Samenvatting BTW | Les 1 - Overzicht van de btw
Samenvatting BTW
Les 1 - Overzicht van de btw
Eddy Debruyne - 23 september 2025
LEESWIJZER / EXAMENFOCUS
Deze les legt de basismethodiek voor de volledige btw-cursus vast. De historische ontwikkeling verklaart waarom het huidige
stelsel steunt op neutraliteit, doorzichtigheid en onmiddellijke aftrek van voorbelasting. Voor het examen zijn vooral de
bronnenhiërarchie, het mechanisme van de btw, de begrippen uit artikel 1 WBTW, de voorwaarden van de vier belastbare
handelingen en het vijfdelige btw-denkpatroon van belang. De prof benadrukt uitdrukkelijk dat de vraag wie de btw moet
voldoen een belangrijk puntenonderdeel vormt. De slides en de effectief besproken inhoud vormen de leerbasis; het handboek
dient vooral om moeilijke onderdelen verder toe te lichten.
0. Kernschema van de les
- Btw is een algemene verbruiksbelasting die uiteindelijk en slechts eenmaal wordt gedragen door de eindverbruiker.
- De belasting wordt in elke fase van de productie- en distributieketen gefractioneerd geïnd. Door het recht op aftrek draagt
elke belastingplichtige economisch alleen btw af over de door hem toegevoegde waarde.
- De primaire Europese bron is Richtlijn 2006/112/EG. Daarnaast zijn de Europese uitvoeringsverordening, het WBTW,
koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, administratieve standpunten en rechtspraak relevant.
- Artikel 1 WBTW bevat een groot aantal communautaire definities. De belangrijkste in deze les zijn het geografische
toepassingsgebied, misbruik, gebouw en bijhorend terrein, belastbaar feit en opeisbaarheid, facturen en vouchers.
- De werkingssfeer van de btw omvat vier belastbare handelingen: levering van goederen, dienst, intracommunautaire
verwerving en invoer.
- Voor leveringen, diensten en intracommunautaire verwervingen is in beginsel een handeling onder bezwarende titel
vereist. Bij invoer is de hoedanigheid van de partijen niet relevant.
- Een btw-probleem wordt per handeling onderzocht aan de hand van vijf vragen: belastingplichtige, belastbare handeling,
plaats, vrijstelling en schuldenaar.
- De hoofdregel van artikel 51, §1 WBTW is dat degene die de belastbare handeling stelt de btw moet voldoen. Artikel 51, §2
WBTW en de uitvoeringsbesluiten bevatten belangrijke verleggingsregels.
ABSOLUTE EXAMENREFLEX
De analyse begint niet met het tarief. Eerst worden de feiten, partijen, goederenbewegingen en facturatiestromen vastgesteld.
Daarna wordt elke handeling afzonderlijk gekwalificeerd en worden de vijf hoofdvragen in vaste volgorde beantwoord.
1. Ontstaan van het huidige btw-stelsel
1.1. Het vroegere stelsel tot 31 december 1970
Tot en met 31 december 1970 werd gewerkt met diverse taksen uit het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen.
Bij de verkoop van goederen gold onder meer een overdrachtstaks; voor bepaalde diensten bestond een factuurtaks. Het
ging om cascadetaksen met cumulatieve werking.
Elke ondernemer verwerkte niet alleen de aankoopprijs en eigen winstmarge, maar ook de eerder betaalde taksen in zijn
verkoopprijs. De volgende schakel betaalde daardoor een nieuwe taks op een bedrag waarin al eerdere taksen waren
opgenomen. Er ontstond dus belasting op belasting.
BTW - Les 1 pag. 1
, Samenvatting BTW | Les 1 - Overzicht van de btw
VOORBEELD - CUMULATIEVE WERKING
Wanneer een product achtereenvolgens door een onderdelenfabrikant, producent, groothandel en kleinhandel werd verkocht,
werden eerdere taksen telkens opnieuw doorgerekend. In het voorbeeld uit de les bedroegen de totale taksen 1.106. Wanneer
één geïntegreerde onderneming alle tussenfasen zelf uitvoerde, bedroegen de taksen slechts 560. Het prijsverschil van 546 werd
uitsluitend veroorzaakt door de structuur van de productieketen.
