Erfrecht en giften – Alain Verbeke
Deel 1. Erfrecht
Hoofdstuk 1. Erven
Afdeling 1. Basisbegrippen
Erven = Iedere persoon is titularis van een vermogen (patrimonium) wat gebeurt er met
dat vermogen als die persoon overlijdt?
Erven = het verkrijgen van het vermogen door overlijden van de titularis
– Erfopvolging = de personen die het vermogen erven v/d erflater, volgen deze persoon
op
– Nalatenschap of erfenis = vermogen dat nagelaten is en door nieuwe titularis wordt
geërfd
– Erfrecht = geheel van rechtsregels dat de nieuwe titularissen van het geërfde
vermogen aanwijst en de regels bevat over de wijze waarop de vermogensovergang
plaatsvindt en de gevolgen daarvan
– Erfbelasting = belasting die wegens de overgang van het vermogen door overlijden
worden geïnd (Bevoegdheid van de gewesten)
– deze fiscale regels behoren hoofdzakelijk tot de gewesten (wordt verschillend geregeld
in BXL, Wallonië & Vlaanderen)
– Erfgerechtigden & erfgenamen:
Erfgerechtigd = personen die erfgenaam kunnen worden. Ze hebben deze
roeping tot nalatenschap:
o krachtens de wet
o omdat ze een algemene roeping hebben
o roeping onder algemene titel tot de nalatenschap door de wil v/d erflater
(Art. 4.2 BW)
MAAR ze zijn nog geen erfgenaam omdat ze nog niet beslist hebben of ze de
nalatenschap wel willen verkrijgen.
– Soorten roepingen tot nalatenschap:
Wettelijke roeping: persoon is door de wet aangeduid
Testamentaire roeping (algemeen/onder algemene titel)
Conventionele of contractuele roeping
Erfgenaam (Art. 4.2 BW)/rechtsopvolgers (Art. 3.14 BW)/algemene
rechtsverkrijgende (Art. 5.104 BW)
= degene die de nalatenschap krachten erfrecht verkrijg
Erfbekwaamheid
– Men moet bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt (Art. 4.4 BW) dubbel
vereiste:
Bestaande persoon (Art. 4.4 BW)
Die persoon moet de erflater overleven om tot zijn nalatenschap geroepen te w.
(Art. 4.5 BW)
– bestaat niet:
Het kind dat op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt nog niet verwekt is
Kind dat al geboren is, maar niet levensvatbaar geboren is (Art. 4.4, 2e lid BW)
Wie voor de erflater overleden is (Art. 4.5, 1e lid BW)
– Erf-onbekwamen: onwaardige personen (Art. 4.6 ev. BW)
Afdeling 2. Openvallen van de nalatenschap
1
,Openvallen van de nalatenschap = moment dat de titularis van het vermogen overlijdt
(Art. 4.1 BW)
– Door de overlijdensakte: Opgemaakt door de ABS (Art. 55, §1 OBW)
– Door een vonnis dat het overlijden gerechtelijk vaststelt (Art. 126 OBW)
– Uitzonderlijk: kan openvallen zonder dat overlijden is vastgesteld Persoon is afwezig
verklaard (Art. 118 OBW)
– Vonnis geldt dan als akte van de ABS, zelfde gevolgen als overlijden vanaf de datum
van overschrijving (Art. 21, §2 OBW)
Devolutie = de personen die als erfgerechtigden tot een opengevallen nalatenschap
geroepen worden, worden aangewezen door de regels van de devolutie (of toewijzing) van de
nalatenschap
– wettelijke, testamentaire of contractuele devolutie
– Wettelijke devolutie = intestaat of ab intestato erfopvolging genoemd & gelden omdat
er geen testament is of omdat het testament geen uitwerking heeft
Gevolgen van het openvallen:
– gaat van rechtswege over op de erfgerechtigden (Art. 4.3 & 4.39 BW) De datum
waarop nalatenschap openvalt is bepalend voor:
Welke goederen & schulden tot het vermogen behoren & moeten berekend
worden (Art. 4.153 BW)
Roeping & bekwaamheid van de erfgerechtigden (Art. 4.4 BW)
Welk OG van de erflater tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende (Art.
4.20, 4.147 §2, 4.23 §1 & §3 BW)
De termijnen om de nalatenschap te aanvaarden beginnen te lopen (Art. 4.36
BW)
Termijnen voor ‘inventaris & beraad’ beginnen te lopen voor ‘inventaris &
beraad’ (Art. 4.37 §2 BW)
Termijn voor aangiften van nalatenschap in te dienen begint te lopen (Art. 40
W. succ)
Waarde van de geschonken goederen worden bepaald (Art. 4.90 §3, 2e lid BW)
waarde van de gerelateerde goederen die moeten worden ingebracht worden
berekend (Art. 4.90 §1 BW)
het eindcijfer van de index wordt bepaald (Art. 4.90 §2 BW)
Intrestloop start van rechtswege te lopen op de waarde v/d goederen (Art. 4.91
BW)
Plaats waar nalatenschap openvalt:
– determineert welke rechter territoriaal bevoegd is
– NIET waar erflater overlijdt, WEL woonplaats op tijdstip overlijden
Woonplaats: plaats waar hoofdverblijfplaats is, ongeacht bevolkingsregister (Art.
110 & 102 OBW)
Art. 1189 ger. W. & 627, 3° Ger W.
– Grensoverschrijdende context (EU):
Gewone verblijfplaats van de erflater duidt de bevoegde rechterbank aan
Erflater kan wel kiezen om de overgang van zijn nalatenschap aan een ander
recht te onderwerpen maar is beperkt tot het recht van de staat waarvan hij
op tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit
Hoofdstuk 2. Erfbekwaamheid
Afdeling 1. Begrip en voorwaarden
– Een erfgerechtigde kan erfgenaam worden (& de nalatenschap aanvaarden) als hij
erfbekwaam is
– De voorwaarden inzake erfbekwaamheid zijn:
Bij het openvallen bestaan
Bij het openvallen in leven zijn
2
, Niet uitgesloten of vervallen verklaard zijn van het recht om van deze
persoon te erven
Niet onwaardig zijn om van deze persoon te erven
Afdeling 2. Bestaansvoorwaarde
Bestaan = alleen fysieke personen zijn wettelijke erfgerechtigden
– (Rechtspersonen kunnen wel testamentair als erfgerechtigde worden aangewezen)
– De erfgerechtigde moest bestaan op het ogenblik van het openvallen (Art. 4.4, 1e lid
BW) = geboren zijn
– Aanvulling: indien kind reeds verwekt is & het daarna levend & levensvatbaar geboren
(= dubbele voorwaarde) wordt is het wel erfbekwaam (Art. 4.4, 2e lid BW)
Levend = alle vitale organen om zelfstandig te kunnen leven zou beter
afgeschaft worden
Kind geboren & kort daarna overlijdt:
o door iets anders dan vitale organen & dus levensvatbaar: erfbekwaam
o door vitale organen & niet levensvatbaar: erfonbekwaam
– Tijdstip van verwekking moet achterhaald worden
Wettelijk vermoeden (Art 326 OBW): kind wordt vermoed te zijn verwerkt in de
300ste tot en met de 180ste dag voor de geboorte & het voor hem gunstigste
tijdstip wordt gekozen
o Vatbaar voor tegenbewijs (soms gerelateerd aan betwisting van de
afstamming, dan moet oudere broer/zus dit vermoeden betwisten binnen
de termijn uit Art. 318 §2, 2e lid BW)
Kind verwekt via MBV met genetisch materiaal van overleden vader (= post
mortem-inseminatie)
Verbeke: oplossing, binnen redelijke termijn, in voordeel van het kind, dus
erfbekwaam
Afdeling 3. Overlevingsvoorwaarde
– Om te erven, moet een erfgerechtigde de erflater overleven (Art. 4.5 BW)
Kan 1 minuut zijn: erfrecht zit dan in vermogen van de erfgerechtigde & geeft dit
door aan zijn eigen erfgenamen het keuzerecht over de nalatenschap gaat
mee over (Art. 4.35 BW)
Onzekerheid over in leven zijn?
o Vermoedelijke afwezigheid (Art. 112, 116 BW): dan kan een
gerechtelijke bewindvoerder worden aangeduid om in die zijn plaats te
treden (Art. 115 §1 OBW)
Kan de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving
accepteren of verwerpen
o Indien in gevaarlijke omstandigheden verdwenen bv. lawine afwezig
wordt verklaard (Art. 121 OBW) of zelfs overleden wordt verklaard (Art.
