In P zin staat nooit een LV juist
Wat is taal? def. ≠ kennen
3 facetten v taal:
1. Semantiek (betekenen),
2. Syntaxis (combineren), vral hierop concentreren
3. Pragmatiek (handelen)
Wat is grammatica? Taalgebruiker – taalbeschrijver
Wat is (on)grammaticaal
3 aspecten v taal:
1. Semantiek (~ betekenis)
2. Pragmatiek (~ praktisch/bruikbaar)
3. Grammatica
Vb. Jan / een / kopen / huis / (mooi) / (voor haar) Jan / koopt / een (mooi) huis / voor haar.
O pv LV MV
BV
Hoe kan ik beschrijven/bespreken – wat doet er mee
WW bepaalt wat er in de zin komt
MV altijd met vz ‘AAN’
‘voor haar’ BV (Belanghebbend Vwp)
Vb. Het is een mooie dag.
Bep. ww. (Onbep.) adj. subs.
Lw lw
WOORDSOORTEN
NDL = 10 woordsoorten:
1. Het zelfstandig naamwoord (ZN) (substantief/nomen)
2. Het bijvoeglijk naamwoord (BN) (adjectief)
3. Het telwoord (TW) (numerale)
4. Het voornaamwoord (VNW) (pronomen)
5. Het bijwoord (BW) (adverbium)
6. Het voegwoord (VW) (conjunctie)
7. Het voorzetsel (VZ) (prepositie)
8. Het lidwoord (LW) (artikel)
9. Het werkwoord (WW) (verbum)
10. Het tussenwerpsel (interjectie)
1
,TUSSENWERPSEL
Herken je aan leestekens
Vaak klanknabootsingen (bv. Oef, brr, pff)
LIDWOORDEN (LW.)
2 categorieën:
1. Onbepaalde: ‘een’
2. Bepaalde: ‘de/het’
Staat ALTIJD bij substantief k NOOIT optreden ZONDER substantief!
Bv. Het is een mooie dag. ≠ LW
VOEGWOORDEN (VW.)
(helpen functie bepalen – verband tssn 2 zinnen en wat dat verband is)
Zijn ONVERANDERDERLIJK
2 categorieën:
1. Nevenschikkend:
- en toevoeging (2 gelijkwaardige ZD naast elkaar)
- maar tgnst.
- want Reden
- of Keuze
- dus gvlg
2. Onderschikkend:
- Omdat Reden
- Dat (weinig betekenis)
- Als Voorwaarde
- Zodat Gevolg
- Hoewel Toegeving
- Terwijl – nadat – voordat - Tijd
zodra
TELWOORDEN (TW.)
(geeft HH/rangorde v/e zelfstandig iets aan)
3 categorieën:
1. Tellend telwoord:
o Bepaald (hoofdtelwoorden): bv. Cijfers: 2, 13, 25…
o Onbepaald: bv. Veel, honderden, een vijftal…
2. Ordende telwoorden (= rangtelwoorden): bv. 1ste, 2e , 30ste …
3. Absolute telwoorden: bv. Beide (als gaat over 2), alle (=verzameling)
VOORZETSELS (VZ.)
(geeft relatie aan tssn het ZD wrv het deel uitmaakt en rest v/d zin ~ leiden vaak
BWB in)
Zijn ONVERANDERLIJK
Mogelijkse relaties zijn: plaats, tijd, toegeving, doel, reden, middel, begeleiding…
2
, Bv. Aan, op, om, tegen, voor, niettegenstaande, wegens, owv, met…
Vb. Hij eet met een lepel. ( middel) Hij eet met zijn vrouw. (
begeleiding)
BIJWOORDEN (BW.)
(vaak functie BWB – geeft nadere specificatie)
ALTIJD ONVERANDERLIJK => bv. ‘morgen’ ≠ mv, vormverandering,
verkleinwoord
Geeft een nadere specificatie v: eigenschap – toestand – werking
K verwijzen nr:
o Plaats: bv. Daar, elders, overal
o Tijdstip: bv. Toen, nooit, altijd
o Wijze: bv. Zo, anders, hoe
Aanvulling: de voornaamwoordelijke bijwoorden:
- Vervangt een woordgroep bestaande uit:
o vz + vnw (zaak/groep personen) bv daarnaar (naar dat)
o vz + bw bv waartoe (tot waar)
ZELFSTANDIG NAAMWOORD (ZN.) = SUBSTANTIEF
2 categorieën:
1. EIGENNAMEN (noemen een entiteit):
- Persoonsnamen
- Namen v landen
- Provincies en steden
- Namen v mndn/wkdagen
- Namen v talen
- Politieke en culturele bewegingen
- Namen v bergen en rivieren
2. SOORTNAMEN (noemen de klasse waartoe een entiteit behoort):
- Telbaar: bv stoel, vriend
- Niet-telbaar: bv stofnamen (melk), verzamelnamen (vee) & woorden die
een fysieke/psychische toestand noemen (honger, haat)
- => Stofnamen & emoties je k mv v mkn mr verschuift dan v
categorie:
o Bv stofnaam: bier ‘biertje’ w tastbaar
o Woordsoort blauw = adj. verkleinwoord + mv = ‘blauwtjes’
(=subs)
Kenmerken – hoe herkennen?
1. Genus: de-woorden & het-woorden
2. MV-vorming: -en (boeken), -s (koks) of -eren (kinderen)
3. Verkleinwoorden: -je (koekje) & varianten: -tje, -etje, -kje, pje
BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN (BN.)
geven kenmerken/kwaliteiten v/e subs. = eigenschapsaanduider
Gebruikswijzen:
1. attributief (vr subst.) de snelle atleet
3
, 2. predicatief (bij Kww) de atleet is snel
3. adverbiaal (als satelliet – zegt iets over ww) de atleet loopt snel
Kenmerken – hoe herkennen?
1. Buigings-e: een mooi meisje het mooie meisje
2. Substantiverings-s = nominalisering -s: iets moois
3. Trappen v vgl:
POSITIEF COMPERATIEF SUPERLATIEF
= STELLENDE TRAP = VERGROTENDE TRAP = OVERTREFFENDE
TRAP
MOOI MOOIER MOOIST
‘meer’ & ‘meest’ in NDL in opmars dr invloed v andere talen (Engels)
VOORNAAMWOORDEN (VN.)
= verzamelnaam voor verschillende groepen - Dienen om nr iets te verwijzen
(wijst nr (eigenschap v) personen/zaken, mr benoemt/beschrijft ze niet 7
subcategorieën:
1) PERSOONLIJK VNW
Pers, getal, genus:
- Personen: 1e , 2e , 3e persoon (2e p. beleefdheidsvorm en
vertrouwlijkheidsvorm)
- Getallen: Enk./mv.
- Genera: m/vr/onz
Onderscheid: onderwerp- & voorwerpvorm
Volle en doffe vorm
Onderwerp Voorwerp
Vol Dof Vol Dof
1e p.enk. Ik ‘k Mij Me
2 p.enk.
e
Jij Je Jou Je
Gij Ge U /
U / U /
3e p.enk. M Hij Ie Hem ‘m
3 p.enk. V
e
Zij Ze Haar Ze (d’r, ‘r)
3 p.enk. O
e
/ Het (‘t) / Het (‘t)
1 p.mv
e
Wij We Ons /
2e p.mv Jullie Je Jullie Je
Gij Ge U /
U / U /
3 p.mv
e
Zij Ze Hen/hun Ze
2) BEZITTELIJKE VNW
3personen, 2 getallen + Volle & doffe vorm
4