1.2. Nadelen van het vroegere stelsel
1.2.1. Gebrek aan neutraliteit
Hoe meer leveringen in de productie- en distributieketen plaatsvonden, hoe hoger de totale belastingdruk. Grote
geïntegreerde ondernemingen die verschillende fasen intern uitvoerden, werden bevoordeeld tegenover kmo's die op
afzonderlijke leveranciers en tussenhandelaars waren aangewezen. Het belastingstelsel veroorzaakte daardoor
concurrentieverstoring.
1.2.2. Gebrek aan doorzichtigheid
Het was onmogelijk om exact te bepalen hoeveel taks in de prijs van een product vervat zat. De belastingdruk hing af van het
aantal voorafgaande schakels. Dit vormde vooral een probleem in het internationale handelsverkeer:
- Bij invoer werd een forfaitaire compenserende taks geheven om ingevoerde goederen ongeveer dezelfde belastingdruk te
geven als binnenlandse goederen. Landen stelden die forfaits vaak hoog vast ter bescherming van de nationale productie.
- Bij uitvoer werd een forfaitaire ontheffing toegekend om de gecumuleerde taksen uit de prijs te verwijderen. Een te hoge
ontheffing werkte als een verkapte exportsubsidie.
1.2.3. Afremming van investeringen
Investeringen werden economisch tweemaal belast. De investeerder was bij de aankoop de laatste schakel en droeg alle
gecumuleerde taksen. Vervolgens werden de investeringskosten via afschrijvingen in de verkoopprijs aan klanten
doorgerekend en opnieuw belast.
1.2.4. Voorfinanciering van voorraden
De taksen in de aankoopprijs konden pas worden gerecupereerd wanneer de voorraad werd verkocht. Hierdoor bleef
belangrijk werkkapitaal geblokkeerd. Bij diefstal, brand, beschadiging of onverkoopbaarheid ging de volledige gecumuleerde
belastingdruk definitief verloren.
2. Europese harmonisering en ontwikkeling
2.1. Verdrag van Rome en eerste richtlijnen
Het Verdrag van Rome van 1957 richtte de EEG op en beoogde een gemeenschappelijke markt met vrij verkeer en gezonde
mededinging. De uiteenlopende cumulatieve stelsels van de lidstaten waren daarmee onverenigbaar. Via Europese
richtlijnen werd daarom trapsgewijs een uniform btw-stelsel ingevoerd.
De eerste twee richtlijnen van 1967 legden de basiskenmerken van het btw-stelsel vast, maar lieten de lidstaten aanvankelijk
nog ruime autonomie, onder meer voor tarieven, vrijstellingen en bijzondere regelingen. België voerde het btw-stelsel in
met de basiswet van 3 juli 1969, die op 1 januari 1971 in werking trad. De huidige tekst van het WBTW is nog steeds op die
basiswet gebaseerd, hoewel de inhoud door latere wijzigingen grondig is veranderd.
2.2. Belangrijkste Europese ontwikkelingsfasen
Jaar Instrument Kernbetekenis
Legde strikte en grotendeels uniforme regels vast over belastingplichtige, belastbare
1977 Zesde btw-richtlijn handelingen, belastbaar feit, opeisbaarheid, plaats, maatstaf van heffing en
vrijstellingen. Vormde lange tijd de basis van het geharmoniseerde stelsel.
1979 Achtste btw-richtlijn Regelde de teruggaaf van voorbelasting aan belastingplichtigen die in een andere
lidstaat waren gevestigd. Later vervangen door de teruggaafprocedure uit de richtlijn
BTW - Les 1 pag. 2
, Samenvatting BTW | Les 1 - Overzicht van de btw
Jaar Instrument Kernbetekenis
van 12 februari 2008.
