H1: INLEIDING
1.1 Weefselcoupe
Weefselpreparaten = weefselcoupes
- Vriescoupes - Paraffinecoupes
1. OK 1. Staalname (arts, chirurg, autopsie)
2. Orgaanweefsel bevriezen (N2) 2. Fixatie (formaline stopt het metabolisme
van de cellen)
3. Orgaanweefsel snijden (-20°C) 3. Insluiten in een weefselcassette
4. Weefselpreparaat kleuren 4. Inbedden in paraffine (–> lichaamsvocht
stolt)
5. Weefselpreparaat analyseren 5. Uitbedden in paraffineblokje
6. Terugkoppeling OK 6. Snijden met microtome en op glaasje laten
vastdrogen (licht)
7. Cellen en structuren kleuren met H&E-kleuring
8. Microscopie of digitaal inscannen en bekijken
1.2 H&E-kleuring
H = Hematoxyline
- Paarse basische kleurstof
- Bindt aan (negatief geladen) zure = basofiele componenten
- Kleurt vooral de kern (DNA), maar ook delen van het cytoplasma (RNA)
E = Erythrosine/eosine
- Rode zure kleurstof
- Bindt aan (positief geladen) basische = eosinofiele componenten
- Kleurt vooral cytoplasmatische componenten (mitochondriën, cytoskelet, eiwitten)
1.3 Valkuilen bij microscopie
3D weefsel –> 2D beeld
Buisvormige structuren:
1. Normale dwarse doorsnede
2. Schuine dwarse doorsnede: cirkel –> ovaal
3. Doorsnede doorheen de wand: geen lumen
4. Lijkt een dwarse doorsnede, maar is het niet
5. Lijkt andere, maar is dezelfde buis
6. Overlangse = longitudinale doorsnede
7. Overlangse doorsnede doorheen de wand
Artefacten (fout in proces van weefselpreparaten –> beeld komt niet overeen met werkelijke structuur)
- Fixatie-artefact: te lange/korte fixatie –> slechte kleuring –> krimping/uitzetting
- Snij-artefact: weefsel scheurt –> ruimte tussen –> vreemde kleur, slecht zicht
- Kleur-artefact: naarslag van kleurstof (donkere vlek), luchtbel, uitdroging (slecht dekglaasje)
1
,H2: EPITHEELWEEFSEL
2.1 Dekepitheel
2.1.1 Opbouw van dekepitheel *Intercellulair: verbinding tussen 2 of meer
Dekepitheelcellen: dicht tegen elkaar cellen
- 1 of meer lagen Extracellulaire ruimte: ruimte tussen cellen
- Verbonden door types intercellulaire* verbindingen Intracellulair: binnen de cel
- Avasculair en aneuraal: geen ruimte tussen cellen, geen bloedvaten en zenuwen
2.1.2 Voorkomen van dekepitheel
Huid van lichaam
Binnenzijde mondholte en tong
Spijsverteringskanaal van mondholte t.e.m. anus
Luchtwegen van mond- en neusholte t.e.m. longsblaasjes
Bloedvatwand en lymfevatwand tegen lumen
Alle buissystemen van secretie-organen (urineleider, zaadleider, speekselbuizen, spijsverteringsbuis van
alvleesklier, galwegen)
2.1.3 Functies van dekepitheel
Beschermingsfunctie (voorkomt beschadiging van onderliggend weefsel)
- Tegen schadelijke chemische stoffen
Slijmnapcellen van de maag (maagzuur geneutraliseerd door basisch slijm)
Paraplucellen van de urineblaas (rekken uit bij uitzetting van de blaas zodat alles steeds bedekt is)
- Tegen fysieke schade
Hoornlaag van de huid (keratinelaag, beschermd onderliggende cellen tegen water, bacteriën, …)
Slijmbekercellen van de dunne darm (produceren slijm zodat voedselbrok makkelijk kan bewegen
zonder dat microvilli kapot gaan)
Uitwisselingsfunctie (naar onderliggend weefsel)
- Opname van voedingsstoffen
Enterocyten van dunne darm met microvilli (oppervlaktevergroting –> efficiëntere opname)
- Resorptie van vocht
Stereocilia van de bijbal (extra lange microvillie die vocht resorberen –> verhoging concentratie
spermatozoa)
- Uitwisseling van ionen
Epitheel van gestreepte speekselafvoerbuisjes (nemen Na+ en Cl- uit lumen en secreteren K+ en
HCO3-, maken speeksel hypotoon)
- Trascytose (endocytose + exocytose)
Enterocyten (M-cellen) in spijsverteringsstelsel (sluizen immuuncellen doorheen het epitheel van en
naar het lumen)
Kinetische functie (aanmaak en beweging van slijmlaag)
- Transportbandfunctie
Epitheel met trilharen (trilhaarcel) en slijm secreterende cellen (slijmbekercel) in grote luchtwegen
en eileider (trilhaarcellen maken slaande beweging waardoor slijm met partikels naar boven
beweegt)
Sensorische functie (mechanoreceptoren)
- Stereocilia van het binnenoor
- Merkelcellen van de huid
Merkelcellen (reageren op landurige druk en lichte aanraking, geven info over textuur eb druk door
aan de hersenen)
2.1.4 Oorsprong van dekepitheel
Embryologie
2
, Endoderm = binnenste kiemblad
- Alles tussen mond en anus (ademhalingsstelsel en spijsverteringsstelsel)
Mesoderm = middelste kiemblad
- Bloed, bloedvaten (endotheel), alle bindweefsel en spierweefsel en
lichaamsholten (hart, buik (mesotheel), urogenitaalstelsel)
Ectoderm = buitenste kiemblad
- Epidermis van huid, haar, nagels, tanden, uiterlijke geslachtsdelen, zenuwweefsel en zintuigen
2.1.5 Opbouw van dekepitheelcellen
Celmembraan:
- Basale zijde
Basale membraan: dun laagje onder epitheelcellen, lamina basalis + lamina
reticularis, verbonden aan onderliggend bindweefsel (mechanische barrière),
ondersteuning
Hemidesmosoom: structuren waarmee basale epitheelcellen vastzitten aan
BM, kunnen macromolecule verhinderen, kunnen groeifactoren binden
(celdeling en rijping)
- (baso-)Laterale zijde – intercellulaire verbindingen
Thight junction (= occludens verbinding, zonula occludens): afsluiten
intercellulaire ruimte
Adherens junction (adherens verbinding): zonule adherens (actinefilamenten)
= bandvormig en macula adherens (= desmosoom, keratinefilamenten) =
puntvormig –> ertussen zit Cadherine
Gap junction (= nexus verbinding): uitwisseling stoffen tussen cellen
- Apicale zijde – celoppervlaktespecialisatie
Opname: microvilli, stereocilia
Secretie: slijmnapcel, slijmbekercel (kliercellen in het epitheel –> lumen)
Transport: trilharen + slijmbekercellen
Kern en polariteit van de cel
- Kern in het midden: geen secretie, geen celoppervlaktespecialisaties = niet-gepolariseerde cel
- Basale kern: cel maakt product en secreteert (kern ligt niet in de weg) = gepolariseerde cel
(slijmnapcellen van de maag)
Cytoplasma
- Normaal cytoplasma (zonder productie secreet of zonder transcytose)
- Cytoplasma van secreterende cel
- Cytoplasma van cel die ionentransport of transcytose toelaat
2.1.6 Vernieuwing van dekepitheel
Eélagige epithelen: sneller in vernieuwing
- Maag en darm: 2-5 dagen
- Luchtwegen: 10 weken
Meerlagige epithelen: basale kiemlaag maakt dochtercellen en duwt die naar boven, deze sterven in de
bovenste laag af
- Huid: 5 weken
2.1.7 Classificatie van dekepitheel
Eénlagig dekepitheel:
- Eénlagig plaveiselvormig dekepitheel
Endotheel van bloedvat, lus van Henle in de nier, Alveoli van de longen (= longsblaasjes)
Water- en gasdoorlaatbaar, gefenestreerd, osmose of diffusie mogelijk (afhankelijk van vlies), bij
snelle stroom geen uitwisseling mogelijk
- Eénlagig kubisch epitheel
Schakelstukken van klieren, Proximale en distale tubulus van de nieren, Terminale bronchioli in de
longen, Schildklier
