Hoofdstuk 2: De cel, de basiseenheid van het leven
Leerdoelen
De student bespreekt de cel als de basiseenheid van het leven
o De student somt de kenmerken van de moderne celtheorie op
o De student bespreekt het verschil tussen prokaryote en eukaryote
cellen
o De student bespreekt de kenmerken en de functie van de
verschillende celorganellen
Cytosol, cytoskelet, celmembraan, kern of nucleus,
endoplasmatisch reticulum, ribsomen, Golgi-apparaat,
lysosomen, microlichaampjes, mitochondriën,
cytoplasmatische inclusies
o De student bespreekt de kenmerken en de functie van de
celorganellen, die specifiek zijn voor een plantencel
Chloroplasten, plastiden, vacuole, celwand
o De student duidt de verschillende celcompartimenten aan op een
figuur
De student bespreekt het transport in en uit de cellen
o De student bespreekt het transport via vrije diffusie
o De student bespreekt het transport via versnelde diffusie via
carrierproteïnen
o De student bespreekt het transport via versnelde diffusie via
ionenkanalen
o De student bespreekt het transport via osmose
o De student bespreekt het transport via actief transport
o De student bespreekt het transport via endo-en exocytose
De student bespreekt endosymbiose
De student somt de opeenvolgende niveaus van de hiërarchische
organisatie op
Wat zit er in een cel?
De moderne celtheorie
Geschiedenis van de cel:
A. van R. Hooke Schleiden en Schwann
Leeuwenhoek
1632-1723 1635-1703 (1804-1881) en (1810-1882)
Zag als eerste een ‘cel’ Insectenvleugels Duitse botanicus en zoöloog
Euglena en bacteriën Bestudeerde dood Celstructuur in planten en
, BLT03: Biologie
materiaal dieren
Bestudeerde levend Gebruikte als eerste de Drager van leven is de
materiaal term ‘cel’ inhoud v/d cel (protoplast)
en dus niet de celwand zelf!
Stellingen celtheorie:
Alle levende wezens zijn opgebouwd uit één of meerdere cellen
Alle cellen stemmen in hun basisstructuur overeen
De functies van de levende wezens zijn het resultaat van de functies
v/d cellen
Alle cellen ontstaan uit cellen (celdeling), ze ontstaan niet spontaan
Het verschil tussen prokaryoten en eukaryoten
PROKARYOOT = cellen waarin kernmateriaal niet omgeven wordt door een
kernmembraan geen kern
EUKARYOOT = gekernde cellen (planten en dieren)
, BLT03: Biologie
Leerpad ‘Wat zit er in een cel?’
Eukaryoten
Eukaryotische cellen (= echte kern):
Vinden we terug bij planten, dieren, fungi en het rijk van de protisten
De cel = kleinste levende en functionele eenheid van een organisme
Stamt af van een primitieve eicel dat werd bevrucht door een
spermatozoön
Is omnipotent = kan zich vermenigvuldigen en aanleiding
geven tot andere soorten cellen om een functie uit te voeren
(=celdifferentiatie)
Opgebouwd uit protoplasma
Bevat membraanomgeven organellen, voordelig voor
celmetabolisme
10-25 x groter dan prokaryoten
Dierlijke cellen (de celorganellen):
Kern of nucleus
Eigenschappen en opbouw:
Dubbelmembraan met perinucleaire ruimte
ertussen
Bevat genetisch materiaal dat celactiviteiten
controleert
Bevat poriën: gevormde RNA migreert van
nucleoplasma naar cytoplasma
Bevat kernskelet: fijn vezelnetwerk in de kern
Functie:
Verpakking rRNA met ribosomale proteïnen ribosomen
Productie ribosomaal (r)RNA
DNA- duplicatie In nucleoli of
RNA-productie kernlichaampje
Ribosomen
Eigenschappen en opbouw:
Bolvormige structuren bestaande uit twee
subeenheden
- 65% RNA
- 35% proteïnen
Zowel vrij als gebonden aan het ruw
endoplasmatisch reticulum
Polysoom = lange keten ribosomen
Functie: