THEORIEËN VAN INTERNATIONALE
BETREKKINGEN
INLEIDING
WAT IS EEN THEORIE?
MEERDERE BETEKENISSEN:
o Een verklaring voor een fenomeen
o Een stelling/hypothese/logische voorspelling (statement/proposition/prediction)
o Een set van hypothesen; moeten falsifieerbaar zijn; moet poneren onder welke voorwaarden
ze niet gelden (= verschil met ‘geloof’, zoals bv. bij Amor vincit Omnia)
o Een geheel van aannames, concepten en hypothesen
o Aan de hand van algemene/abstracte begrippen en stellingen, waaruit particuliere/concrete
stellingen afgeleid kunnen
ANTWOORD OP ALGEMENE VS. PARTICULIERE VRAGEN:
o Particulier: waarom heeft de VS Irak veroverd?
o Algemeen: waarom voeren staten oorlog?
THEORIE = ANTWOORD OP ALGEMENE VRAAG
o Hetgeen te verklaren is = explanandum = afhankelijke variabele (AV)
o Hetgeen verklaart = explanans = onafhankelijke variabele (OV)
CAUSALITEIT
o Steeds hypothetisch (Karl Popper 1934/1965): stellingen/hypothesen als voorlopig/tentatief
o Doelstelling is dus niet: ‘de waarheid’
o Wat met infinite regress? (eindeloze reeks van verdere waarom vragen): enkel arbitrair te
stoppen, door de doelstelling/vraagstelling van een bepaalde theorie af te lijnen
o Noodzakelijke versus voldoende voorwaarden
o Zeer vaak werken theorieën met contra-factische redeneringen: “Wat als...?”
DM 2003: Japan 1941: afschrikking (openlijk) vs. preëmptieve aanval (verrassing)
BOUWSTENEN VAN EEN THEORIE: AANNAMES, HYPOTHESEN, CONCEPTEN
o Elke theorie werkt met aannames (impliciet of expliciet) iets waarvan je vindt dat het waar is
zonder bewijs
Vb. 1: Aanname van “unitaire actoren”
We doen alsof staten zijn zoals individuen...
Simplificerende aanname om eindeloze ketting van waaromvragen te stoppen
Vb. 2: rationaliteits-aanname:
Kosten-baten analyse
Methodologisch individualisme
Vb. 3: machtsmaximalisatie vs. machtsbehoud/overleving
o Moeten aannames realistisch zijn?
Niet per se; hangt af van de doelstelling, en van hun nut om fenomenen te verklaren
o Types hypothesen: (verschil aanname: dit is een gerichte, toetsbare voorspelling is die vaak op
een theorie berust)
Ofwel probabilistisch (‘waarschijnlijker dat...’)
Als X optreedt, is de kans op Y groter
Voorbeeld onderzoeksvraag: "In welke mate verhoogt de toetreding tot een
economisch vrijhandelsakkoord de kans op democratisering van een autoritaire
staat?"
Ofwel deterministisch (noodzakelijke en voldoende voorwaarden)
Als X optreedt, dan volgt Y altijd
, Voorbeeld onderzoeksvraag: "Veroorzaakt de NAVO-uitbreiding naar Oost-Europa
steevast een militaire contra-reactie van de Russische Federatie?"
WAT IS EEN GOEDE THEORIE?
o Concepten helder, ladder van abstractie: geordend van algemeen/abstract naar
specifiek/concreet
o Logisch consistent: formuleringen van oorzaak-gevolg relaties niet contradictorisch
o Informatiegehalte: kan veel empirische fenomenen (zgn. ‘feiten’) verklaren
First principle of wing walking: een oude theorie moet je niet loslaten voordat je een
betere hebt om aan vast te houden. Zelfs als een theorie gebreken vertoont, blijft men
deze vaak gebruiken zolang er geen alternatief is dat nauwkeuriger voorspellingen doet
of meer feiten verklaart zonder extra complexiteit toe te voegen.
o Empirisch nuttig: je kan er je waaromvraag mee beantwoorden
o Richting van de causaliteit: misschien is de samenhang omgekeerd:
“Land A is democratie geworden, omdat er vrede heerste.“
En niet omgekeerd...
