1. Psychologie: een palet vol theorieën...........................................................1
1.1 inleiding..................................................................................................................... 1
1.2 wat is psychologie?................................................................................................... 1
1.3 theorieën................................................................................................................... 1
1.4 kenmerken van psychologische stromingen..............................................................2
1.5 indelingen van theoretische stromingen...................................................................4
Extra: Biopsychosociaal model........................................................................................7
2. Psychoanalyse..........................................................................................10
2.1 typering van de psychoanalyse...............................................................................16
2.5 toepassingen van de psychoanalyse in hulpverlening en opvoeding.......................18
3. Behaviorisme........................................................................................... 20
3.1 typering van behaviorisme......................................................................................20
3.2 leerprocessen.......................................................................................................... 23
3.3 nieuwe ontwikkelings in de leerpsychologie............................................................26
3.4 verklaren van psychische stoornissen.....................................................................27
3.5 praktische toepassingen van leerpsychologie in hulpverlening en opvoeding.........27
3.6 kanttekeningen....................................................................................................... 29
4. Humanistische psychologie.......................................................................31
4.1 typering van de humanistische psychologie en Rogers...........................................31
4.2 de theorie van Rogers............................................................................................. 37
4.3 nieuwe ontwikkelingen: uitwaaiering en positieve psychologie...............................41
4.4 verklaren van psychische stoornissen.....................................................................42
4.5 praktische toepassingen van rogeriaanse principes hulpverlening en opvoeding. . .43
4.6 kanttekeningen....................................................................................................... 45
5. cognitieve psychologie.............................................................................46
5.1 typering van de cognitieve psychologie..................................................................46
5.2 theorieën over cognitie...........................................................................................50
5.3 nieuwe ontwikkelingen............................................................................................58
5.4 verklaren van psychische stoornissen.....................................................................61
5.5 praktische toepassingen van cognitieve sychologie in hulpverlening en opvoeding
...................................................................................................................................... 61
5.6 kanttekeningen....................................................................................................... 67
6. systeemtheorie........................................................................................68
, 6.1 typering van de algemene systeemtheorie.............................................................68
6.2 systeemtheorieën.................................................................................................... 72
6.3 nieuwe ontwikkelingen na de strategische stroming...............................................75
6.4 verklaren van psychische stoornissen.....................................................................77
6.5 praktische toepassingen van systeemtheorie in hulpverlening en opvoeding.........78
6.6 kanttekeningen....................................................................................................... 78
8. biologische psychologie............................................................................80
8.1 typering van de biologische psychologie.................................................................80
8.2 theorieën over erfelijkheid en hersenen..................................................................83
8.5 Kanttekeningen....................................................................................................... 92
samenvatting............................................................................................... 94
,1. PSYCHOLOGIE: EEN PALET VOL THEORIEËN
1.1 INLEIDING
1.2 WAT IS PSYCHOLOGIE?
studieonderwerp/object van psychologie:
- onenigheid over definitie
- geen eenduidigheid over object/studieonderwerp:
o extern:
= tussen de psychologie en andere (mens)wetenschappen
veel raakvlakken met andere mens- of sociale wetenschappen
o intern:
= verschillende theoretische stromingen binnen de psychologie +
de daarmee samenhangede methode waarmee kennis wordt
verworven
veel meningsverschillen tussen psychologen
- Voorbeeld: ADHD
o psycholoog: Wat ervaart iemand met ADHD? Welke beperkingen levert
ADHD op?
o arts: Welke hersenstofjes zijn tekort? Welke medicatie is er?
o socioloog: Toename van ADHD in laatste 50 jaar? Welke maatschappelijke
invloeden zijn er?