Regelt de teruggaaf van voorbelasting aan belastingplichtigen die buiten de EU zijn
1986 Dertiende btw-richtlijn
gevestigd. Deze richtlijn bestaat nog steeds, zij het met latere aanpassingen.
Richtlijn 16 december 1991 en
Schafte fiscale controles aan de binnengrenzen af en voerde vanaf 1 januari 1993 het
1991-1993 Belgische wet 28 december
overgangsstelsel voor intracommunautaire handel in.
1992
Voegde de Eerste en de Zesde richtlijn en latere wijzigingen samen, met een nieuwe
2006 Richtlijn 2006/112/EG
nummering. Dit is de centrale btw-richtlijn van het huidige stelsel.
Twee richtlijnen van 12 februari Hervormden vanaf 1 januari 2010 de plaatsbepaling van diensten en de procedure voor
2008-2010
2008 teruggaaf van in een andere lidstaat opgelopen btw.
Wijzigde vanaf 1 juli 2021 de regels voor afstandsverkopen, breidde het
2019-2021 E-commercerichtlijn
éénloketsysteem uit en voerde bijzondere regels in voor elektronische interfaces.
2.2.1. Het overgangsstelsel vanaf 1993
Sinds de afschaffing van de fiscale binnengrenzen wordt alleen nog van invoer en uitvoer gesproken bij
goederenbewegingen tussen de EU en een derde land of derdelandsgebied. Goederenbewegingen tussen lidstaten worden
behandeld als intracommunautaire handelingen.
Het overgangsstelsel was oorspronkelijk tijdelijk. De geplande definitieve regeling voor 1996 kwam niet tot stand wegens het
unanimiteitsvereiste. Daardoor bleef het overgangsstelsel gedurende vele jaren van toepassing.
Bij een klassieke B2B-goederenverkoop van België naar Nederland bestaan onder het huidige overgangsstelsel twee
handelingen:
1. een vrijgestelde intracommunautaire levering in België;
2. een belastbare intracommunautaire verwerving door de koper in Nederland.
De toekomstige definitieve regeling zou deze dubbele kwalificatie vervangen door één belaste levering in het land van
bestemming. De Belgische leverancier zou dan Nederlandse btw aanrekenen en die via een OSS-aangifte in België afdragen,
waarna de Belgische administratie de belasting aan Nederland doorstort.
2.3. Richtlijn 2006/112/EG
Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 is de voornaamste Europese btw-bron. De inhoud van de nationale btw-
wetgevingen moet met deze richtlijn overeenstemmen. De structuur van het Belgische WBTW verschilt wel van de structuur
van de richtlijn:
- Het WBTW groepeert de regels per soort handeling: levering, dienst, invoer en verwerving.
- De richtlijn behandelt eerst de belastbare handelingen en bundelt daarna onder meer de plaatsregels en de regels over
belastbaar feit en opeisbaarheid.
De richtlijn laat op bepaalde punten beperkte beleidsruimte. Het woord moeten verplicht de lidstaten tot omzetting; het
woord kunnen laat een keuze, bijvoorbeeld bij sommige vrijstellingen. Voor essentiële regels zoals de plaats van de
handeling bestaat doorgaans geen nationale beleidsvrijheid.
PRAKTIJKBELANG
Op een factuur mag voor een vrijstelling of verlegging worden verwezen naar de toepasselijke nationale bepaling of naar de
overeenkomstige bepaling uit Richtlijn 2006/112/EG. Een verwijzing naar artikel 196 van de richtlijn kan bijvoorbeeld de
Belgische verwijzing naar artikel 51, §2, 1° WBTW vervangen.
2.4. ViDA - VAT in the Digital Age
ViDA beoogt de modernisering van het Europese btw-stelsel. Het oorspronkelijke voorstel dateert van 8 december 2022; de
Raad gaf op 11 maart 2025 finaal groen licht. De maatregelen worden tussen 2028 en 2035 uitgerold en moeten nog in
nationaal recht worden omgezet.
BTW - Les 1 pag. 3
, Samenvatting BTW | Les 1 - Overzicht van de btw
De drie pijlers zijn:
1. Digitale rapportering en e-facturering
e-facturering wordt de regel;
vanaf 1 juli 2030 wordt zij verplicht voor grensoverschrijdende B2B-transacties binnen de EU;
de termijn voor uitreiking en rapportering wordt verkort tot tien werkdagen;
de intracommunautaire opgave wordt vervangen door quasi-realtime rapportering;
facturen zullen bijkomende informatie, onder meer bankgegevens, bevatten;
ook afnemers die intracommunautaire verwervingen verrichten, zullen aankoopgegevens rapporteren.
2. Platformeconomie
uitbreiding van de commissionairsfictie voor platformen die kortdurende toeristische verhuur van maximaal dertig
dagen of personenvervoer faciliteren;
de regeling is vanaf 1 juli 2028 facultatief en vanaf 1 januari 2030 verplicht.
3. Uitbreiding van het One Stop Shop-systeem
uitbreiding tot bijkomende lokale B2C-transacties door buitenlandse ondernemingen;
een nieuwe OSS-regeling voor intra-EU-overbrengingen van eigen voorraadgoederen;
afschaffing van de call-off-stockregeling vanaf 1 juli 2028, met overgang tot 30 juni 2029;
bredere verplichte verlegging voor B2B-prestaties door niet-gevestigde leveranciers vanaf 1 juli 2028.
België loopt gedeeltelijk vooruit op ViDA door vanaf 1 januari 2026 gestructureerde elektronische facturering verplicht te
maken voor bepaalde nationale B2B-transacties.
LAGE EXAMENPRIORITEIT
De prof besprak de ViDA-tijdlijn slechts oriënterend en verklaarde uitdrukkelijk dat het voorbeeld van de toekomstige OSS-
rapportering van voorraadverplaatsingen niet op het examen wordt gevraagd. De drie pijlers en de algemene
ontwikkelingsrichting volstaan.
3. Bronnen van het btw-recht
3.1. Wetgeving
Het legaliteitsbeginsel vereist een wettelijke grondslag voor de belasting. Voor btw zijn de volgende bronnen relevant:
1. Richtlijn 2006/112/EG: de centrale btw-richtlijn. Bij strijdigheid met nationaal recht primeert het Unierecht. Een
belastingplichtige kan zich onder de voorwaarden van rechtstreekse werking tegenover de overheid op een
voldoende duidelijke en onvoorwaardelijke richtlijnbepaling beroepen. De overheid kan een niet of foutief omgezette
richtlijn niet ten nadele van de belastingplichtige inroepen.
2. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011: rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat en dus niet afhankelijk van
nationale omzetting. Zij preciseert begrippen en toepassingsvoorwaarden uit de richtlijn. Zo wordt in de richtlijn
bepaald dat diensten met betrekking tot onroerende goederen worden gelokaliseerd waar het goed ligt; de
uitvoeringsverordening verduidelijkt welke diensten hieronder vallen.
3. Belgisch WBTW: basiswet van 3 juli 1969, herhaaldelijk gewijzigd.
4. Koninklijke besluiten: 59 genummerde besluiten en KB nr. 2bis met uitvoeringsregels. KB nr. 1 bevat onder meer
fundamentele facturatie- en aangifteverplichtingen; KB nr. 55 werkt de btw-eenheid uit.
5. Ministeriële besluiten: regelen verdere details. Volgens de les is vooral MB nr. 1, art. 1 praktisch relevant. Een goed
met een waarde van minstens 1.000 euro kan voor deze regels als bedrijfsmiddel kwalificeren.
VOORBEELD - RICHTLIJN EN UITVOERINGSVERORDENING
Een Belgische aannemer verricht werkzaamheden aan een Nederlands buitenverblijf van een Belgische particulier. De richtlijn
lokaliseert de dienst bij het Nederlandse onroerende goed. De uitvoeringsverordening verduidelijkt dat onder meer
aannemingswerken, verhuur, makelaarsdiensten, expertises en bepaalde ingenieursdiensten onder deze afwijkende plaatsregel
vallen.
