dinsdag 3 maart 2026 14:25
Eukaryote cel: bouwsteen van alle leven die is opgebouwd uit verschillende subcompartimenten
Ziektes liggen aan de individuele celbasis, de individuele cellulaire processen: cellen ontsporen
+ voedingsindustrie (genen manipuleren), duurzame economie (bio plastic)
Enige cel die waar te nemen is: vrouwelijke eicel
De celtheorie:
1) Alle organismen zijn opgebouwd uit cellen (repetitieve structuren te zien) (1) en (2) SAMEN
2) De cel is een structurele basisbouwsteen van alle organismen
3) Alle cellen vinden hun oorsprong in reeds bestaande cellen (deling)
Alle organismen bestaan uit 1 of meer cellen!
NU: cellen bestuderen in endogene context (juiste temperatuur en juiste orgaan)
Vb. zebravis makkelijk te manipuleren en transparant: dynamiek van levende cellen te zien
Alle cellen bestaan voor 70% uit water en verder uit biomoleculen of macromolecumen
→ Cellen zijn zeer divers van vorm en functie
→ Op basis van DNA indelen in een fylogenetische boom (evolutionaire verwantschappen)
→ Onderaan: oercel
→ Gaan evolueren en specialiseren + bovenaan: meest geëvolueerde wezens
DUS cellen hebben een verschillende vorm, maar een gemeenschappelijke basis
+ duidelijk onderscheid tussen eukaryoten en prokaryoten
Prokaryoten= eencelligen, komen wel in groepjes voor, maar overleven prima als eencellige
Lijken vormelijk op elkaar, maar toch een groot verschil
• Eubacteriën
• Archaea: extremofielen: oudere bacteriën (thermococcus, zeer warme gijzers)
Eukrayoten:
TEM: op armstrung-niveau te bekijken (0,1 nm)
Prokaryote cellen Circulair DNA of Nucleoïd
+ celmembraan
Eukaryote cel Verschillende compartimenten of organellen
= afgebakende celkern waarin het DNA verpakt en opgeslagen zit
Organellen hebben in eukaryote cel verschillende functies
KENMERKEN (gemeenschappelijke kenmerken) van de cel:
• Identiteit: afgesloten van de omgeving
• Biochemie: dezelfde basisbouwstenen en macromoleculaire complexen
→ Allemaal AZ, eiwitten, suikers,… MAAR andere hoeveelheden
• Groei en metabolisme: opname, afbraak en vorming complexe moleculen (overleven en
reproduceren)
• Reproductie: verdelen verdubbeld genetisch materiaal naar dochtercellen
• Respons: reactie op de wijzigende omgeving
• Informatiestroom: DNA codeert voor de functionele instrumenten, de proteïnen
Intern is de cel ook afgebakend (gecompartimentaliseerd)= IDENTITEIT
○ Centrale celkern
○ Afgeplatte celmembranen: endoplasmatisch reticulum tegen de kern (RER en SER)
○ Mitochondriën
○ Lysosomen of verteringsorganellen
GA
Biomoleculen Pagina 1
, ○ GA
De cel heeft verschillende compartimenten of organellen (2 redenen):
• Parallelisatie: cellen dicht bij elkaar kunnen processen versnellen en vergemakkelijken
+ reacties kunnen parallel gebeuren
• Concentratie: klein compartiment maakt dat je sneller materiaal kan concentreren en er
minder van nodig hebt om reacties te katalyseren
Plantaardige cellen hebben een celwand, een centrale vacuole (waardoor andere organellen worden
weggeduwd naar de celwand) en chloroplasten
Een plasmamembraan definieert de cel: bestaan uit een dubbele lipidelaag met glycoproteïnen
= beide amfipatische moleculen
→ Zondert uitwendig milieu af van inwendig milieu (cytoplasma)
→ Eiwitten hebben gespecialiseerde functies om in interactie te gaan met de omgeving
→ Membraan geglycosileerd: een goede suikerlaag beschermt tegen enzymatische impact en
herkenning
De celkern is het informatiecentrum
= grootste en meest centrale speler in de eukaryote cel, huisvest het DNA
- 46 chromosomen
- Gameten hebben er 23
- De meeste kankercellen hebben soms 128 chromosomen
1 chromosoom: lengte van 4cm
De celkern is 10µm in diameter, dus compacte verpakking en opvouwing is noodzakelijk, maar wel
consulteerbaar!