126 OBW)
de datum van vaststelling van deze situaties bepaalt dan of hij nog
in leven was/geacht moet worden toen de nalatenschap openviel
– snel opvolgende overlijdens bv. zelfde verkeersongeval, aardbevingen, …
Volgorde van overlijdens proberen te bepalen via forensisch onderzoek uitstel
vragen mag (Art. 4.5, 3e lid BW)
Indien elkaars erfgerechtigden: proberen te achterhalen wie eerst overleden is
bv.vader en zoon
– Gelijktijdig overlijden = commorientes
Als er geen bewijs geleverd kan worden van verschillend tijdstip, wordt geacht
hetzelfde te zijn (Art. 4.5, 2e lid BW)
Ze erven dus niet van mekaar
Er is plaatsvervulling door de kinderen dan indien mogelijk
3
, Afdeling 4. Uitsluiting en verval van erfrecht
1. Uitsluiting en verval
– leiden tot de niet-uitoefening van het wettelijk erfrecht
– Ouder volledig ontzet uit ouderlijk gezag: van rechtswege uitgesloten van het recht op
nalatenschap van kind (geheel of ten dele) (Art. 33, °5 JeugdbeschermingsWet)
Indien gedeeltelijk ontzet: rechter bepaald of erfrecht wordt ontnomen
– Ouder kan erfrecht verliezen in de nalatenschap van de andere ouder met wie hij/zij
ooit getrouwd of wettelijk samenwonend was, omdat hij/zij ontzet uit ouderlijk gezag
over hun gemeenschappelijke kinderen de rechter beslist hierover, op vraag van de
afstammelingen (Art. 4.22 & 4.23 BW)
Afdeling 5. Onwaardig om te erven
Onwaardigheid
Onwaardig = wanneer erfgerechtigde zich ‘op onbetamelijke wijze’ tegenover de persoon
van de erflater gedragen heeft
– Dit leidt dus tot de uitsluiting uit de nalatenschap
– Civiele straf + limitatief & restrictief uitgelegd: dus niet mogelijk indien NIET bij wet
voorzien
Erflater kan die persoon dan wel nog testamentair onterven
Gronden
De wet voorziet 3 situaties (Art. 4.6 BW)
– Feiten gepleegd die tot de dood van de erflater hebben geleid en is daarvoor
strafrechtelijk schuldig bevonden (of een poging tot)
De wet somt te feiten op (verkrachting, moord, doodslag, ...)
Doet er niet toe dader, mededader of medeplichtige
Strafrechter moet hem/haar schuldig verklaren
Niet vereist effectieve straf is uitgesproken, onwaardigheid heeft uitwerking dr
loutere schuldig bevinden
Onwaardigheid is automatisch gevolg van schuldig verklaring
– Een van de feiten van 1° gepleegd, maar kon niet schuldig worden bevonden omdat hij
intussen overleden is
Vereist dat de civiele rechter de feiten vaststelt en de onwaardigheid uitspreekt
(Op vord ering van de PdK)
– Feiten gepleegd die een ernstige inbreuk betekenen op de fysieke integriteit van de
erflater (of poging tot)
De wet somt deze gevallen op (opzettelijk slagen, vergiftigen, ...)
Doet er niet toe dader, mededader of medeplichtige
Feiten hebben niet dood tot gevolg, dus kunnen lang voor overlijden gepleegd
zijn
Strafrechter legt onwaardigheid op als bijkomende sanctie (Art 46 SW.): volgt
niet automatisch
o slachtoffer mag vergiffenis schenken, dan vervalt onwaardigheid (Art. 4.7
BW)
o Vergiffenis kan enkel na feiten en bij testamentaire beschikking
Hoofdgevolgen
– Verlies van intestaat aanspraken in de nalatenschap (& dus reservatair erfrecht)
4
Deel 1. Erfrecht
Hoofdstuk 1. Erven
Afdeling 1. Basisbegrippen
Erven = Iedere persoon is titularis van een vermogen (patrimonium) wat gebeurt er met
dat vermogen als die persoon overlijdt?
Erven = het verkrijgen van het vermogen door overlijden van de titularis
– Erfopvolging = de personen die het vermogen erven v/d erflater, volgen deze persoon
op
– Nalatenschap of erfenis = vermogen dat nagelaten is en door nieuwe titularis wordt
geërfd
– Erfrecht = geheel van rechtsregels dat de nieuwe titularissen van het geërfde
vermogen aanwijst en de regels bevat over de wijze waarop de vermogensovergang
plaatsvindt en de gevolgen daarvan
– Erfbelasting = belasting die wegens de overgang van het vermogen door overlijden
worden geïnd (Bevoegdheid van de gewesten)
– deze fiscale regels behoren hoofdzakelijk tot de gewesten (wordt verschillend geregeld
in BXL, Wallonië & Vlaanderen)
– Erfgerechtigden & erfgenamen:
Erfgerechtigd = personen die erfgenaam kunnen worden. Ze hebben deze
roeping tot nalatenschap:
o krachtens de wet
o omdat ze een algemene roeping hebben
o roeping onder algemene titel tot de nalatenschap door de wil v/d erflater
(Art. 4.2 BW)
MAAR ze zijn nog geen erfgenaam omdat ze nog niet beslist hebben of ze de
nalatenschap wel willen verkrijgen.
– Soorten roepingen tot nalatenschap:
Wettelijke roeping: persoon is door de wet aangeduid
Testamentaire roeping (algemeen/onder algemene titel)
Conventionele of contractuele roeping
Erfgenaam (Art. 4.2 BW)/rechtsopvolgers (Art. 3.14 BW)/algemene
rechtsverkrijgende (Art. 5.104 BW)
= degene die de nalatenschap krachten erfrecht verkrijg
Erfbekwaamheid
– Men moet bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt (Art. 4.4 BW) dubbel
vereiste:
Bestaande persoon (Art. 4.4 BW)
Die persoon moet de erflater overleven om tot zijn nalatenschap geroepen te w.
(Art. 4.5 BW)
– bestaat niet:
Het kind dat op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt nog niet verwekt is
Kind dat al geboren is, maar niet levensvatbaar geboren is (Art. 4.4, 2e lid BW)
Wie voor de erflater overleden is (Art. 4.5, 1e lid BW)
– Erf-onbekwamen: onwaardige personen (Art. 4.6 ev. BW)
Afdeling 2. Openvallen van de nalatenschap
1
,Openvallen van de nalatenschap = moment dat de titularis van het vermogen overlijdt
(Art. 4.1 BW)
– Door de overlijdensakte: Opgemaakt door de ABS (Art. 55, §1 OBW)
– Door een vonnis dat het overlijden gerechtelijk vaststelt (Art. 126 OBW)
– Uitzonderlijk: kan openvallen zonder dat overlijden is vastgesteld Persoon is afwezig
verklaard (Art. 118 OBW)
– Vonnis geldt dan als akte van de ABS, zelfde gevolgen als overlijden vanaf de datum
van overschrijving (Art. 21, §2 OBW)
Devolutie = de personen die als erfgerechtigden tot een opengevallen nalatenschap
geroepen worden, worden aangewezen door de regels van de devolutie (of toewijzing) van de
nalatenschap
– wettelijke, testamentaire of contractuele devolutie
– Wettelijke devolutie = intestaat of ab intestato erfopvolging genoemd & gelden omdat
er geen testament is of omdat het testament geen uitwerking heeft
Gevolgen van het openvallen:
– gaat van rechtswege over op de erfgerechtigden (Art. 4.3 & 4.39 BW) De datum
waarop nalatenschap openvalt is bepalend voor:
Welke goederen & schulden tot het vermogen behoren & moeten berekend
worden (Art. 4.153 BW)
Roeping & bekwaamheid van de erfgerechtigden (Art. 4.4 BW)
Welk OG van de erflater tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende (Art.
