IMMUNOPATHOLOGIE DER
HUISDIEREN
0
,INLEIDING
Slides = belangrijkste (jaarlijkse update) – beschikbaar via ufora
Cursus vormt een aanvulling/extra uitleg die kan helpen als iets niet duidelijk is
Cursus deel auto-immuunziekten bevat uitgebreide schema’s van auto-immuunziektes
Onderzoeken aan het laboratorium voor immunologie:
- Immuniteit ter hoogte van mucosa bij meerdere diersoorten
- Focus op varken en darmimmuniteit
- Orale vaccinatie strategieën gebruikmakende van antistoffen die de mucosa targetten
Overgevoeligheidsreacties:
- 4 types overgevoeligheidsreacties:
o Type 1 overgevoeligheidsreactie: IgE gemedieerd
o Type 2 overgevoeligheidsreactie: complement gemedieerd
o Type 3 overgevoeligheidsreactie: immuuncomplexen
o Type 4 overgevoeligheidsreactie: T cel gemedieerd
o geassocieerd met ongemak
o Ook gunstige effecten:
➔ Verwijderen antigeen/toxines
➔ IgE → immuniteit tegen parasieten
➔ Risico op kanker verlaagd
1
,HOOFDSTUK 1: IMMUNOMODULATIE (EDITH STUYVEN)
IMMUNOSUPPRESIE
NIET-SPECIFIEKE IMMUNOSUPPRESSIE (NIET DOELGERICHT)
Niet specifiek => niet doelgericht => gaat heel breed werken, maar met veel neveneffecten als nadeel
IONISERENDE RADIATIE: X STRALEN
Wrs niet gevraagd op examen, eventueel wel in een opsomming van niet-specifieke immunosuppressie
- Base beschadiging DNA → deleties
- => DNA breuken
- => Vorming van O- en OH- radicalen met peroxiden vorming
CORICOSTEROÏDEN
Belangrijk deeltje; je moet weten hoe ze werken!
Steroïd receptoren zijn terug te vinden in het cytoplasma gecomplexeerd met heat shock proteïne, Hsp90
Steroïden passeren de celmembraan en binden aan de steroïd receptor en stellen Hsp 90 vrij
Het steroïd:R complex kan nu de nucleaire membraan passeren
→ In de nucleus: de steroid receptor bindt aan specifieke genen regulerende sequenties en activeert transcriptie
→ De steroïd receptor kan interageren met NFkB en inhibeert daarbij transcriptie van NFkB target genen
Is een hormoon: hormoon heeft tijd nodig om te werken: gaat binden op een receptor
- Het corticosteroïd (hormoon) kan door lipofiel karakter door celmembraan dringen => in cytoplasma
gaat het binden op zijn receptor (steroïdR is verbonden met een heatshock proteïne) => Hsp90 gaat
receptor loslaten => hormoon-R complex dringt kern binnen => complex gaat op bepaalde elementen
(in het DNA) (glucocorticosteroïd responsieve elementen (GRE)) binden => iets stimuleren/inhiberen)
(bepaald EW afgeschreven of bepaald EW geïnhibeerd) => biologische respons
- Gevoeligheid voor diersoorten is heel afh: corticosteroïden dosis per dier verschillend !!
