Inhoudsopgave ............................................................................................................................. 1
PPT 1 ............................................................................................................................................ 1
1. Start en oriëntatie .........................................................................................................................1
2. Wat is armoede? ...........................................................................................................................2
3. Wat is sociale ongelijkheid? ...........................................................................................................3
4. Betekenis voor sociaal werk? .........................................................................................................4
PPT 2 ............................................................................................................................................ 5
5. Armoede en definities ...................................................................................................................5
6. 6 perspectieven op armoede – Jan Vranken ....................................................................................5
7. Web van armoede .........................................................................................................................6
8. Klovenmodel ................................................................................................................................7
9. Armoede in kaart en cijfers ............................................................................................................7
10. Sociale ongelijkheid ....................................................................................................................9
11. Schaarste – theorie van Mullainathan & Shafir............................................................................. 10
PPT 3 ...........................................................................................................................................13
12. World Social Work Day WSWD ................................................................................................... 13
13. Armoede en epistemische rechtvaardigheid – bescheidenheid .................................................... 13
14. Resonantie ............................................................................................................................... 15
15. Armoede en ongelijkheid bij jongeren in de jeugdzorg .................................................................. 16
16. Gastsprekers – 3 perspectieven, 1 verhaal .................................................................................. 19
PPT 4 ...........................................................................................................................................22
17. Vrije tijd .................................................................................................................................... 22
18. Iedereen Verdient Vakantie – Toerisme Vlaanderen ..................................................................... 25
Leerpaden ...................................................................................................................................30
1
,PPT 1
1. START EN ORIËNTATIE
Waarom dit OLOD?
- "Armoede overwinnen is geen gebaar van naastenliefde. Het is een daad van rechtvaardigheid.
Het is de bescherming van een fundamenteel mensenrecht, het recht op waardigheid en een
fatsoenlijk leven.” – Nelson Mandela
- armoede bestaat ook in een welvaartsstaat
- ongelijkheid groeit
- SW staat hier middenin
- je zal dit thema tegenkomen in elk domein van SW: OCMW, jeugdzorg, welzijn, beleid, arbeid en
tewerkstelling, …
- onze invalshoeken:
o ervaringskennis
o praktijkkennis
o wetenschappelijke kennis
Van buikgevoel naar analyse:
- buikgevoel is niet hetzelfde als analyse
- beeldvorming is niet hetzelfde als werkelijkheid
- dit OLOD = leren kijken voorbij dominante verhalen
→ SW vraagt dat je leert twijfelen aan je eerste indruk
- casus: 13% van de kinderen in België leeft in armoede: groter risico wanneer moeders er alleen
voor staan:
o Armoede als multidimensionaal fenomeen:
▪ cijfer wijst niet alleen op inkomensarmoede, maar op:
• sociale uitsluiting
• ongelijke ontwikkelingskansen
• capability (vermogen)-beperkingen (Sen)
• sociale reproductie (Bourdieu) – sociale positie van ouders is bepalend
voor het kind
▪ kinderen missen niet enkel materiële zaken, maar:
• cultureel kapitaal (= kennis, vaardigheden, opleiding,..)
• sociale participatiekansen (= arbeid, dagbesteding, onderwijs,...)
• symbolisch kapitaal (= erbij horen)
o capability-analyse (vermogensanalyse)
▪ volgens Sen en Nussbaum gaat het hier om beperking van capabilities:
• ontwikkelingsmogelijkheden
• onderwijsdeelname
• sociale integratie
• toekomstperspectief
▪ het probleem is dus niet enkel “lage koopkracht”, maar beperkte reële vrijheid
o sociale reproductie
▪ wanneer kinderen structureel minder toegang hebben tot:
• boeken
• schooluitstappen
• culturele activiteiten
▪ dan wordt ongelijkheid over generaties heen gereproduceerd
1
, ▪ armoede wordt dan intergenerationeel
- https://youtu.be/hxPoxUfY_bY?si=hQrFSAo8KzEVvJ0_
2. WAT IS ARMOEDE?
tijdlijn:
- prehistorie & oudheid:
o armoede = bestaansonzekerheid, ongelijkheid, afhankelijkheid
o hulpverlening = informeel, vooral in familieband, stamverband
- middeleeuwen:
o armoede = collectieve ervaring, religie, stigmatisering
o hulpverlening = familie en dorpsgemeenschap, armenzorg (kloosters, armenhuizen,..)
- vroegmoderne tijd (1500 – 1800):
o armoede = door groei van steden en economische crisis, overheidsbemoeienis
o hulpverlening = familie als eerste vangnet, armenzorg door steden, armenwetten (GB –
Poor Laws), registratie van de armen, werkhuizen voor werklozen, tuchthuizen voor “luie
armen”
- 19e eeuw:
o armoede = massale arbeidersarmoede, slechte woon- en werkomstandigheden,
o hulpverlening = caritas en parochiale armenzorg (gehoorzaamheid & goed gedrag),
gemeentelijke armenzorg, werkhuizen en controle, eerste vakbonden en mutualiteiten
- 20e eeuw:
o armoede = structurele kwetsbaarheid (= meer verborgen), 2 oorlogen, groeiende rol
overheid → nieuwe armoede (éénoudergezinnen, migratie,..)
o hulpverlening = voedselbedeling, OCMW (1976), sociale zekerheid → hulp wordt een
recht
- 21e eeuw:
o armoede = multidimensionaal en complex (digitale kloof, sociale uitsluiting, migratie en
vluchtelingen,..)
o hulpverlening = sociale kruideniers, voedselbanken, digitale inclusie, lokale hulp, hulp
via middenveld, integratie, preventie,…
- armoede is meer dan geld tekort (leerpad):
armoede betekent tekorten op meerdere levensdomeinen (leerpad
https://youtu.be/OfutftlbZUU?si=zfdPT_BhoxmdhNzP):
- inkomen
- wonen
- gezondheid
- onderwijs
- vrije tijd
- sociale relaties
- …
De realiteit van schaarste: leven in armoede is leven met stress:
- constante zorgen: rekeningen, huur, eten, onverwachte Kosten,…
- onzekerheid: niet weten of je het einde van de maand haalt
- keuzes onder druk & schaamte: het gevoel niet mee te kunnen doen
- mentale belasting: stress vreet energie → het maakt plannen, leren en beslissen moeilijker →
schaarste & tunnelvisie
2
, - gezondheidseffecten: burn-out, depressie en lichamelijke klachten
- → “Chronische geldstress beperkt tijdelijk het denken, plannen en beslissen, niet door gebrek
aan motivatie, maar door overbelasting”
Soorten armoede en ongelijkheid:
- cumulatie van problemen:
o problemen versterken elkaar
o geen losse puzzelstukjes
o vicieuze cirkel
o vb. slechte woning → gezondheidsproblemen → werkproblemen → inkomensverlies
- soorten armoede:
o absolute armoede:
▪ onvoldoende om te overleven
▪ basisbehoeften niet verzekerd:
• onvoldoende voedsel
• schoon drinkwater
• onderdak
• basisgezondheidszorg
• kleding en bescherming tegen weersomstandigheden
▪ vooral in lage-inkomenslanden
▪ vaak gemeten met inkomensgrens
o relatieve armoede:
▪ niet volwaardig kunnen deelnemen
▪ achterblijven ten opzichte van de samenleving:
• tekort aan middelen
• moeite hebben om sport, cultuur, sociale activiteiten te betalen
• geen geld voor laptop, schoolreis, verjaardag
• energie en/of woonkosten die te groot deel van inkomen opslokken
• steeds moeten kiezen tussen noodzakelijke uitgaven
▪ wordt bepaald in verhouding tot de welvaart van andere landen → 60% van het
mediaan inkomen is meest voorkomende vorm in België
3. WAT IS SOCIALE ONGELIJKHEID?
sociale ongelijkheid:
- structurele verschillen tussen groepen
- in kansen, middelen en macht
- ongelijkheid gaat niet over individuen, maar over patronen
- https://youtu.be/hFXWRyprU0o?si=_nYdjXbtnsVwXVFh
- niet elke ongelijkheid is onrechtvaardig:
o verschillen zijn normaal
o ongelijkheid wordt problematisch als ze structureel is
o SW kijkt naar structurele ongelijkheid
startpositie telt / wiegbonus:
- niet iedereen start aan dezelfde startlijn:
o gezin
o onderwijs
3