BTW - Les 1 pag. 4
Samenvatting BTW
Les 1 - Overzicht van de btw
Eddy Debruyne - 23 september 2025
LEESWIJZER / EXAMENFOCUS
Deze les legt de basismethodiek voor de volledige btw-cursus vast. De historische ontwikkeling verklaart waarom het huidige
stelsel steunt op neutraliteit, doorzichtigheid en onmiddellijke aftrek van voorbelasting. Voor het examen zijn vooral de
bronnenhiërarchie, het mechanisme van de btw, de begrippen uit artikel 1 WBTW, de voorwaarden van de vier belastbare
handelingen en het vijfdelige btw-denkpatroon van belang. De prof benadrukt uitdrukkelijk dat de vraag wie de btw moet
voldoen een belangrijk puntenonderdeel vormt. De slides en de effectief besproken inhoud vormen de leerbasis; het handboek
dient vooral om moeilijke onderdelen verder toe te lichten.
0. Kernschema van de les
- Btw is een algemene verbruiksbelasting die uiteindelijk en slechts eenmaal wordt gedragen door de eindverbruiker.
- De belasting wordt in elke fase van de productie- en distributieketen gefractioneerd geïnd. Door het recht op aftrek draagt
elke belastingplichtige economisch alleen btw af over de door hem toegevoegde waarde.
- De primaire Europese bron is Richtlijn 2006/112/EG. Daarnaast zijn de Europese uitvoeringsverordening, het WBTW,
koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, administratieve standpunten en rechtspraak relevant.
- Artikel 1 WBTW bevat een groot aantal communautaire definities. De belangrijkste in deze les zijn het geografische
toepassingsgebied, misbruik, gebouw en bijhorend terrein, belastbaar feit en opeisbaarheid, facturen en vouchers.
- De werkingssfeer van de btw omvat vier belastbare handelingen: levering van goederen, dienst, intracommunautaire
verwerving en invoer.
- Voor leveringen, diensten en intracommunautaire verwervingen is in beginsel een handeling onder bezwarende titel
vereist. Bij invoer is de hoedanigheid van de partijen niet relevant.
- Een btw-probleem wordt per handeling onderzocht aan de hand van vijf vragen: belastingplichtige, belastbare handeling,
plaats, vrijstelling en schuldenaar.
- De hoofdregel van artikel 51, §1 WBTW is dat degene die de belastbare handeling stelt de btw moet voldoen. Artikel 51, §2
WBTW en de uitvoeringsbesluiten bevatten belangrijke verleggingsregels.
ABSOLUTE EXAMENREFLEX
De analyse begint niet met het tarief. Eerst worden de feiten, partijen, goederenbewegingen en facturatiestromen vastgesteld.
Daarna wordt elke handeling afzonderlijk gekwalificeerd en worden de vijf hoofdvragen in vaste volgorde beantwoord.
1. Ontstaan van het huidige btw-stelsel
1.1. Het vroegere stelsel tot 31 december 1970
Tot en met 31 december 1970 werd gewerkt met diverse taksen uit het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen.
Bij de verkoop van goederen gold onder meer een overdrachtstaks; voor bepaalde diensten bestond een factuurtaks. Het
ging om cascadetaksen met cumulatieve werking.
Elke ondernemer verwerkte niet alleen de aankoopprijs en eigen winstmarge, maar ook de eerder betaalde taksen in zijn
verkoopprijs. De volgende schakel betaalde daardoor een nieuwe taks op een bedrag waarin al eerdere taksen waren
opgenomen. Er ontstond dus belasting op belasting.
BTW - Les 1 pag. 1
, Samenvatting BTW | Les 1 - Overzicht van de btw
VOORBEELD - CUMULATIEVE WERKING
Wanneer een product achtereenvolgens door een onderdelenfabrikant, producent, groothandel en kleinhandel werd verkocht,
werden eerdere taksen telkens opnieuw doorgerekend. In het voorbeeld uit de les bedroegen de totale taksen 1.106. Wanneer
één geïntegreerde onderneming alle tussenfasen zelf uitvoerde, bedroegen de taksen slechts 560. Het prijsverschil van 546 werd
uitsluitend veroorzaakt door de structuur van de productieketen.