“Land A beschermt milieu omdat het internationale milieurecht respecteert.”
Vs.: “Land A respecteert internationale milieurecht omdat burgers willen dat
milieu
beschermd wordt.
TEKSTEN
BUENO DE MESQUITA - EVALUATING ARGUMENTS
Theorieën zijn noodzakelijke vereenvoudigingen van de werkelijkheid die ons helpen de complexe
wereld te begrijpen en te voorspellen.
o Wat is een theorie: een theorie wordt gedefinieerd als een reeks uitspraken over de verwachte
relaties tussen variabelen.
Variabelen: onderscheid tussen afhankelijke variabelen (dat wat we willen verklaren) en
onafhankelijke variabelen (de factoren die de verklaring bieden).
Hypotheses: zijn de empirische voorspellingen die voortvloeien uit de logische
verbindingen binnen een theorie.
o De rol van aannames: de bouwstenen van een theorie en definiëren de vereenvoudigde
condities waaronder de voorspellingen van de theorie geacht worden te gelden.
Niet per se "waar": aannames hoeven niet de volledige, complexe realiteit te beschrijven
(zoals de aanname dat staten "unitaire actoren" zijn) om toch nuttig te zijn voor het doen
van accurate voorspellingen.
Consistentie: belangrijkste vereiste is dat ze logisch consistent zijn; ze mogen elkaar niet
tegenspreken binnen dezelfde theorie.
o Het beoordelen van theorieën: we moeten theorieën niet beoordelen op basis van persoonlijke
smaak of ideologie, maar op basis van wetenschappelijke criteria:
Logische consistentie: is de theorie intern samenhangend?
Empirische nauwkeurigheid: komen de voorspellingen overeen met de geobserveerde
feiten?
Falsifieerbaarheid: een wetenschappelijke theorie moet zo geformuleerd zijn dat het in
principe mogelijk is om te bewijzen dat deze onjuist is.
Parsimonie (zuinigheid): een theorie die met minder aannames meer kan verklaren, is
beter. Theorieën die voortdurend "hulphypotheses" nodig hebben om uitzonderingen te
verklaren, worden als "ontaard" (degenerate) beschouwd.
o Methodologische waarschuwingen
Casestudies: waarschuwing voor selectiebias. Het kiezen van casussen alleen omdat ze
een theorie bevestigen, is geen eerlijke test.
Noodzakelijke vs. voldoende voorwaarden: bij het analyseren van internationale
samenwerking is het essentieel om te onderscheiden of een factor (zoals een
internationaal regime) noodzakelijk is voor een uitkomst, voldoende is, of beide.
, o Conclusie: theorieën zijn gereedschappen. We hebben ze nodig omdat loutere kennis van
historische feiten niet volstaat om de toekomst te voorspellen of beleid te maken. De
wetenschappelijke methode biedt de richtlijnen om te bepalen welke van deze gereedschappen
het meest betrouwbaar zijn.
WALTZ - EVALUATING THEORIES
Hoe wetenschappelijke theorieën in de internationale politiek beoordeeld moeten worden.
o Verklaring boven voorspelling: het ultieme criterium voor een goede theorie is verklaring en niet
voorspelling.
Hoewel voorspellingen nuttig kunnen zijn, is het belangrijker om te begrijpen waarom
dingen gebeuren zoals ze gebeuren.
o De natuur van een theorie:
Vereenvoudiging: een theorie is een "mentaal gevormd beeld" van een afgebakend
domein. Omdat de werkelijkheid oneindig complex is, moet een theorie simpel zijn om de
essentiële elementen en noodzakelijke oorzakelijke verbanden bloot te leggen.
