INLEIDING VAK
Psychologie van de verschillen:
- Vooral tussen mensen
- Maar ook bijkomend binnen mensen over de tijd heen, in verschillende situaties, en hoe
dit anders kan zijn voor verschillende personen.
<-> Algemene psychologie: algemene wetten.
Er zijn twee grote deeldomeinen binnen de psychologie van individuele verschillen:
1. Intelligentie: cognitief functioneren: verschil in mensen hoe goed ze zijn in het oplossen
van conflicten, cognitieve taken, hoe ze ermee omgaan.
2. Persoonlijkheid: de manieren waarop mensen gaan reageren op hun omgeving, ermee
gaan interageren, omgaan met de situaties die ze tegenkomen. Mensen hun gevoelens
en gedrag gaan verklaren aan de hand van de manier waarop ze omgaan met de
buitenwereld.
Er zijn twee visies op persoonlijkheid:
1. Trekvisie: het is toepasbaar op iedereen, nomothetisch. Je positie op een dementie
kenmerkt een persoon. De positie bepaald je gedrag. Dit gedrag zal stabiel zijn over
bepaalde situaties heen.
2. Interactionistische visie: op een andere manier gaan kijken. Mensen hebben geen
positie op een bepaalde trek. Je gedrag zal de uitkomst zijn tussen een bepaalde
interactie tussen eigenschappen die je zelf hebt en de situatie die zich aanbiedt. Je
gedrag kan variëren van de ene situatie op de andere.
TREKVISIE
Nomothetisch trekconcept: drie cruciale eigenschappen:
1. Trekken zijn interne, stabiele eigenschappen van een individu die deze van moment tot
moment, situatie tot situatie met zich meedraagt. Een trek is geen tijdelijke eigenschap
maar is iets dat de persoon altijd meedraagt. Geven de aanleiding tot een consistent
patroon van gedrag.
2. Trekken zijn causaal: ze verklaren het gedrag van het individu. De interne
eigenschappen beïnvloeden en bepalen gedrag.
3. Trekken nemen de vorm aan van dimensies waarop mensen verschillende plaats
kunnen innemen.
1|P ag in a
,Psychologie van de individuele verschillen deel II: persoonlijkheid 25-26
Belangrijkste implicaties:
1. Hoofde ect van persoon is belangrijkste manier om individuele verschillen in
persoonlijkheid, gedrag op te vatten.
2. Gedrag wordt gekenmerkt door relatief hoge:
Type A consistentie: cross-temporele stabiliteit van gedrag. Zelfde G, zelfde S.
Type B consistentie: cross-situationele stabiliteit van gedrag. Zelfde G, andere S.
Type C consistentie: cross-uitingsstabiliteit van gedrag. Ander G, zelfde S.
Type D consistentie: predictie van concreet gedrag op basis van trekscores. Ander G,
andere S.
Hoofde ect als voornaamste patroon wanneer je verschillen tussen mensen gaat observeren.
INTERACTIONISTISCHE VISIE
Cruciale assumpties:
1. Persoonlijkheid is een systeem van processen dat iemands reactie op een concrete
situatie bepaalt.
2. Omdat bepaalde situaties bij een bepaald persoon andere processen kunnen
ontlokken, is iemands gedrag een functie van de interactie tussen de persoon en
omgeving.
3. De uitkomst hiervan is dat persoonlijkheid kan beschreven worden in termen van ALS ->
DAN gedragshandtekeningen.
Belangrijkste implicaties:
1. Interactie tussen persoon en situatie is belangrijkste manier om individuele verschillen
in persoonlijkheid, gedrag op te vatten.
2. Gedrag wordt gekenmerkt door relatief hoge type A consistentie: cross-temporele
stabiliteit van gedrag.
3. MAAR door relatief lage:
Type B consistentie: cross-situationele stabiliteit van gedrag.
Type C consistentie: cross-uitingsstabiliteit van gedrag.
Type D consistentie: predictie van concreet gedrag op basis van trekscores.
WIE HEEFT GELIJK
1. Aan de ene kant:
- Trekken zijn relatief cross-temporeel consistent.
- Er zijn consistente individuele verschillen in algemene gedragstendenzen.
- Deze verschillen voorspellen ook belangrijke levensoutcomes.
2. Aan de andere kant:
- Concreet gedrag is weinig consistent van situatie over situatie.
- Concrete gedragsuitingen correleren ook niet sterk onderling.
- En worden slechts in beperkte mate voorspeld door trekken.
2|P ag in a
,Psychologie van de individuele verschillen deel II: persoonlijkheid 25-26
Conclusie:
Mensen worden gekenmerkt door individuele verschillen in algemene gedragstendenzen. Deze
gedragstendenzen zijn relatief stabiel en hebben een voorspellende kracht voor
levensoutcomes. MAAR zijn weinig informaties voor de predictie van concreet gedrag. Omdat
dergelijk gedrag mede bepaalde wordt in interactie met de specifieke situatie.
HEDENDAAGS PERSOONLIJKHEIDSONDERZOEK
Trekvisie domineert:
- Wijd verspreide empirische theorie van structuur van persoonlijkheid
- Consistent theoretisch kader geeft mogelijkheid tot cumulatieve wetenschap
- Makkelijk te onderzoeken: eenvoudige trekvragenlijsten
Interactionisme:
- Assumpties worden algemeen aanvaard
- MAAR moeilijker te onderzoeken
- Gebrek aan omvattende theorie van persoonlijkheid die de voornaamste processen en
structuren met naam noemt
3|P ag in a
, Psychologie van de individuele verschillen deel II: persoonlijkheid 25-26
HOOFDTUK 6: GENEN EN PERSOONLIJKHEID
Biologisch geïnspireerde benaderingen. Relatie tussen genen, omgeving en
persoonlijkheid.
INLEIDING, BEGRIPPEN EN DOELEN
HET MENSELIJK GENOOM
Genoom verwijst naar de hele verzameling genen dat een organisme bezit. Bestaat uit DNA: een
dubbele helix opgebouwd uit nucleotiden. Gen bestaat uit specifieke combinaties van DNA-
nucleotiden die kunnen coderen voor een specifiek proteïne of eigenschap.
Het menselijk genoom bevat 20.000-25.000 genen op 23 paar chromosomen, de helft van de
vader en de helft van de moeder. Het is een complex geheel. Er zijn heel veel genen, de manier
van coderen kan sterk variëren. Genetisch afval blijkt toch functioneel, het bepaalt in welke
mate omliggende genen tot expressie komen.
Humane genome project is opgezet om de sequentie van het menselijk genoom te
identificeren, namelijk de specifieke DNA molecule sequenties in de mens, en werd succesvol
afgerond in 2003. Maar dit betekent niet dat daarmee de functie van elk gen gekend is.
Bovendien worden vele eigenschappen niet door een enkel gaan, maar door combinatie van
vele genen gedetermineerd, en door de mate van genexpressie.
De meeste genen in het menselijk genoom zijn dezelfde voor iedereen, MAAR een kleiner aantal
genen kan verschillen tussen mensen, waaronder genen die coderen voor lichamelijke en
psychische trekken. Mensen verschillen dus in genoom, genotype, en hoe dit tot uiting komt, en
dit kan samenhangen met bepaalde verschillen in hoe ze zijn, phenotype.
DOEL VAN DE GEDRAGSGENETICA
Welke menselijke eigenschappen zijn:
- Volledig genetisch bepaald?
- Volledig door opvoeding, omgeving bepaald?
De meeste eigenschappen zijn zowel genetisch als omgevingsbepaald.
Doelen van de gedragsgenetica:
1. Bepalen hoeveel van verschillen tussen mensen in een bepaalde trek toegeschreven
kunnen worden aan genetische verschillen en hoeveel aan omgevingsverschillen.
= klassieke gedragsgenetica.
2. Hoe gaan genen en omgeving interageren en correleren in het bepalen van individuele
verschillen?
= moderne gedragsgenetica.
3. Bepalen welke omgevings- en genetische invloeden een invloed hebben op individuele
verschillen.
4|P ag in a