babytijd (1)
Inleiding
Hoe onderzoeken we baby’s?
Baby’s kunnen niet vertellen wat ze zien, horen, kennen of onthouden.
Daarom gebruiken onderzoekers niet-verbale methodes (dus zonder dat
baby’s moeten praten).
1: Habituatie
Baby’s vinden nieuwe prikkels (geluiden, beelden, smaken…) eerst
interessant.
Na een tijdje worden ze die gewoon → hun aandacht neemt af.
Dat heet habituatie.
Als daarna een nieuwe prikkel wordt aangeboden en de baby opnieuw meer
aandacht toont, weten we dat hij verschil kan maken tussen beide prikkels.
Minder interesse = prikkel gekend
Meer interesse bij nieuwe prikkel =
onderscheid mogelijk
2: Preferentieel kijken
Baby’s kijken langer naar dingen die ze
interessanter vinden.
Door te meten waar ze langer naar
kijken, kunnen onderzoekers hun
voorkeuren ontdekken.
3: Operante conditionering
Baby’s kunnen leren via beloning.
Bijvoorbeeld: als een baby harder zuigt en daardoor een geluid hoort, leert
hij dat zijn gedrag een effect heeft.
4: Uitgestelde imitatie
Als een baby iets ziet en dit later nadoet, toont dit dat hij het zich
herinnert.
Dit bewijst dat er een geheugenspoor aanwezig is.
1
, 8.1: Perceptuele ontwikkeling
Perceptie = hoe baby’s hun zintuigen gebruiken om de wereld te begrijpen.
Belangrijk verschil:
Sensatie = het registreren van een prikkel via een zintuig
Perceptie = de verwerking en interpretatie van die prikkel door de
hersenen
Ontwikkeling van de zintuigen
Baby’s reageren vanaf de geboorte op:
Tast
Smaak
Geur
Geluid
Zicht
Bij geboorte:
Tast, geur en smaak → best ontwikkeld
Gehoor → redelijk goed
Zicht → minst ontwikkeld
Hoe beter baby’s kunnen waarnemen, hoe begrijpelijker hun omgeving wordt.
1: Tastzin
De tastzin ontwikkelt zich al voor de geboorte.
3 maanden na conceptie reageert de foetus al op aanraking.
Belangrijk voor reflexen.
Pasgeborenen kunnen via mond en handen:
Verschillende texturen onderscheiden (glad vs hobbelig)
Verschillende temperaturen onderscheiden (warm vs koud)
Dit wordt vaak onderzocht via het habituatieparadigma.
Het habituatieparadigma betekent dat je iets steeds opnieuw toont tot de reactie
vermindert, en als de reactie terug sterker wordt bij iets nieuws, weet je dat het
verschil wordt opgemerkt.
2
, Pijn
Baby’s reageren duidelijk op pijn:
Ander huilgeluid
Gelaatsuitdrukking
Veranderingen in lichaam (hartslag…)
Pijn kan verminderd worden door:
Zuigen (stimulatie mondholte)
Massage
Huid-op-huid contact
Bij te vroeg geboren baby’s gebruikt men kangoeroezorg (huid-op-huid contact),
wat de vroege ontwikkeling bevordert.
Tast en leren
Baby’s gebruiken tast om de wereld te ontdekken.
Ze kunnen:
Vertrouwde en nieuwe objecten onderscheiden
Iets dat ze eerst gevoeld hebben later visueel herkennen
Dit heet cross-modale perceptie (informatie combineren over zintuigen heen).
2: Reuk- en smaakzin
Vanaf de geboorte:
Voorkeur voor zoete smaak (bv wortelsmaak)
Te zien in gelaatsuitdrukking Voorkeur
Mogelijk evolutionair (moedermelk is zoet) beïnvloedt door
Baby’s leren smaken kennen door: ervaring
Vruchtwater tijdens zwangerschap
Moedermelk
Wat de moeder eet tijdens zwangerschap en borstvoeding beïnvloedt:
De smaak van vruchtwater/ colostrum
De smaak van moedermelk
Bv moeder drinkt veel wortelsap → kind krijgt voorkeur voor zoete wortelsmaak
Bv. baby’s die minderzoete melk moeten drinken → ontwikkelen daar voorkeur
voor
3
, Zo leren baby’s al vroeg cultuurspecifieke smaken kennen (vanaf
moedermelk)
Geurherkenning
Baby’s die borstvoeding krijgen:
Herkennen de geur van hun moeder (bv. oksels)
Niet de geur van hun vader
Bij baby’s die flesvoeding krijgen, wordt dit effect ook minder gezien.
Geur kan ook pijn verzachten (bv. geur van moedermelk bij een hielprik).
3: Auditieve waarneming (gehoor)
Baby’s horen al in de baarmoeder.
Ze horen:
Hartslag van moeder
Spijsvertering
Stem van moeder
Lage geluiden van buitenaf (vanaf 5–7 maanden zwangerschap)
Na de geboorte:
Kunnen ze vrij goed horen (na vruchtwater uit middenoor weggevloeid is)
Horen zeer hoge en lage tonen beter dan volwassenen
Middenfrequenties minder goed
Vanaf de eerste dagen:
Vanaf de eerste dagen draaien baby’s hun hoofd en
ogen naar een geluid.
De geluidslokalisatie is nog minder precies dan bij
volwassenen.
Ze bepalen de richting op basis van het tijdsverschil
waarmee het geluid elk oor bereikt.
Omdat de afstand tussen hun oren kleiner is, is dat tijdsverschil moeilijker
te detecteren.
Rond 6 weken verdwijnt deze reactie tijdelijk door hersenontwikkeling
(aanvankelijk vooral reflexmatig).
Rond 3 maanden keert de reactie terug als een meer bewuste, gecontroleerde
reactie.
4