEN
- over banden tussen kunst en economie is in oudheid weinig bekend
o machthebbers en entourage belangrijkste afnemers
- concurrentiemechanisme: tussen verschillende stadstaten
o prestige tonen a.d.h.v. architectuur (vb. Zeusbeeld in heiligdom
Olympia) → in context van Olympische Spelen
o leidt tot een explosie van creativiteit in 5e eeuw v.C.
- kenmerken van planeconomie
o ADG en Romeinse keizers gebruikten de kunsten om zichzelf als
machthebbers te positioneren
o bijna op industriële schaal geproduceerd in eerste eeuwen van keizerrijk
o typisch: stilistische eenheid
▪ conformeren zich aan gewenste beeldtaal
▪ leidt tot ‘visuele stabiliteit’ (vb. eeuw v Pericles en eerste eeuwen van
keizerrijk)
▪ beste kunstenaars aantrekken en rijkelijk beloond
▪ niet per se negatieve bijklank: heldere paradigma’s
- klassiek Griekse kunst
o evolueert in 5e eeuw v.C.
o vele overheidsopdrachten → grotere stilistische diversiteit
o nieuwe economische mogelijkheden door vele kolonies in MZ-gebied
o aanwezigheid van vrije markt
▪ vb. beeld van Venus door Praxiteles: hij maakte twee versies en het volk van
Kos mocht eerst kiezen; zij kozen de versie met kleren, waardoor de naakte
3
, versie naar de bevolking van Knidos ging → die vinden het een shock, waardoor hij het
uitbrengt op de markt en verkoopt aan een andere stadstaat
o ‘Griekse revolutie’ = methoden en technieken ontwikkeld die millennialang het denken over
kunst zouden blijven bepalen (vaak teruggrijpen naar die magische 5 e eeuw)
▪ beschreven door Plinius in zijn Naturalis Historia
▪ statische figuren (overgenomen uit Minoïsche en Myceense culturen) krijgen een
dynamiek: driedimensionaal beeld
▪ grotere technische beheersing en beter gereedschap
▪ techniek van het bronsgieten (belegd met ivoor en bladgoud)
• veel makkelijker bewerkbaar
• “verlorenwastechniek”
▪ beschilderde marmeren beelden
o artistiek vakmanschap was een familieaangelegenheid: technieken doorgegeven van vader op
zoon
MASSAPRODUCTIE
- bloeiende handel in roofkunst
o plundering van lokale kunstschatten die door de Romeinen op de
‘kunstmarkt’ werden aangeboden
o vanaf midden 2e eeuw v.C.: ook Griekenland ten prooi aan Romeins
imperialisme
- twee periodes:
o voor het keizerrijk:
▪ Romeinse aristocratie wordt verzamelaar van Griekse
beelden en schilderingen
▪ vb. Venus Anadyomene van Apelles
o vanaf het keizerrijk
▪ kunst uit het oude Griekenland massaal geïmporteerd, gekopieerd en in Rome
uitgestald onder keizer Augustus
▪ cultuurpolitiek: beeltenissen van zichzelf verspreiden in het rijk (eenheid) & rijk
verloederd na vele burgeroorlogen dus moraal opkrikken
▪ massaal Griekse kunst kopiëren: Romeinen zelf geen creativiteit of originaliteit
• vb. triomfboog van Constantijn: spolia (=stukken structuur die hergebruikt
zijn)
• latere eeuwen wel steeds meer lokale stijlelementen
toegevoegd
▪ mogelijk dankzij voorradige grondstoffen in imperium romanum
• veel meer dan schilderkunst, sculptuur of mozaïek
• vb. gemmen/cameeën = gesneden uit edelstenen
▪ kunstenaars beschouwd als handwerkslieden (kunstwerken vaak
anoniem → slaven?) en lager op de sociale ladder dan in Griekse
wereld
• altijd minder goed dan originele Griekse kunst
▪ beeldhouwkunst tijdens de renaissance = gebaseerd op Romeinse kunst
KUNST VOOR KERK EN STAAT
- 4e-6e eeuw: WRR valt uit elkaar en Germaanse stammen worden steeds belangrijker
o sinds 285: keizerrijk administratief opgesplitst in westelijk en oostelijk deel
o 476: Odoaker veroverde de hoofdstad van het westelijke deel
4