2
, STAPGEWIJS MODEL VAN STEROÏD HORMOON ACTIE (ZELFDE ALS HIERBOVEN)
- Glucocorticoïden → Passief doorheen celmembraan
o → In cytoplasma: binden aan receptor
o G + GR (HSP90)2 → G-GR + HSP90 ➔ fosforylatie ➔ G-GR-fosfaat
o → Naar celkern: G-GR-fosfaat bindt aan GRE van DNA
o → Regulatorisch effect op promotoren (stukjes voor de genen) van genen (steroïd-gevoelige
genen: 1% vh genoom)
GRE+: stimulerend
▪ Neutraal endonuclease → apaoptosis
o Enzyme dat gaat knippen => cellen gaan in apoptose
▪ Lipocortines (annexines)→ inhibitie van fosfolipase A2 → daling van LT en
PG (↔ Fosfolipase A2)
o Dit is het grootste effect
o Inhibitie fosfolipase A2 veroorzaakt een daling van leukotrieën en
prostaglandines
▪ Beta2-receptoren
▪ Stijging van IkBa → blokkade van NFkB
o Inhiberend EW die een blokkade veroorzaakt voor Nfkb
GRE -: remmend
▪ GR
o Remmend op de receptor zelf: zodra er iets gaat binden gat er een
terugslag gebeuren en een inhiberend effect zijn op de
glucocorticoïdR => minder receptoren gevormd
▪ Cytokinen: IL-1, TNFalfa, IL-8
o Bepaalde cytokines niet meer geproduceerd (echt
immunosuppressie)
▪ Remming Cyclooxygenase → daling PG (prostaglandine)
▪ Cellulaire fosfolipase geremd
▪ Neutrofielen adhesiemoleculen geremd
o Neutrofielen kunnen minder uit de bloedbaan
▪ Fosfolipase A2 geremd
GROOTSTE EFFECTEN VAN GLUCOCORTICOSTEROÏDEN IN IMMUNOSUPPRESSIE
- Apoptose van bepaalde cellen: Circulerende lymfocyten:
o Depletie: lymfolyse (endonuclease gesecreteerd) => apoptose
➔ Vooral proefdieren
o Veranderingen in lymfocytenrecirculatie (mens, apen, cavia: lymfocyten blijven meer lokaal
en gaan minder circuleren
o Paarden, runderen, kippen: stijging neutro’s, daling lymfo’s, baso’s, eosino’s
o => diersoortverschil in gebruik
o Indicaties: acute/chronische immunologische of inflammatoire ontstekingsaandoeningen
- Daling van cytokines: minder effectief zijn van de lymfo’s (T-cellen):
o Daling cytokineproductie door T-cellen
o NK cellen en B-cellen: veel meer resistent voor corticosteroïden
o => dus in algemeen meer effect op T lymfocyten
- Daling in adhesie moleculen: Anti-ontsteking:
o Chemotaxis daling (minder cellen aangetrokken door daling bv IL8)
o ADCC (As afh cytotoxiciteit) en fagocytose daling
3
HUISDIEREN
0
,INLEIDING
Slides = belangrijkste (jaarlijkse update) – beschikbaar via ufora
Cursus vormt een aanvulling/extra uitleg die kan helpen als iets niet duidelijk is
Cursus deel auto-immuunziekten bevat uitgebreide schema’s van auto-immuunziektes
Onderzoeken aan het laboratorium voor immunologie:
- Immuniteit ter hoogte van mucosa bij meerdere diersoorten
- Focus op varken en darmimmuniteit
- Orale vaccinatie strategieën gebruikmakende van antistoffen die de mucosa targetten
Overgevoeligheidsreacties:
- 4 types overgevoeligheidsreacties:
o Type 1 overgevoeligheidsreactie: IgE gemedieerd
o Type 2 overgevoeligheidsreactie: complement gemedieerd
o Type 3 overgevoeligheidsreactie: immuuncomplexen
o Type 4 overgevoeligheidsreactie: T cel gemedieerd
o geassocieerd met ongemak
o Ook gunstige effecten:
➔ Verwijderen antigeen/toxines
➔ IgE → immuniteit tegen parasieten
➔ Risico op kanker verlaagd
1
,HOOFDSTUK 1: IMMUNOMODULATIE (EDITH STUYVEN)
IMMUNOSUPPRESIE
NIET-SPECIFIEKE IMMUNOSUPPRESSIE (NIET DOELGERICHT)
Niet specifiek => niet doelgericht => gaat heel breed werken, maar met veel neveneffecten als nadeel
IONISERENDE RADIATIE: X STRALEN
Wrs niet gevraagd op examen, eventueel wel in een opsomming van niet-specifieke immunosuppressie
- Base beschadiging DNA → deleties
- => DNA breuken
- => Vorming van O- en OH- radicalen met peroxiden vorming
CORICOSTEROÏDEN
Belangrijk deeltje; je moet weten hoe ze werken!