1.2. Nadelen van het vroegere stelsel
1.2.1. Gebrek aan neutraliteit
Hoe meer leveringen in de productie- en distributieketen plaatsvonden, hoe hoger de totale belastingdruk. Grote
geïntegreerde ondernemingen die verschillende fasen intern uitvoerden, werden bevoordeeld tegenover kmo's die op
afzonderlijke leveranciers en tussenhandelaars waren aangewezen. Het belastingstelsel veroorzaakte daardoor
concurrentieverstoring.
1.2.2. Gebrek aan doorzichtigheid
Het was onmogelijk om exact te bepalen hoeveel taks in de prijs van een product vervat zat. De belastingdruk hing af van het
aantal voorafgaande schakels. Dit vormde vooral een probleem in het internationale handelsverkeer:
- Bij invoer werd een forfaitaire compenserende taks geheven om ingevoerde goederen ongeveer dezelfde belastingdruk te
geven als binnenlandse goederen. Landen stelden die forfaits vaak hoog vast ter bescherming van de nationale productie.
- Bij uitvoer werd een forfaitaire ontheffing toegekend om de gecumuleerde taksen uit de prijs te verwijderen. Een te hoge
ontheffing werkte als een verkapte exportsubsidie.
1.2.3. Afremming van investeringen
Investeringen werden economisch tweemaal belast. De investeerder was bij de aankoop de laatste schakel en droeg alle
gecumuleerde taksen. Vervolgens werden de investeringskosten via afschrijvingen in de verkoopprijs aan klanten
doorgerekend en opnieuw belast.
1.2.4. Voorfinanciering van voorraden
De taksen in de aankoopprijs konden pas worden gerecupereerd wanneer de voorraad werd verkocht. Hierdoor bleef
belangrijk werkkapitaal geblokkeerd. Bij diefstal, brand, beschadiging of onverkoopbaarheid ging de volledige gecumuleerde
belastingdruk definitief verloren.
2. Europese harmonisering en ontwikkeling
2.1. Verdrag van Rome en eerste richtlijnen
Het Verdrag van Rome van 1957 richtte de EEG op en beoogde een gemeenschappelijke markt met vrij verkeer en gezonde
mededinging. De uiteenlopende cumulatieve stelsels van de lidstaten waren daarmee onverenigbaar. Via Europese
richtlijnen werd daarom trapsgewijs een uniform btw-stelsel ingevoerd.
De eerste twee richtlijnen van 1967 legden de basiskenmerken van het btw-stelsel vast, maar lieten de lidstaten aanvankelijk
nog ruime autonomie, onder meer voor tarieven, vrijstellingen en bijzondere regelingen. België voerde het btw-stelsel in
met de basiswet van 3 juli 1969, die op 1 januari 1971 in werking trad. De huidige tekst van het WBTW is nog steeds op die
basiswet gebaseerd, hoewel de inhoud door latere wijzigingen grondig is veranderd.
2.2. Belangrijkste Europese ontwikkelingsfasen
Jaar Instrument Kernbetekenis
Legde strikte en grotendeels uniforme regels vast over belastingplichtige, belastbare
1977 Zesde btw-richtlijn handelingen, belastbaar feit, opeisbaarheid, plaats, maatstaf van heffing en
vrijstellingen. Vormde lange tijd de basis van het geharmoniseerde stelsel.
1979 Achtste btw-richtlijn Regelde de teruggaaf van voorbelasting aan belastingplichtigen die in een andere
lidstaat waren gevestigd. Later vervangen door de teruggaafprocedure uit de richtlijn
BTW - Les 1 pag. 2
, Samenvatting BTW | Les 1 - Overzicht van de btw
Jaar Instrument Kernbetekenis
van 12 februari 2008.
Regelt de teruggaaf van voorbelasting aan belastingplichtigen die buiten de EU zijn
1986 Dertiende btw-richtlijn
gevestigd. Deze richtlijn bestaat nog steeds, zij het met latere aanpassingen.
