Volledige examensamenvatting
Deel 1: Microeconomie · Deel 2: Macro-economie
Universiteit Antwerpen — TEW / Handelsingenieur
Opgebouwd rond alle examenonderwerpen, met definities, formules, uitgewerkte voorbeelden en examentips.
,Inhoud
DEEL 1 — MICROECONOMIE
1. Basisbegrippen van de economie
2. Schaarste, keuze en de productiemogelijkhedencurve
3. Vraag, aanbod en marktevenwicht
4. Elasticiteiten
5. Consumententheorie: nutsmaximalisatie
6. Productietheorie
7. Kostentheorie
8. Zuivere mededinging
9. Monopolie en marktmacht
10. Overheidsingrijpen: indirecte belastingen
11. Marktfalen: externe effecten, publieke goederen en informatie
12. Marktvormen, prijsregulering en oligopolie
DEEL 2 — MACRO-ECONOMIE
13. Het bbp en de nationale rekeningen
14. Prijsindexen, inflatie en reëel bbp
15. Inkomensverdeling en ongelijkheid
16. De arbeidsmarkt
17. De goederenmarkt en de multiplicator
18. Verdieping goederenmarkt: Keynesiaans model
19. Geld en de geldmarkt
20. Het IS-LM model
21. Het AV-AA model
22. Budgettaire politiek
23. Groeitheorie: het Solow-model
24. Verdieping: monetair beleid, AV-afleiding, Solow en conjunctuur
25. Inflatie, kwantiteitstheorie, Phillips-curve en open economie
26. Formularium: alle kernformules op een rij
, 1. Basisbegrippen van de economie
1.1 Wat bestudeert de economie?
DEFINITIE — Economie
De wetenschap die bestudeert hoe individuen, bedrijven en overheden schaarse middelen met alternatieve
aanwendingsmogelijkheden inzetten om in hun (in principe onbeperkte) behoeften te voorzien.
Het kernprobleem is schaarste: middelen (arbeid, kapitaal, natuur, tijd) zijn beperkt, terwijl behoeften onbeperkt
zijn. Elke keuze impliceert daardoor een opoffering: wat je met een middel doet, kan je er niet nog eens mee
doen.
DEFINITIE — Opportuniteitskost
De waarde van het best mogelijke alternatief dat je opgeeft wanneer je een keuze maakt. Economische
beslissingen worden steeds afgewogen tegen deze opportuniteitskost, niet enkel tegen de uitgave in geld.
Micro-economie bestudeert het gedrag van individuele beslissingseenheden (consumenten, bedrijven, één
markt); macro-economie bestudeert de economie als geheel (bbp, inflatie, werkloosheid, groei).
1.2 Positieve versus normatieve uitspraken
Type uitspraak Kenmerk Voorbeeld
Positief Beschrijft/verklaart wat IS; “Een accijnsverhoging op frisdrank
objectief toetsbaar aan feiten doet de verkochte hoeveelheid
dalen.”
Normatief Zegt wat ZOU MOETEN zijn; bevat “De overheid zou de accijnzen op
een waardeoordeel frisdrank moeten verhogen.”
EXAMENTIP
Let op signaalwoorden: 'zou moeten', 'is wenselijk', 'is rechtvaardig' wijzen op een normatieve uitspraak. Een
positieve uitspraak kan fout zijn en toch positief blijven — het onderscheid gaat over de AARD van de uitspraak,
niet over de juistheid ervan.
1.3 Inductie versus deductie
• Inductie: uit een reeks herhaalde, specifieke waarnemingen een algemene wetmatigheid afleiden (van
specifiek naar algemeen). Bv. na honderd waarnemingen van dalende verkoop bij prijsstijgingen de 'wet van
de vraag' formuleren.
• Deductie: uit een algemene theorie of premissen een specifieke voorspelling afleiden (van algemeen naar
specifiek). Bv. uit de wet van de vraag voorspellen dat een concrete prijsstijging de gevraagde hoeveelheid zal
doen dalen.
Economen combineren beide: modellen worden deductief opgebouwd vanuit assumpties (bv. rationele actoren,
ceteris paribus) en inductief getoetst aan data.
DEFINITIE — Ceteris paribus
“Al het overige gelijk blijvend”: bij de analyse van het effect van één variabele worden alle andere variabelen
constant verondersteld. Vrijwel elke economische wetmatigheid geldt slechts ceteris paribus.
1.4 Economische systemen
Systeem Wie beslist? Coördinatiemechanisme
Markteconomie Individuele consumenten en Prijsmechanisme (vraag en
producenten aanbod)
Planeconomie (centraal geleide Centrale planningsautoriteit Centraal plan met productiequota
economie) (overheid)
Gemengde economie Markt + overheid samen Prijsmechanisme, gecorrigeerd
door overheidsingrijpen