Steroïd receptoren zijn terug te vinden in het cytoplasma gecomplexeerd met heat shock proteïne, Hsp90
Steroïden passeren de celmembraan en binden aan de steroïd receptor en stellen Hsp 90 vrij
Het steroïd:R complex kan nu de nucleaire membraan passeren
→ In de nucleus: de steroid receptor bindt aan specifieke genen regulerende sequenties en activeert transcriptie
→ De steroïd receptor kan interageren met NFkB en inhibeert daarbij transcriptie van NFkB target genen
Is een hormoon: hormoon heeft tijd nodig om te werken: gaat binden op een receptor
- Het corticosteroïd (hormoon) kan door lipofiel karakter door celmembraan dringen => in cytoplasma
gaat het binden op zijn receptor (steroïdR is verbonden met een heatshock proteïne) => Hsp90 gaat
receptor loslaten => hormoon-R complex dringt kern binnen => complex gaat op bepaalde elementen
(in het DNA) (glucocorticosteroïd responsieve elementen (GRE)) binden => iets stimuleren/inhiberen)
(bepaald EW afgeschreven of bepaald EW geïnhibeerd) => biologische respons
- Gevoeligheid voor diersoorten is heel afh: corticosteroïden dosis per dier verschillend !!
2
, STAPGEWIJS MODEL VAN STEROÏD HORMOON ACTIE (ZELFDE ALS HIERBOVEN)
- Glucocorticoïden → Passief doorheen celmembraan
o → In cytoplasma: binden aan receptor
o G + GR (HSP90)2 → G-GR + HSP90 ➔ fosforylatie ➔ G-GR-fosfaat
o → Naar celkern: G-GR-fosfaat bindt aan GRE van DNA
o → Regulatorisch effect op promotoren (stukjes voor de genen) van genen (steroïd-gevoelige
genen: 1% vh genoom)
GRE+: stimulerend
▪ Neutraal endonuclease → apaoptosis
o Enzyme dat gaat knippen => cellen gaan in apoptose
▪ Lipocortines (annexines)→ inhibitie van fosfolipase A2 → daling van LT en
PG (↔ Fosfolipase A2)
o Dit is het grootste effect
o Inhibitie fosfolipase A2 veroorzaakt een daling van leukotrieën en
prostaglandines
▪ Beta2-receptoren
▪ Stijging van IkBa → blokkade van NFkB
o Inhiberend EW die een blokkade veroorzaakt voor Nfkb
GRE -: remmend
▪ GR
o Remmend op de receptor zelf: zodra er iets gaat binden gat er een
terugslag gebeuren en een inhiberend effect zijn op de
glucocorticoïdR => minder receptoren gevormd
▪ Cytokinen: IL-1, TNFalfa, IL-8
o Bepaalde cytokines niet meer geproduceerd (echt
immunosuppressie)
▪ Remming Cyclooxygenase → daling PG (prostaglandine)
▪ Cellulaire fosfolipase geremd
▪ Neutrofielen adhesiemoleculen geremd
o Neutrofielen kunnen minder uit de bloedbaan
▪ Fosfolipase A2 geremd
GROOTSTE EFFECTEN VAN GLUCOCORTICOSTEROÏDEN IN IMMUNOSUPPRESSIE
- Apoptose van bepaalde cellen: Circulerende lymfocyten:
o Depletie: lymfolyse (endonuclease gesecreteerd) => apoptose
➔ Vooral proefdieren
o Veranderingen in lymfocytenrecirculatie (mens, apen, cavia: lymfocyten blijven meer lokaal
en gaan minder circuleren
o Paarden, runderen, kippen: stijging neutro’s, daling lymfo’s, baso’s, eosino’s
o => diersoortverschil in gebruik
o Indicaties: acute/chronische immunologische of inflammatoire ontstekingsaandoeningen
- Daling van cytokines: minder effectief zijn van de lymfo’s (T-cellen):
o Daling cytokineproductie door T-cellen
o NK cellen en B-cellen: veel meer resistent voor corticosteroïden
o => dus in algemeen meer effect op T lymfocyten
- Daling in adhesie moleculen: Anti-ontsteking:
o Chemotaxis daling (minder cellen aangetrokken door daling bv IL8)
o ADCC (As afh cytotoxiciteit) en fagocytose daling
3