poging tot definiëren van psychologie:
- definitie in boek: ‘psychologie is een wetenschap die het gedrag van mensen +
gevoelens en gedachten die mensen ervaren van hun gedrag en omstandigheden
waarin het plaatsvindt bestudeert’
- verschil met andere wetenschappen:
o psychologie: beschrijving / verklaring object vinden plaats op individueel
niveau
o vb. sociologie: wordt meer naar maatschappelijke / groepsverbanden
gekeken
- poging tot definiëren wetenschap aan de hand van 3 factoren:
o soorten vragen en problemen (object)
o methoden en theorieën
dynamisch spel tussen factoren grenzen tussen wetenschappen
liggen niet vast
o maatschappelijk draagvlak:
grenzen + legitimiteit beïnvloedt hierdoor
weerklank in de maatschappij
gepsychologiseerde wereld:
= manier waarop burger maatschappelijke verschijnselen
ervaart wordt mede bepaald door psychologische theorieën
westerse wereld
ligt niet vast (vb. in ’60 meer draagvlak bij sociologie, nu meer bij
biologie)
1.3 THEORIEËN
theorieën:
1
, - = referentiekaders van waaruit psychologen tewerk gaan
- bieden interpretaties om verschijnselen te verhelderen + bekijken
- grote verscheidenheid eenzelfde verschijnsel wordt verschillend beschreven +
verklaard
functies van theorieën:
- 3 functies:
o systematiseren / ordenen:
Griekse woord ‘theoria’/‘beschouwing’
beschrijven
dagelijkse / wetenschappelijke kennis:
dagelijkse kennis: persoonlijk gekleurd + weinig
systematisch
wetenschappelijke kennis: via expliciete regels + duidelijk +
controleerbaar + herhaalbaar
waarschuwing:
menselijke waarneming is gekleurd door
behoeften/emoties/kennis
bij wetenschappers is het theoriegeladen door
referentiekader
o verklaren / voorspellen van gedrag
o heuristische functie: een theorie is nooit af levert nieuwe ideeën op
- KADER 2 LEZEN P. 25
1.4 KENMERKEN VAN PSYCHOLOGISCHE STROMINGEN
1.4.1 GESCHIEDENIS VAN THEORETISCHE STROMINGEN
historische ontwikkeling:
- theoretische stromingen kennen lange geschiedenis
wortels in oude filosofische tradities / nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen
- start wetenschappelijke psychologie:
o 130 jaar geleden
o filosofische tradities waaruit zij voortkwamen herleiden tot oude Grieken
- 1889: Eerste Internationale Congres voor de Psychologie:
o doel psychologie liep uiteen
o dominante mening Europa: psychologie moet alomvattende theorie van
psychisch functioneren hebben
o dominante mening VS: maatschappelijke problemen moeten
theorievorming bepalen
- ontstonden meerdere stromingen:
o vergelijken met belangrijke maatschappelijke / geestelijke stromingen
(liberalisme, socialisme, christendom, islam, …)
o binnen stroming ontstond schoolvorming ( scholen bestreden elkaar,
vonden andere bevindingen irrelevant, ontwikkelde eigen begrippen,
richtten eigen verenigingen op, …)
cultuurhistorische bepaaldheid:
- politiek partijen + psychologische stromingen zijn product van de tijd
- altijd te verklaren waarom bepaalde stromingen op bepaald moment ontstonden
- behoefte van periode + vertegenwoordigden waarden/normen
2
, op elkaar reageren:
- politieke partijen:
o bestaande partijen verwaarlozen belangrijk maatschappelijk probleem
oprichting nieuwe partij die zich daarmee bezighoudt
o vb. verwaarlozing milieu ’70 oprichting ‘groene’ partijen
- psychologie:
o ontstaan psychologische stromingen kent hetzelfde mechanisme
o vb. behaviorisme verwaarloosde cognitieve eigenschappen mens
oprichting cognitieve psychologie
slingerbeweging:
- vb. politiek:
o ’50 onderwijs werd gestimuleerd ’80 bezuinigingen op onderwijs
achterstand door bezuinigingen dus opnieuw onderwijs stimuleren
- vb. psychologie:
o autoritaire hulpverlening ’50 non-directieve manier van hulpverlening
’80 opkomst directieve hulpverleningstechnieken
gebruikmaken van elkaar:
- partijen / psychologie nemen elkaars standpunten over (‘onbewuste’
oorspronkelijk van psychoanalyse, nu ook bij cognitieve psychologie)
- te weinig draagvlak samenvoegen:
o politieke fusies
o gedragstherapie: behavioristische + cognitieve opvattingen
o directieve therapie: gedragstherapie + systeemtheorie
historisch bepaald meer behoefte aan flexibele / pragmatische
opvattingen
nadruk op effectiviteit: evidence based:
- theorie + daarop gebaseerde behandeling moet bewijzen dat ze werkt
- toegepaste methoden onderzoeken op effectiviteit
- afkomstig uit medische wetenschap
1.4.2 MENSBEELDEN BIJ THEORETISCHE STROMINGEN
een stroming heeft een mensbeeld:
- mensbeeld:
o = hoe ‘de mens’ opgevat wordt
o beïnvloed door historische, culturele, religieuze invloeden
o consequenties voor opvattingen over gezondheid/ziekte
- 2 aspecten van een mensbeeld
o beschrijving van kenmerkende eigenschappen:
verschil mensen / dieren
verschil kinderen / volwassenen
o verwijzing naar hoe mensen behoren te zijn/zich moeten gedragen:
= doelbeeld
morele visie
sturen ons eigen handelen + beoordelen gedrag van anderen
3