Op het moment dat de chromosomen gaan delen: zeer compact
→ X= zijn al verdubbelde chromosomen die nog moeten gedeeld worden (in totaal 96
chromosomen)= half gecondenseerde en half gedecondenseerde massa
→ Cel splitst in 2 identieke dochtercellen
DNA wordt selectief geschreven en vertaald door ribosomen
(transcriptie, aminozuren worden uiteindelijk vertaald naar eiwitten tijdens translatie)
DUS DNA --> RNA --> eiwit
= centrale dogmatheorie
= centraal, want bij ALLE organismen voorkomend
RNA- bacteriën gebruiken slechts een RNA- intermediair, maar hanteren dezelfde processen
Posttranslationeel: eiwitten vrij in cytoplasma aangemaakt en naar een orgaan gaan
Co-translationeel: voor eiwitten die moeten gesecreteerd worden
Eiwitten worden geïnjecteerd in een eerste compartiment: ER
→ Naar GA
→ Via het celmembraan naar de buitenwereld
= via het endomembraansysteem
= verklaart de eukaryote celstructuur
Eiwitten in een membraan omsloten compartiment= vesikels als ze doorheen de cel bewegen
= vesiculair transport een centraal fenomeen
ENKEL het geval voor endomembraansysteem
Vesiculair transport ook gebruikt voor materiaal opnemen en internaliseren
MAAR hierachter schuilt een groot gevaar: pathogenen of lichaamsvreemde stoffen
→ Lysosomen: nemen partikels op die moeten worden afgebroken (zuur met degraderende
Biomoleculen Pagina 2
, → Lysosomen: nemen partikels op die moeten worden afgebroken (zuur met degraderende
enzymen= hydrolases)
→ Fagocytose, pinocytose of gemedieerde endocytose
Lysosoom heeft dubbel membraan en is onderdeel van het endomembraansysteem
Lysosomen ook voor inwendige structuren afbreken bij 'uitgehongerde' cel
→ Individuele, bruikbare bouwstenen eruit gefilterd
Vb. uitgehongerde cel kan mitochondriën afbreken
Autofagie: rode bloedcellen kunnen ook stoffen degraderen, enkel kern uitgestuwd
+ peroxisomen staan in voor specifieke detoxificatie
Mitochondriën belangrijkste voedingsbron voor processen:
→ Consumptie van suikers en zuurstof
→ Respiratiecyclus
<=> Chloroplasten: kunnen zonlicht gebruiken om glucose en zuurstof aan te maken
+ Mitochondriën hebben 2 membranen + eigen circulair DNA (zoals bacterie)
→ Mogelijks bacteriële oorsprong: in symbiose met oercel of bacterie
→ Overleven
= endosymbiont-theorie, geldt ook voor chloroplasten
+ kans is groot dat kern is ontstaan door de internalisatie van de membranen
Cellen hebben een vreemde en beweeglijke vorm: cytoskelet is dynamisch
NIETS IN DE CEL STAAT VAST, als er iets in de cel vaststaat, is de cel dood
Kabels zijn nodig om intern transport mogelijk te maken: vesikels hebben lineaire paden, want
worden gedragen door de kabelbanen van het cytoskelet
Moleculaire motoren: gespecialiseerde eiwitten die vesikels gaan begeleiden over de kabelbanen
= kinesine, dyneïne en myosine
Alle processen gaan gestuurd worden door allerlei signalen (meestal van buitenaf)
+ gaat steeds de omgeving afscannen en adhv de omgeving beslissingen nemen: sterf, differentieer
of leef
Paden kunnen traag of snel zijn:
Vb. snel: eiwitten die er al zijn activeren, of delen van cel verknippen
Vb. traag: celdifferentiatie, heel programma moet worden geactiveerd (stamcel naar spiercel)
VIA signaaltransductiecascades
Ondanks de diversiteit aan stappen, zien we veel fenomen terugkeren
→ Veel dezelfde moleculaire schakelaars
2 belangrijke schakelaars voor de operatie van een cel:
- Fosforylatie-switch: fosfaat erop inactief en fosfaat eraf actief
- GTPase-switch: enzym activeren om GTP (variant van ATP) te houden of inhiberen
→ EXAMEN
1) Ontvangst van het signaal door cytoplasmatische of membraangebonden receptoren
2) Intracellulaire communicatie
3) Effectieve celrespons
Cellen vormen fysieke verbindingen: contact met cellen en extracellulaire matrix (aangemaakt door
Biomoleculen Pagina 3