4.20, 4.147 §2, 4.23 §1 & §3 BW)
De termijnen om de nalatenschap te aanvaarden beginnen te lopen (Art. 4.36
BW)
Termijnen voor ‘inventaris & beraad’ beginnen te lopen voor ‘inventaris &
beraad’ (Art. 4.37 §2 BW)
Termijn voor aangiften van nalatenschap in te dienen begint te lopen (Art. 40
W. succ)
Waarde van de geschonken goederen worden bepaald (Art. 4.90 §3, 2e lid BW)
waarde van de gerelateerde goederen die moeten worden ingebracht worden
berekend (Art. 4.90 §1 BW)
het eindcijfer van de index wordt bepaald (Art. 4.90 §2 BW)
Intrestloop start van rechtswege te lopen op de waarde v/d goederen (Art. 4.91
BW)
Plaats waar nalatenschap openvalt:
– determineert welke rechter territoriaal bevoegd is
– NIET waar erflater overlijdt, WEL woonplaats op tijdstip overlijden
Woonplaats: plaats waar hoofdverblijfplaats is, ongeacht bevolkingsregister (Art.
110 & 102 OBW)
Art. 1189 ger. W. & 627, 3° Ger W.
– Grensoverschrijdende context (EU):
Gewone verblijfplaats van de erflater duidt de bevoegde rechterbank aan
Erflater kan wel kiezen om de overgang van zijn nalatenschap aan een ander
recht te onderwerpen maar is beperkt tot het recht van de staat waarvan hij
op tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit
Hoofdstuk 2. Erfbekwaamheid
Afdeling 1. Begrip en voorwaarden
– Een erfgerechtigde kan erfgenaam worden (& de nalatenschap aanvaarden) als hij
erfbekwaam is
– De voorwaarden inzake erfbekwaamheid zijn:
Bij het openvallen bestaan
Bij het openvallen in leven zijn
2
, Niet uitgesloten of vervallen verklaard zijn van het recht om van deze
persoon te erven
Niet onwaardig zijn om van deze persoon te erven
Afdeling 2. Bestaansvoorwaarde
Bestaan = alleen fysieke personen zijn wettelijke erfgerechtigden
– (Rechtspersonen kunnen wel testamentair als erfgerechtigde worden aangewezen)
– De erfgerechtigde moest bestaan op het ogenblik van het openvallen (Art. 4.4, 1e lid
BW) = geboren zijn
– Aanvulling: indien kind reeds verwekt is & het daarna levend & levensvatbaar geboren
(= dubbele voorwaarde) wordt is het wel erfbekwaam (Art. 4.4, 2e lid BW)
Levend = alle vitale organen om zelfstandig te kunnen leven zou beter
afgeschaft worden
Kind geboren & kort daarna overlijdt:
o door iets anders dan vitale organen & dus levensvatbaar: erfbekwaam
o door vitale organen & niet levensvatbaar: erfonbekwaam
– Tijdstip van verwekking moet achterhaald worden
Wettelijk vermoeden (Art 326 OBW): kind wordt vermoed te zijn verwerkt in de
300ste tot en met de 180ste dag voor de geboorte & het voor hem gunstigste
tijdstip wordt gekozen
o Vatbaar voor tegenbewijs (soms gerelateerd aan betwisting van de
afstamming, dan moet oudere broer/zus dit vermoeden betwisten binnen
de termijn uit Art. 318 §2, 2e lid BW)
Kind verwekt via MBV met genetisch materiaal van overleden vader (= post
mortem-inseminatie)
Verbeke: oplossing, binnen redelijke termijn, in voordeel van het kind, dus
erfbekwaam
Afdeling 3. Overlevingsvoorwaarde
– Om te erven, moet een erfgerechtigde de erflater overleven (Art. 4.5 BW)
Kan 1 minuut zijn: erfrecht zit dan in vermogen van de erfgerechtigde & geeft dit
door aan zijn eigen erfgenamen het keuzerecht over de nalatenschap gaat
mee over (Art. 4.35 BW)
Onzekerheid over in leven zijn?
o Vermoedelijke afwezigheid (Art. 112, 116 BW): dan kan een
gerechtelijke bewindvoerder worden aangeduid om in die zijn plaats te
treden (Art. 115 §1 OBW)
Kan de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving
accepteren of verwerpen
o Indien in gevaarlijke omstandigheden verdwenen bv. lawine afwezig
wordt verklaard (Art. 121 OBW) of zelfs overleden wordt verklaard (Art.