Ionen-transportfunctie, produceren niks, stoffen uitgewisseld
- Eénlagig cilindrisch epitheel
3
, Epitheel van de maag met slijmnapcellen, van de dunne darm met enterocyten en slijmbekercellen,
van de eileider met trilhaarcellen en secretoire cellen
Bevat cellen die ook product maken en secreteren, omliggende structuren ook cilindrisch
- Pseudomeerlagig of meerrijig dekepitheel
Epitheel van de trachea met cilindrische trilhaarcellen en slijmbekercellen, van de bronchus met
cilindrische trilhaarcellen en slijmbekercellen
Transportbandfuntie, kernen op verschillende hoogtes, cellen rond as gedraaid –> meerlagig
uiterlijk
Meerlagig dekepitheel
- Meerlagig plaveiselvormig dekepitheel
Niet verhoornd meerlagig plaveiselvormig dekepitheel
Epitheel van de slokdarm, mond, vagina, anaal kanaal
Op plaatsen dicht tegen buitenzijde van het lichaam, sterk en stevig, niet alle lagen
plaveiselvormig
Verhoornd meerlagig plaveiselvormig dekepitheel
Epitheel van de huid
Behaard of niet behaard, afgestorven cellen met keratine (bescherming)
1. Stratum germinativum (= stratum basale, kiemcellaag): 1 rij kubische stamcellen
2. Stratum spinosum (= stekelcellaag): meer rijen veelhoekig, keratinocyten (maken keratine)
3. Stratum granulosum (= korrelcellaag): 1 of meer rijen plaveiselvormig, keratohyaliene
korrels met pro-filggrine (komt vrij bij sterven –> filaggrine bind aan keratine)
4. Stratum lucidum: laag paveiselvormige cellen die afsterven, keratine blijft over en bind aan
filaggrine
5. Stratum corneum (= hoornlaag): dode laag met keratine, bescherming
- Meerlagig kubisch epitheel
Afvoerbuis van de zweetklieren in de huid
2-lagig, donker (weinig cytoplasma)
- Meerlagig cilindrisch epitheel
Grote afvoerbuis van de oorspeekselklier, bindvlies oog, urethra, grotere klierbuizen
2-lagig, apicale laag is cilindrisch, basale laag is kubisch
- Overgangsepitheel of urotheel
Urotheel van de blaas
1. Basale kiemcellaag: kubisch, donker, vormt dochtercellen
2. Intermediaire laag: meer lagen, hoekig
3. Paraplucellaag: soms meerdere kernen, convex of plaveiselvormig, rekken uit bij volle blaas
2.2 Klierepitheel
2.2.1 Vorming van klierepitheel
Klierepitheel ontstaat uit dekepitheel
- Connectie met origineel lumen blijft bewaard –> secreet in lumen = exocriene klier
- Verbinding doorbroken –> secreet in bloedvaten = endocriene klier
2.2.2 Classificatie van klierepitheel
Eéncellig klierepitheel
- Merocriene muceuze klieren (dunne darm en trachea)
Geïsoleerd tussen dekepitheelcellen, meesten slijmsecreterend (zie eerder)
Club-cells: in terminale brochioli, produceren eiwitten
Alle niet neuro-endocriene ééncellige kliercellen
- DNES = Diffuus Neuro-Endocrien Systeem (G-cel in de maag)
Verschillende soorten in lichaam, geïsoleerd tussen dekepitheelcellen of klierepitheelcellen
(spijsverteringsstelsel), secretie langs basale zijde naar bloedvat (endocrien), kern apicaal
Zymogeencellen die pepsinogeen produceren en pariëtale cellen die zure HCl produceren (door
gastrine)
Secreet via bloed naar andere cellen (signaalfunctie), kan na neuronale impuls afgeremd worden
Paracriene DNES-cel: secreet invloed op cellen in de buurt (niet via bloedbaan)
Autocriene DNES-cel: stimuleert of inhibeert eigen cel
Neurocriene DNES-cel: secreet invloed op zenuwstelsel
‘chromaffiene cellen’ want aangekleurd met chroom
‘argentafiele cellen’ want soms aangekleurd met zilver
4