WETENSCHAP?
(THEATRE STUDIES – SCHOLARS, NOT SCIENTISTS)
1. WAT IS WETENSCHAP?
In het Nederlands en Duits spreken we van WETENSCHAP / WISSENSCHAFT,
maar in het Engels van THEATRE STUDIES (niet THEATRE SCIENCE).
Die terminologische nuance toont al het verschil
tussen wetenschappers en geleerden (scholars).
WETENSCHAPPER
Richt zich op absolute waarheidsaanspraken: kennis
die onbetwistbaar en universeel geldig is.
Doel: het ontdekken van algemene wetten die de werkelijkheid verklaren
en voorspelbaar maken.
Gebruikt methodes uit de exacte wetenschappen, met nadruk op:
1. Verificatie / falsificatie – voortdurend toetsen of kennis nog klopt.
2. Herhaalbaarheid – een experiment moet reproduceerbaar zijn.
3. Voorspelbaarheid – resultaten moeten toekomstig gedrag
verklaren.
4. Exactheid – streven naar meetbare, kwantificeerbare kennis.
GELEERDE (SCHOLAR)
Iemand die geleerd heeft of zichzelf vormt; een specialist in een bepaald
kennisgebied.
Een GELEERDE is niet enkel academisch gevormd, maar ook autodidact,
geëngageerd in de zoektocht naar inzicht.
Levenslange vorming: “A MAN OF BOOKS”.
Het accent ligt minder op absolute waarheid, meer op betekenis,
interpretatie en cultuur.
→ (uit de reader, p. 5) De logische zelfreflectie van de humane wetenschappen in de
19e eeuw stond volledig onder invloed van het model van de natuurwetenschappen. Het
Duitse begrip “Geisteswissenschaft” toont dat dit veld zijn identiteit ontleende aan
analogie met de natuurwetenschappen: waar de natuurwetenschappen de ‘natuur’
onderzoeken, richten de geesteswetenschappen zich op de ‘geest’ (spirit) en de
betekenis van menselijk handelen.
2. METHODES VAN KENNISVERWERVING
1
,DEDUCTIE (RATIONALISME)
Redeneren vanuit algemene wetten naar concrete gevallen.
INDUCTIE (EMPIRISME)
Van het bijzondere naar het algemene: op basis van observatie en ervaring
universele wetten opstellen.
In de 19e eeuw werd inductie de dominante methode, ook buiten de
natuurwetenschappen.
→ (uit de reader, p. 5–6) de term “geisteswissenschaft” is rechtstreeks
ontleend aan de vertaling van john stuart mill’s a system of logic (1843),
waar hij een inductieve logica formuleerde voor de “moral sciences”.
daardoor ging men menselijke kennis benaderen alsof ze op dezelfde
inductieve principes steunde als natuurwetenschappen.
3. DE VRAAG NAAR DE METHODE VAN DE GEESTESWETENSCHAPPEN
In de loop van de 19e eeuw ontstond de vraag:
Wat voor soort kennis is historische of culturele kennis, en hoe kan ze
wetenschappelijk zijn?
De geesteswetenschappen wilden hun eigen vorm van wetenschappelijkheid
verantwoorden tegenover de exacte wetenschappen.
4. HANS-GEORG GADAMER – WAHRHEIT UND METHODE (1960)
Tekst: “The Significance of the Humanist Tradition for the Human Sciences. The
Problem of Method” (TRUTH AND METHOD, 1975, pp. 5–10).
KERNIDEE
Gadamer betoogt dat de geesteswetenschappen fundamenteel verschillen van
de natuurwetenschappen. Hun doel is niet het formuleren van universele wetten,
maar het begrijpen van betekenis (VERSTEHEN).
→ (uit de reader, p. 6–7)
gadamer legt uit dat de inductieve methode van mill onvoldoende rekening
houdt met de eigenheid van menselijke vrijheid. de menselijke wereld
vertoont geen natuurwetten zonder uitzonderingen, maar bestaat uit
vrijwillige, morele keuzes. daarom is het onhoudbaar om de logica van
inductie zomaar op menselijke geschiedenis toe te passen.
→ (p. 8–9)
gadamer bekritiseert helmholtz’ poging om de human sciences te verklaren
als een vorm van “onbewuste kunstzinnigheid” (tact). daarmee reduceert
helmholtz begrijpen tot een subjectieve vaardigheid, terwijl gadamer stelt dat
begrijpen plaatsvindt binnen tradities en betekenishorizonten die groter zijn
dan het individu.
2
,HISTORISCH-BEWUSTE HERMENEUTIEK
Kennis is altijd historisch gesitueerd: we begrijpen vanuit tradities,
context en vooroordelen.