126 OBW)
de datum van vaststelling van deze situaties bepaalt dan of hij nog
in leven was/geacht moet worden toen de nalatenschap openviel
– snel opvolgende overlijdens bv. zelfde verkeersongeval, aardbevingen, …
Volgorde van overlijdens proberen te bepalen via forensisch onderzoek uitstel
vragen mag (Art. 4.5, 3e lid BW)
Indien elkaars erfgerechtigden: proberen te achterhalen wie eerst overleden is
bv.vader en zoon
– Gelijktijdig overlijden = commorientes
Als er geen bewijs geleverd kan worden van verschillend tijdstip, wordt geacht
hetzelfde te zijn (Art. 4.5, 2e lid BW)
Ze erven dus niet van mekaar
Er is plaatsvervulling door de kinderen dan indien mogelijk
3
, Afdeling 4. Uitsluiting en verval van erfrecht
1. Uitsluiting en verval
– leiden tot de niet-uitoefening van het wettelijk erfrecht
– Ouder volledig ontzet uit ouderlijk gezag: van rechtswege uitgesloten van het recht op
nalatenschap van kind (geheel of ten dele) (Art. 33, °5 JeugdbeschermingsWet)
Indien gedeeltelijk ontzet: rechter bepaald of erfrecht wordt ontnomen
– Ouder kan erfrecht verliezen in de nalatenschap van de andere ouder met wie hij/zij
ooit getrouwd of wettelijk samenwonend was, omdat hij/zij ontzet uit ouderlijk gezag
over hun gemeenschappelijke kinderen de rechter beslist hierover, op vraag van de
afstammelingen (Art. 4.22 & 4.23 BW)
Afdeling 5. Onwaardig om te erven
Onwaardigheid
Onwaardig = wanneer erfgerechtigde zich ‘op onbetamelijke wijze’ tegenover de persoon
van de erflater gedragen heeft
– Dit leidt dus tot de uitsluiting uit de nalatenschap
– Civiele straf + limitatief & restrictief uitgelegd: dus niet mogelijk indien NIET bij wet
voorzien
Erflater kan die persoon dan wel nog testamentair onterven
Gronden
De wet voorziet 3 situaties (Art. 4.6 BW)
– Feiten gepleegd die tot de dood van de erflater hebben geleid en is daarvoor
strafrechtelijk schuldig bevonden (of een poging tot)
De wet somt te feiten op (verkrachting, moord, doodslag, ...)
Doet er niet toe dader, mededader of medeplichtige
Strafrechter moet hem/haar schuldig verklaren
Niet vereist effectieve straf is uitgesproken, onwaardigheid heeft uitwerking dr
loutere schuldig bevinden
Onwaardigheid is automatisch gevolg van schuldig verklaring
– Een van de feiten van 1° gepleegd, maar kon niet schuldig worden bevonden omdat hij
intussen overleden is
Vereist dat de civiele rechter de feiten vaststelt en de onwaardigheid uitspreekt
(Op vord ering van de PdK)
– Feiten gepleegd die een ernstige inbreuk betekenen op de fysieke integriteit van de
erflater (of poging tot)
De wet somt deze gevallen op (opzettelijk slagen, vergiftigen, ...)
Doet er niet toe dader, mededader of medeplichtige
Feiten hebben niet dood tot gevolg, dus kunnen lang voor overlijden gepleegd
zijn
Strafrechter legt onwaardigheid op als bijkomende sanctie (Art 46 SW.): volgt
niet automatisch
o slachtoffer mag vergiffenis schenken, dan vervalt onwaardigheid (Art. 4.7
BW)
o Vergiffenis kan enkel na feiten en bij testamentaire beschikking
Hoofdgevolgen
– Verlies van intestaat aanspraken in de nalatenschap (& dus reservatair erfrecht)
4