Richtlijn 16 december 1991 en
Schafte fiscale controles aan de binnengrenzen af en voerde vanaf 1 januari 1993 het
1991-1993 Belgische wet 28 december
overgangsstelsel voor intracommunautaire handel in.
1992
Voegde de Eerste en de Zesde richtlijn en latere wijzigingen samen, met een nieuwe
2006 Richtlijn 2006/112/EG
nummering. Dit is de centrale btw-richtlijn van het huidige stelsel.
Twee richtlijnen van 12 februari Hervormden vanaf 1 januari 2010 de plaatsbepaling van diensten en de procedure voor
2008-2010
2008 teruggaaf van in een andere lidstaat opgelopen btw.
Wijzigde vanaf 1 juli 2021 de regels voor afstandsverkopen, breidde het
2019-2021 E-commercerichtlijn
éénloketsysteem uit en voerde bijzondere regels in voor elektronische interfaces.
2.2.1. Het overgangsstelsel vanaf 1993
Sinds de afschaffing van de fiscale binnengrenzen wordt alleen nog van invoer en uitvoer gesproken bij
goederenbewegingen tussen de EU en een derde land of derdelandsgebied. Goederenbewegingen tussen lidstaten worden
behandeld als intracommunautaire handelingen.
Het overgangsstelsel was oorspronkelijk tijdelijk. De geplande definitieve regeling voor 1996 kwam niet tot stand wegens het
unanimiteitsvereiste. Daardoor bleef het overgangsstelsel gedurende vele jaren van toepassing.
Bij een klassieke B2B-goederenverkoop van België naar Nederland bestaan onder het huidige overgangsstelsel twee
handelingen:
1. een vrijgestelde intracommunautaire levering in België;
2. een belastbare intracommunautaire verwerving door de koper in Nederland.
De toekomstige definitieve regeling zou deze dubbele kwalificatie vervangen door één belaste levering in het land van
bestemming. De Belgische leverancier zou dan Nederlandse btw aanrekenen en die via een OSS-aangifte in België afdragen,
waarna de Belgische administratie de belasting aan Nederland doorstort.
2.3. Richtlijn 2006/112/EG
Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 is de voornaamste Europese btw-bron. De inhoud van de nationale btw-
wetgevingen moet met deze richtlijn overeenstemmen. De structuur van het Belgische WBTW verschilt wel van de structuur
van de richtlijn:
- Het WBTW groepeert de regels per soort handeling: levering, dienst, invoer en verwerving.
- De richtlijn behandelt eerst de belastbare handelingen en bundelt daarna onder meer de plaatsregels en de regels over
belastbaar feit en opeisbaarheid.
De richtlijn laat op bepaalde punten beperkte beleidsruimte. Het woord moeten verplicht de lidstaten tot omzetting; het
woord kunnen laat een keuze, bijvoorbeeld bij sommige vrijstellingen. Voor essentiële regels zoals de plaats van de
handeling bestaat doorgaans geen nationale beleidsvrijheid.
PRAKTIJKBELANG
Op een factuur mag voor een vrijstelling of verlegging worden verwezen naar de toepasselijke nationale bepaling of naar de
overeenkomstige bepaling uit Richtlijn 2006/112/EG. Een verwijzing naar artikel 196 van de richtlijn kan bijvoorbeeld de
Belgische verwijzing naar artikel 51, §2, 1° WBTW vervangen.
2.4. ViDA - VAT in the Digital Age
ViDA beoogt de modernisering van het Europese btw-stelsel. Het oorspronkelijke voorstel dateert van 8 december 2022; de
Raad gaf op 11 maart 2025 finaal groen licht. De maatregelen worden tussen 2028 en 2035 uitgerold en moeten nog in
nationaal recht worden omgezet.