Theorie-geladen feiten: feiten en theorieën zijn onderling afhankelijk; feiten zijn altijd
"theorie-geladen". Men kan de werkelijkheid niet direct waarnemen zonder de hulp van
een theoretisch kader.
o Kritiek op falsificatie: wijst "dogmatische falsificatie" (het idee dat één tegenstrijdig feit een
theorie direct onderuit haalt) af.
Idealisaties: wetenschappelijke theorieën werken met idealisaties en ceteris paribus-
clausules (onder overigens gelijke omstandigheden), waardoor ze in de complexe praktijk
nooit 100% accuraat zullen zijn bij elke meting.
Vervanging: een theorie wordt pas verworpen als er een betere theorie beschikbaar is,
niet enkel door de observatie van anomalieën.
o Structureel vs. traditioneel realisme:
Morgenthau ziet macht als een doel op zich en zoekt verklaringen in de kenmerken en
motieven van staten (bottom-up).
Waltz ziet overleving als het hoofddoel van staten en stelt dat de internationale structuur
staten dwingt tot bepaald gedrag, ongeacht hun interne karakter of de motieven van
staatslieden (top-down).
, STRUCTUREEL REALISME
Het anarchistische karakter van het internationale systeem en de daaruit voortvloeiende
machtsverdeling tussen staten, zijn de belangrijkste drijfveren achter het gedrag van staten, in
tegenstelling tot de menselijke natuur (klassiek realisme).
3 ANALYSE NIVEAUS IN IB (WALTZ 1959)
o 3 analyse niveaus (‘images’; Waltz) (is belangrijk omdat er 3 analyses/ images zijn die op een
bepaald moment elkaar uitsluiten)
Individueel/ menselijke natuur & psychologie (bv. president die invloed heeft op de int.
politiek)
Eenheden/ units/ collectieve actoren (staten; intern bestaand uit: stad(staten),
firma’s, partijen, lobby’s, NGO’s, instituties, ...)
Structuur van het internationale systeem (hoe ze met elkaar omgaan is belangrijk)
Waltz noemt theorieën over het 2e niveau ‘reductionistisch’
Zij beperken zich tot (het gedrag) van de eenheden
Gaan niet in op het systeem zelf, hebben geen relationele structuur: systemische
druk kan ontstaan waardoor eenheden kunnen onder druk staan en hun
keuzemogelijkheden zo worden beperkt. Deze druk kan leiden tot competitie en
soms zelf destructie.
REALISME IN HET ALGEMEEN
o Pessimistisch: geen geloof in de vooruitgang van de mensheid – als reactie tegen ‘idealisme’ na
de 2e WO (Wilson) bv oprichting van de Volkenbond vonden zij naïef
o 3 fundamentele thema’s: macht (streven naar macht om hun veiligheid en belangen te
beschermen), conflict (onvermijdelijk) & oorlog (terugkerend en normaal onderdeel van
internationale politiek)
o Moraal en internationaal recht is slechts denkbaar als deel van de bestaande maatschappelijke
orde en de uitoefening van macht is epifenominaal, geloof niet alles wat in het recht staat
justificatie van eigen belang, legitimatie van iets dat je sowieso wou doen
o Een wereld van staten (het vertrekpunt van internationale politiek)
Ofwel als resultaat van het Westfaals systeem (1648)
Ofwel als het natiestaat systeem van de 19e eeuw
Derde optie is wanneer een staat een welvaartstaat werd
o Mensenrechten & democratie slechts als legitimatie voor interventie. Staten interveniëren nooit
echt om morele redenen.
o Publieke opinie als rechtvaardiging, legitimatie, manipulatie en bedrog = politiek hulpmiddel
DE BOUWSTENEN
o Anarchie
Afwezigheid van hiërarchie niemand in het statensysteem kan zich boven andere staten
stellen
Geen monopolie van het legitieme gebruik van geweld ( binnenland)
o De staat als centrale actor
(aanname van) unitaire actor (biljard-model)
Staat wordt gezien als één geheel, alsof het een biljartbal is zonder interne
verschillen
(aanname van) rationele actor (eigenbelang)
Staten handelen volgens hun eigenbelang en maken berekende keuzes om hun
doelen te bereiken
BETREKKINGEN
INLEIDING
WAT IS EEN THEORIE?