Die vooroordelen zijn geen obstakels, maar voorwaarden voor begrip.
De methode van de geesteswetenschappen is dialoog: een gesprek
tussen heden en verleden.
Zo ontstaat een waarheid van betekenis, niet van exacte meting.
→ (p. 9–10)
in tegenstelling tot de natuurwetenschappen, waar objectieve causaliteit
centraal staat, richten de geesteswetenschappen zich op de betekenis van
menselijke vrijheid en geschiedenis. de zoektocht naar “waarheid” is dus
geen toepassing van natuurwetten, maar een reflectie op de menselijke
conditie zelf.
GADAMER: ANALYSEKADER
Gadamer structureert zijn analyse van de geesteswetenschappen aan de hand
van vijf vragen:
1. Probleem: wat is het statuut van kennis in de geesteswetenschappen?
2. Oplossingen: hoe hebben 19e-eeuwse denkers dit probleem proberen op
te lossen?
3. Onvolmaaktheid: waarom schieten deze oplossingen tekort?
4. Inspiratie: welke inzichten blijven waardevol?
5. Eigen perspectief: Gadamers hermeneutische benadering als alternatief
JOHN STUART MILL
Principles of political Economy
o Voorspelbaarheid in economische processen via inductieve methode
o Kijkt naar processen binnen de economie en probeert op basis
daarvan wetten af te leiden
o (De verslaving naar het exacte)
Dus: inductieve methode wordt steeds meer de basis van alle
wetenschappen
Probleem: Natuurwetenschappelijke methode = inductief, d.w.z. observering
en systematische verzameling van feiten en daarvan uitgaande universele
regels (waarheden) opstellen. (antwoord door Helmholts, Droysen, Dilthey)
o Maar: concrete (historische) gebeurtenissen zijn geen voorbeeld van
algemene wetten.
o Grijpt zeer vaak terug naar het verleden: processen van voor WOI
Dezelfde dynamieken die er vandaag zijn zouden moeten
overeenkomen met die van WOI?
Geesteswetenschappen willen gebeurtenissen begrijpen als uniek en in hun
context:
o How has it happened that it is so?
o Toch ze willen omdraaien tot voorspelbare wetten
Wat voor soort kennis/wetenschap is historische kennis dan? Hoe kunnen we
haar ook als ‘wetenschappelijke’ kennis beschouwen? :
o Kennis die fundamenteel anders is in karakter en intentie dan de
natuurwetenschappen
3
, o Maar: werd/wordt al te vaak vanuit een negatieve logica
gemotiveerd
o ‘Inexacte’ wetenschap ‘exacte’ wetenschap
o De kennis die verkregen wordt door historische studie is
fundamenteel anders
o Vaak geformuleerd vanuit de negatieve logica
5. DE ZOEKTOCHT NAAR METHODE IN DE 19E EEUW
Gadamer bespreekt drie kernfiguren die elk worstelden met de vraag naar de
wetenschappelijkheid van de geesteswetenschappen: Helmholtz, Droysen,
en Dilthey.
A. HERMANN VON HELMHOLTZ (1821–1894)
Oorspronkelijk medicus en natuurkundige.
Erkent de eigenheid van de geesteswetenschappen, maar blijft vasthouden
aan de inductieve methode van de exacte wetenschappen.
o uit het bijzondere het algemene afleiden, om causaliteiten en
voorspelbaarheid te halen.
Historische processen kunnen volgens hem slechts begrepen worden
via tact en invoeling (Einfühlung), niet enkel via data.
Voorwaarden voor goed historisch begrip:
1. Tact / invoelen – een intuïtieve gevoeligheid voor historische context.
2. Intellectuele breedte – inzicht putten uit filosofie, kunst, literatuur,
politiek…
3. Goed geheugen – kennis van vele fenomenen door tijd heen.
4. Acceptatie van autoriteit – leren van voorgangers, zelfs als hun kennis
onvolmaakt is.
→ Helmholtz erkent de specifieke aard van de geesteswetenschappen, maar blijft
redeneren vanuit de logica van de exacte wetenschappen.
Hij formuleert de eigenheid dus negatief: inexacte kennis tegenover exacte
kennis.
→ (uit de reader, p. 7–8)
gadamer noemt helmholtz’ visie “inconsistent”: hij probeert de wet van
inductie te gebruiken, maar kan vrijheid en subjectieve betekenis daarin niet
verklaren. daardoor vervalt zijn benadering in resignatie en relativisme.
B. JOHANN GUSTAV DROYSEN (1808–1884)
Historicus, exponent van het historisme: elke periode moet begrepen
worden binnen haar eigen context.
Streeft naar een systematische en theoretisch
verantwoorde geschiedwetenschap.
4