BTW - Les 1 pag. 3
, Samenvatting BTW | Les 1 - Overzicht van de btw
De drie pijlers zijn:
1. Digitale rapportering en e-facturering
e-facturering wordt de regel;
vanaf 1 juli 2030 wordt zij verplicht voor grensoverschrijdende B2B-transacties binnen de EU;
de termijn voor uitreiking en rapportering wordt verkort tot tien werkdagen;
de intracommunautaire opgave wordt vervangen door quasi-realtime rapportering;
facturen zullen bijkomende informatie, onder meer bankgegevens, bevatten;
ook afnemers die intracommunautaire verwervingen verrichten, zullen aankoopgegevens rapporteren.
2. Platformeconomie
uitbreiding van de commissionairsfictie voor platformen die kortdurende toeristische verhuur van maximaal dertig
dagen of personenvervoer faciliteren;
de regeling is vanaf 1 juli 2028 facultatief en vanaf 1 januari 2030 verplicht.
3. Uitbreiding van het One Stop Shop-systeem
uitbreiding tot bijkomende lokale B2C-transacties door buitenlandse ondernemingen;
een nieuwe OSS-regeling voor intra-EU-overbrengingen van eigen voorraadgoederen;
afschaffing van de call-off-stockregeling vanaf 1 juli 2028, met overgang tot 30 juni 2029;
bredere verplichte verlegging voor B2B-prestaties door niet-gevestigde leveranciers vanaf 1 juli 2028.
België loopt gedeeltelijk vooruit op ViDA door vanaf 1 januari 2026 gestructureerde elektronische facturering verplicht te
maken voor bepaalde nationale B2B-transacties.
LAGE EXAMENPRIORITEIT
De prof besprak de ViDA-tijdlijn slechts oriënterend en verklaarde uitdrukkelijk dat het voorbeeld van de toekomstige OSS-
rapportering van voorraadverplaatsingen niet op het examen wordt gevraagd. De drie pijlers en de algemene
ontwikkelingsrichting volstaan.
3. Bronnen van het btw-recht
3.1. Wetgeving
Het legaliteitsbeginsel vereist een wettelijke grondslag voor de belasting. Voor btw zijn de volgende bronnen relevant:
1. Richtlijn 2006/112/EG: de centrale btw-richtlijn. Bij strijdigheid met nationaal recht primeert het Unierecht. Een
belastingplichtige kan zich onder de voorwaarden van rechtstreekse werking tegenover de overheid op een
voldoende duidelijke en onvoorwaardelijke richtlijnbepaling beroepen. De overheid kan een niet of foutief omgezette
richtlijn niet ten nadele van de belastingplichtige inroepen.
2. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011: rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat en dus niet afhankelijk van
nationale omzetting. Zij preciseert begrippen en toepassingsvoorwaarden uit de richtlijn. Zo wordt in de richtlijn
bepaald dat diensten met betrekking tot onroerende goederen worden gelokaliseerd waar het goed ligt; de
uitvoeringsverordening verduidelijkt welke diensten hieronder vallen.
3. Belgisch WBTW: basiswet van 3 juli 1969, herhaaldelijk gewijzigd.
4. Koninklijke besluiten: 59 genummerde besluiten en KB nr. 2bis met uitvoeringsregels. KB nr. 1 bevat onder meer
fundamentele facturatie- en aangifteverplichtingen; KB nr. 55 werkt de btw-eenheid uit.
5. Ministeriële besluiten: regelen verdere details. Volgens de les is vooral MB nr. 1, art. 1 praktisch relevant. Een goed
met een waarde van minstens 1.000 euro kan voor deze regels als bedrijfsmiddel kwalificeren.
VOORBEELD - RICHTLIJN EN UITVOERINGSVERORDENING
Een Belgische aannemer verricht werkzaamheden aan een Nederlands buitenverblijf van een Belgische particulier. De richtlijn
lokaliseert de dienst bij het Nederlandse onroerende goed. De uitvoeringsverordening verduidelijkt dat onder meer
aannemingswerken, verhuur, makelaarsdiensten, expertises en bepaalde ingenieursdiensten onder deze afwijkende plaatsregel
vallen.
BTW - Les 1 pag. 4