MEERDERE BETEKENISSEN:
o Een verklaring voor een fenomeen
o Een stelling/hypothese/logische voorspelling (statement/proposition/prediction)
o Een set van hypothesen; moeten falsifieerbaar zijn; moet poneren onder welke voorwaarden
ze niet gelden (= verschil met ‘geloof’, zoals bv. bij Amor vincit Omnia)
o Een geheel van aannames, concepten en hypothesen
o Aan de hand van algemene/abstracte begrippen en stellingen, waaruit particuliere/concrete
stellingen afgeleid kunnen
ANTWOORD OP ALGEMENE VS. PARTICULIERE VRAGEN:
o Particulier: waarom heeft de VS Irak veroverd?
o Algemeen: waarom voeren staten oorlog?
THEORIE = ANTWOORD OP ALGEMENE VRAAG
o Hetgeen te verklaren is = explanandum = afhankelijke variabele (AV)
o Hetgeen verklaart = explanans = onafhankelijke variabele (OV)
CAUSALITEIT
o Steeds hypothetisch (Karl Popper 1934/1965): stellingen/hypothesen als voorlopig/tentatief
o Doelstelling is dus niet: ‘de waarheid’
o Wat met infinite regress? (eindeloze reeks van verdere waarom vragen): enkel arbitrair te
stoppen, door de doelstelling/vraagstelling van een bepaalde theorie af te lijnen
o Noodzakelijke versus voldoende voorwaarden
o Zeer vaak werken theorieën met contra-factische redeneringen: “Wat als...?”
DM 2003: Japan 1941: afschrikking (openlijk) vs. preëmptieve aanval (verrassing)
BOUWSTENEN VAN EEN THEORIE: AANNAMES, HYPOTHESEN, CONCEPTEN
o Elke theorie werkt met aannames (impliciet of expliciet) iets waarvan je vindt dat het waar is
zonder bewijs
Vb. 1: Aanname van “unitaire actoren”
We doen alsof staten zijn zoals individuen...
Simplificerende aanname om eindeloze ketting van waaromvragen te stoppen
Vb. 2: rationaliteits-aanname:
Kosten-baten analyse
Methodologisch individualisme
Vb. 3: machtsmaximalisatie vs. machtsbehoud/overleving
o Moeten aannames realistisch zijn?
Niet per se; hangt af van de doelstelling, en van hun nut om fenomenen te verklaren
o Types hypothesen: (verschil aanname: dit is een gerichte, toetsbare voorspelling is die vaak op
een theorie berust)
Ofwel probabilistisch (‘waarschijnlijker dat...’)
Als X optreedt, is de kans op Y groter
Voorbeeld onderzoeksvraag: "In welke mate verhoogt de toetreding tot een
economisch vrijhandelsakkoord de kans op democratisering van een autoritaire
staat?"
Ofwel deterministisch (noodzakelijke en voldoende voorwaarden)
Als X optreedt, dan volgt Y altijd
, Voorbeeld onderzoeksvraag: "Veroorzaakt de NAVO-uitbreiding naar Oost-Europa
steevast een militaire contra-reactie van de Russische Federatie?"
WAT IS EEN GOEDE THEORIE?
o Concepten helder, ladder van abstractie: geordend van algemeen/abstract naar
specifiek/concreet
o Logisch consistent: formuleringen van oorzaak-gevolg relaties niet contradictorisch
o Informatiegehalte: kan veel empirische fenomenen (zgn. ‘feiten’) verklaren
First principle of wing walking: een oude theorie moet je niet loslaten voordat je een
betere hebt om aan vast te houden. Zelfs als een theorie gebreken vertoont, blijft men
deze vaak gebruiken zolang er geen alternatief is dat nauwkeuriger voorspellingen doet
of meer feiten verklaart zonder extra complexiteit toe te voegen.
o Empirisch nuttig: je kan er je waaromvraag mee beantwoorden
o Richting van de causaliteit: misschien is de samenhang omgekeerd:
“Land A is democratie geworden, omdat er vrede heerste.“
En niet omgekeerd...
