Deel 1:
Leg uit wat het ‘integration-responsiveness framework’ (Bartlett/Ghoshal) inhoudt en bespreek de
vier basisstrategieën die eruit volgen.
Modelantwoord: Het framework plaatst internationale strategieën op twee assen: de druk tot
globale integratie/kostenefficiëntie en de druk tot lokale responsiviteit (aanpassing aan lokale
markten). Daaruit volgen vier strategieën: (1) international strategy — lage druk op beide assen:
kerncompetenties vanuit de thuismarkt overbrengen met weinig aanpassing; (2) global
standardization strategy — hoge integratie, lage responsiviteit: gestandaardiseerde producten en
gecentraliseerde productie voor schaalvoordelen; (3) multinational / localization strategy — lage
integratie, hoge responsiviteit: sterke aanpassing per land met lokaal georganiseerde activiteiten;
(4) transnational strategy — hoge integratie én hoge responsiviteit, gecombineerd met wereldwijde
kennisdeling (het moeilijkst te realiseren).
Deel 2:
Leg uit waarom een tekort op de lopende rekening van de betalingsbalans niet noodzakelijk een
probleem is, en bespreek twee situaties waarin het wél zorgwekkend kan zijn.
Modelantwoord: Een tekort op de lopende rekening betekent dat een land meer invoert (en aan
factorinkomens/overdrachten betaalt) dan het ontvangt; het wordt gefinancierd door instromen op
de financiële rekening (buitenlands kapitaal). Dat is niet per se slecht: het kan wijzen op
aantrekkelijke investeringsmogelijkheden, een groeiende economie die kapitaal aantrekt, of
tijdelijke schommelingen. Het wordt wél zorgwekkend wanneer (1) het tekort structureel is en
gefinancierd wordt met oplopende buitenlandse schuld die niet productief wordt aangewend —
risico op onhoudbaarheid en plotse kapitaaluitstroom; of (2) het tekort voortkomt uit een verlies aan
concurrentievermogen (te hoge kosten/inflatie), waardoor de exportbasis structureel verzwakt.
(Andere aanvaarde elementen: te grote afhankelijkheid van volatiel kortetermijnkapitaal, druk op
de wisselkoers en de reserves.)
TEKSTVRAGEN
In onderstaande teksten werden enkele woorden weggelaten, aangeduid met een nummer. Vul
telkens de juiste termen in. Zowel de Nederlandse als de Engelse term wordt goedgekeurd. Elk
correct antwoord is 1 punt waard.
Deel 1
De Europese eenmaking verliep in stappen van toenemende integratie. De eerste stap, waarbij de
onderlinge tarieven tussen de leden verdwijnen maar elk land zijn eigen externe tarief behoudt, is
de (1)____. Wanneer daar bovenop een gemeenschappelijk extern tarief komt, spreekt men van
een (2)____. Gaat men nog verder en worden ook de productiefactoren (arbeid en kapitaal) vrij,
dan ontstaat een (3)____. Binnen de EU heeft de instelling met het initiatiefrecht voor wetgeving,
de (4)____, een centrale rol. Een juridisch instrument dat rechtstreeks en volledig bindend is in de
hele EU, is een (5)____.
Antwoorden Deel 1:
(1) Vrijhandelszone (Free Trade Area)
(2) Douane-unie (Customs Union)
(3) Gemeenschappelijke markt (Common / Single Market)
(4) Europese Commissie (European Commission)
(5) Verordening (Regulation)
, Deel 2
De betalingsbalans registreert alle economische transacties tussen een land en het buitenland. De
handel in goederen en diensten, samen met factorinkomens en lopende overdrachten, staat op de
(1)____. Directe investeringen en portefeuillebeleggingen staan op de (2)____. Een land dat
structureel meer besteedt dan het produceert, vertoont doorgaans een tekort op de (1)____ en
moet dat financieren met buitenlands kapitaal. De verhouding tussen uitvoer- en invoerprijzen, een
maatstaf voor de internationale koopkracht, noemt men de (3)____. In een muntunie wordt het
(4)____ gevoerd door de Europese Centrale Bank. De multiplicator in een open economie wordt
kleiner naarmate de marginale (5)____ groter is, omdat invoer een lek vormt in de kringloop.
Antwoorden Deel 2:
(1) Lopende rekening (Current Account)
(2) Financiële rekening (Financial Account)
(3) Ruilvoet (Terms of Trade)
(4) Monetair beleid (Monetary policy)
(5) Invoerquote / invoerneiging (marginal propensity to import)
Deel 1
1. Een bedrijf produceert gestandaardiseerde microchips die wereldwijd identiek worden
verkocht, centraliseert de productie voor schaalvoordelen en past nauwelijks aan per land.
Welke strategie uit het Bartlett/Ghoshal-framework past het best?
A. Multinational / localization strategy.
B. Global standardization strategy (globale standaardisatiestrategie).
C. Transnational strategy.
D. International strategy.
Juist antwoord: B
Uitleg: Hoge globale integratie (schaalvoordelen, gecentraliseerde productie) en lage lokale
responsiviteit = de globale standaardisatiestrategie.
2. Welke strategie kenmerkt een bedrijf dat vooral producten en competenties vanuit de
thuismarkt naar het buitenland overbrengt, met weinig druk tot zowel lokale aanpassing als
globale kostenefficiëntie?
A. Transnational strategy.
B. Global standardization strategy.
C. Multinational strategy.
D. International strategy (internationale strategie).
Juist antwoord: D
Uitleg: Lage druk op beide assen → international strategy: het bedrijf exporteert kerncompetenties
met beperkte aanpassing.
3. Op welke twee dimensies plaatst het integration-responsiveness framework
internationale strategieën?
A. Globale integratie (kostendruk) en lokale responsiviteit.
B. Marktgroei en marktaandeel.
C. Politiek risico en wisselkoersrisico.
D. Productdifferentiatie en kostenleiderschap.
Juist antwoord: A
Uitleg: De twee assen zijn de druk tot globale integratie/efficiëntie en de druk tot lokale
aanpassing (responsiviteit).