“Land A beschermt milieu omdat het internationale milieurecht respecteert.”
Vs.: “Land A respecteert internationale milieurecht omdat burgers willen dat
milieu
beschermd wordt.
TEKSTEN
BUENO DE MESQUITA - EVALUATING ARGUMENTS
Theorieën zijn noodzakelijke vereenvoudigingen van de werkelijkheid die ons helpen de complexe
wereld te begrijpen en te voorspellen.
o Wat is een theorie: een theorie wordt gedefinieerd als een reeks uitspraken over de verwachte
relaties tussen variabelen.
Variabelen: onderscheid tussen afhankelijke variabelen (dat wat we willen verklaren) en
onafhankelijke variabelen (de factoren die de verklaring bieden).
Hypotheses: zijn de empirische voorspellingen die voortvloeien uit de logische
verbindingen binnen een theorie.
o De rol van aannames: de bouwstenen van een theorie en definiëren de vereenvoudigde
condities waaronder de voorspellingen van de theorie geacht worden te gelden.
Niet per se "waar": aannames hoeven niet de volledige, complexe realiteit te beschrijven
(zoals de aanname dat staten "unitaire actoren" zijn) om toch nuttig te zijn voor het doen
van accurate voorspellingen.
Consistentie: belangrijkste vereiste is dat ze logisch consistent zijn; ze mogen elkaar niet
tegenspreken binnen dezelfde theorie.
o Het beoordelen van theorieën: we moeten theorieën niet beoordelen op basis van persoonlijke
smaak of ideologie, maar op basis van wetenschappelijke criteria:
Logische consistentie: is de theorie intern samenhangend?
Empirische nauwkeurigheid: komen de voorspellingen overeen met de geobserveerde
feiten?
Falsifieerbaarheid: een wetenschappelijke theorie moet zo geformuleerd zijn dat het in
principe mogelijk is om te bewijzen dat deze onjuist is.
Parsimonie (zuinigheid): een theorie die met minder aannames meer kan verklaren, is
beter. Theorieën die voortdurend "hulphypotheses" nodig hebben om uitzonderingen te
verklaren, worden als "ontaard" (degenerate) beschouwd.
o Methodologische waarschuwingen
Casestudies: waarschuwing voor selectiebias. Het kiezen van casussen alleen omdat ze
een theorie bevestigen, is geen eerlijke test.
Noodzakelijke vs. voldoende voorwaarden: bij het analyseren van internationale
samenwerking is het essentieel om te onderscheiden of een factor (zoals een
internationaal regime) noodzakelijk is voor een uitkomst, voldoende is, of beide.
, o Conclusie: theorieën zijn gereedschappen. We hebben ze nodig omdat loutere kennis van
historische feiten niet volstaat om de toekomst te voorspellen of beleid te maken. De
wetenschappelijke methode biedt de richtlijnen om te bepalen welke van deze gereedschappen
het meest betrouwbaar zijn.
WALTZ - EVALUATING THEORIES
Hoe wetenschappelijke theorieën in de internationale politiek beoordeeld moeten worden.
o Verklaring boven voorspelling: het ultieme criterium voor een goede theorie is verklaring en niet
voorspelling.
Hoewel voorspellingen nuttig kunnen zijn, is het belangrijker om te begrijpen waarom
dingen gebeuren zoals ze gebeuren.
o De natuur van een theorie:
Vereenvoudiging: een theorie is een "mentaal gevormd beeld" van een afgebakend
domein. Omdat de werkelijkheid oneindig complex is, moet een theorie simpel zijn om de
essentiële elementen en noodzakelijke oorzakelijke verbanden bloot te leggen.
Theorie-geladen feiten: feiten en theorieën zijn onderling afhankelijk; feiten zijn altijd
"theorie-geladen". Men kan de werkelijkheid niet direct waarnemen zonder de hulp van
een theoretisch kader.
o Kritiek op falsificatie: wijst "dogmatische falsificatie" (het idee dat één tegenstrijdig feit een
theorie direct onderuit haalt) af.
Idealisaties: wetenschappelijke theorieën werken met idealisaties en ceteris paribus-
clausules (onder overigens gelijke omstandigheden), waardoor ze in de complexe praktijk
nooit 100% accuraat zullen zijn bij elke meting.
Vervanging: een theorie wordt pas verworpen als er een betere theorie beschikbaar is,
niet enkel door de observatie van anomalieën.
o Structureel vs. traditioneel realisme:
Morgenthau ziet macht als een doel op zich en zoekt verklaringen in de kenmerken en
motieven van staten (bottom-up).
Waltz ziet overleving als het hoofddoel van staten en stelt dat de internationale structuur
staten dwingt tot bepaald gedrag, ongeacht hun interne karakter of de motieven van
staatslieden (top-down).
, STRUCTUREEL REALISME
Het anarchistische karakter van het internationale systeem en de daaruit voortvloeiende
machtsverdeling tussen staten, zijn de belangrijkste drijfveren achter het gedrag van staten, in
tegenstelling tot de menselijke natuur (klassiek realisme).
3 ANALYSE NIVEAUS IN IB (WALTZ 1959)
o 3 analyse niveaus (‘images’; Waltz) (is belangrijk omdat er 3 analyses/ images zijn die op een
bepaald moment elkaar uitsluiten)
Individueel/ menselijke natuur & psychologie (bv. president die invloed heeft op de int.
politiek)
Eenheden/ units/ collectieve actoren (staten; intern bestaand uit: stad(staten),
firma’s, partijen, lobby’s, NGO’s, instituties, ...)
Structuur van het internationale systeem (hoe ze met elkaar omgaan is belangrijk)
Waltz noemt theorieën over het 2e niveau ‘reductionistisch’
Zij beperken zich tot (het gedrag) van de eenheden
Gaan niet in op het systeem zelf, hebben geen relationele structuur: systemische
druk kan ontstaan waardoor eenheden kunnen onder druk staan en hun
keuzemogelijkheden zo worden beperkt. Deze druk kan leiden tot competitie en
soms zelf destructie.
REALISME IN HET ALGEMEEN
o Pessimistisch: geen geloof in de vooruitgang van de mensheid – als reactie tegen ‘idealisme’ na
de 2e WO (Wilson) bv oprichting van de Volkenbond vonden zij naïef
o 3 fundamentele thema’s: macht (streven naar macht om hun veiligheid en belangen te
beschermen), conflict (onvermijdelijk) & oorlog (terugkerend en normaal onderdeel van
internationale politiek)
o Moraal en internationaal recht is slechts denkbaar als deel van de bestaande maatschappelijke
orde en de uitoefening van macht is epifenominaal, geloof niet alles wat in het recht staat
justificatie van eigen belang, legitimatie van iets dat je sowieso wou doen
o Een wereld van staten (het vertrekpunt van internationale politiek)
Ofwel als resultaat van het Westfaals systeem (1648)
Ofwel als het natiestaat systeem van de 19e eeuw
Derde optie is wanneer een staat een welvaartstaat werd
o Mensenrechten & democratie slechts als legitimatie voor interventie. Staten interveniëren nooit
echt om morele redenen.
o Publieke opinie als rechtvaardiging, legitimatie, manipulatie en bedrog = politiek hulpmiddel
DE BOUWSTENEN
o Anarchie
Afwezigheid van hiërarchie niemand in het statensysteem kan zich boven andere staten
stellen
Geen monopolie van het legitieme gebruik van geweld ( binnenland)
o De staat als centrale actor
(aanname van) unitaire actor (biljard-model)
Staat wordt gezien als één geheel, alsof het een biljartbal is zonder interne
verschillen
(aanname van) rationele actor (eigenbelang)
Staten handelen volgens hun eigenbelang en maken berekende keuzes om hun
doelen te bereiken