INLEIDING
Afbakening van politiek
4 elementen (Miller):
1) collectieve activiteit
2) verschillende meningen
3) verzoening
4) legitieme autoriteit
Welke vragen moet men zich stellen?
1) staatshoofd?
--> monarchie (B, N, L, S, VK, N, D, Z) of president
2) politiek systeem?
--> parlementair, semi-presidentieel of presidentieel
3) parlementen?
--> eenkamerstelsels (Scandinavië) VS tweekamerstelsels (N, D, F, B)
4) partijsystemen?
--> tweepartijsysteem (VK), tweeënhalfpartijsysteem (Den.) of
multipartijsysteem (B)
5) regeringsmeerderheid?
--> een- /meerpartijregering; minderheidsregering (N), gewone of
oversized coalitie
6) electorale systemen?
--> meerderheidssysteem, gemengd systeem (D) of proportioneel systeem
7) staatsstructuur?
--> federaal (B, N), quasi-federaal (S, F) of gecentraliseerd systeem (VK)
Types tradities in vergelijkende politiek
Founding fathers:
- Aristoteles (zoön politikon)
- Machiavelli (Il Principe)
- Montesquieu (l’esprit des lois)
- Alexis de Tocqueville (la démocratie en Amerique)
Tradities:
- eenlandenstudies
- methodologisch (regels vastleggen)
- analytisch (vergelijking)
Evolutie door de tijd
4 tijdsperiodes:
, 1) Totstandkoming discipline (1880-1914)
a. staatswetenschap --> studie vd Grondwet
b. Weber, Parero en Michells
2) Golden age of comperative politics (1921-1966)
a. 2 breuken:
i. 1921 --> Chicago School was contra-constitutionalisme
ii. WOII: nieuw wereldbeeld (com., fasc. & dekolonisatie)
b. systemisch functionalisme verklaren
c. gevolgen: uitbreiding subjecten, grotere agenten & nieuwe
methoden
d. Sartori --> travelling problem (bv. staatsgreep in Afrika vs hier)
e. Lasswell --> nastreven 8 waarden (elk eigen hiërarchie, kan
veranderen)
f. besluitvormingsmodel van Easton
i. welke eisen behandeld worden is afh. van steun
ii. nood aan terugkoppeling?
3) Post-behavioralisme (1966-1989)
a. kritiek op behavioralisme: te abstract, A-historische benadering
(geen ruimte voor individuele gevallen), geen grand theory
b. nieuw institutionalisme: substantiële & geografische focus, nieuwe
methodologie, grotere diversiteit
bv. Lipset & Rokkan --> oorsprong politieke partijen
4) Tweede Wetenschappelijke Revolutie (1989-...)
a. meer logische elementen, actoren handelen uit eigenbelang
b. conclusie: cyclisch proces (slingerbeweging), grotere rol
interdependentie
Hoe vergelijken?
5 stappen:
1) Onderzoeksvraag
2) Verbinden theorie en praktijk
3) Case selection
a. hoeveel en welke?
i. extensieve strategie: breed met minder variabelen
ii. intensieve strategie: diep met meer variabelen
, b. 3 elementen: extensief/intensief, tijd & statistische uitspraak
c. types onderzoeksdesigns:
4) Logica van vergelijking
5) Twee methoden
--> Method of Difference & Method of Agreement
Risico’s van vergelijkende politiek
- travelling problem
- effecten van globalisering: no nation without an other nation, opkomst
BRIC-landen, ...
- selectiebias
- staten verschillen
H1: VERKIEZINGEN EN
VERKIEZINGEN IS TWEE
1.1 Inleiding
1.2 Een plejade aan verschillende regels
Kiesstelsels = geheel aan regels die bepalen hoe de verdeling van de stemmen
tussen de partijen kan omgezet worden in een verdeling van het beschikbare
aantal zetels onder die partijen.
Verschillen op 6 manieren:
1) Verschil in frequentie van verkiezingen
a. 2 jaar (VS & Bosnië)
b. 3 jaar (Mexico, Australië, ...)
c. 4 jaar (N, S, P, ...)
d. 5 jaar (B, F, VK, I, ...)
2) Verschil in samenstelling parlement
a. eenkamerstelsel (P, Scandinavië, ...)
b. tweekamerstelsel (F, I, S, N, B, ...)
--> organisatie Tweede Kamer
, - rechtstreekse verkiezing senatoren (B tot 2014, I, ...)
- via getrapt systeem (F & N)
- aangeduid door deelstaatregeringen (B vanaf 2014 &
D)
- keuze Eerste Minister (Canada)
- obv erfelijke titel of positie in kerk (VK)
3) Verschil in voorwerp van de verkiezing
--> presidents-, parlements- of gemeenteraadsverkiezing
4) Verschil in precieze tijdstip en initiatiefrecht voor de verkiezingen
a. datum ligt op voorhand vast (B)
b. premier mag zelf datum kiezen (VK & F)
i. bv. Thatcher (verkiezingen na Falklandoorlog)
ii. bv. Chirac (vervroegde verkiezingen in 1997, cohabitation
constructive)
5) Verschil naargelang tijdstip waarop uitkomst bekend wordt
a. meteen op verkiezingsavond (VK & D)
b. zijn start van lange coalitiebesprekingen (B & N)
6) Verschil in stemgerechtigden
a. stemplicht/opkomstplicht (B, G, ...)
b. stemrecht (N)
c. geslacht --> algemeen vrouwenstemrecht:
- 1918 --> D, 1928 --> VK, 1945 --> I, 1946 --> F, 1948
--> B
d. nationaliteit --> stemrecht niet-EU-burgers:
- 1985 --> N, 2002 --> B
1991, Verdrag van Maastricht --> EU-burgers mogen stemmen voor
gemeenteraads- en Europese verkiezingen
1.3 Verkiezingen als basis voor onze vergelijking
Drie redenen:
1) Toenemend aantal onderzoekers
2) Interesse vanuit politiek oogpunt
a. democratiseringsgolf in Middenlandse Zeegebied
b. democratisering van Centraal- en Oost-Europa
c. kieswethervormingen in West-Europa
3) Ze zijn belangrijk tout court
a. bepaalt hoe onze democratie functioneert & wie verkiezingen wint
Voordelen:
- informatie andere staten verbreedt kennis eigen stelsel
- optimaliseren politieke processen
Afbakening van politiek
4 elementen (Miller):
1) collectieve activiteit
2) verschillende meningen
3) verzoening
4) legitieme autoriteit
Welke vragen moet men zich stellen?
1) staatshoofd?
--> monarchie (B, N, L, S, VK, N, D, Z) of president
2) politiek systeem?
--> parlementair, semi-presidentieel of presidentieel
3) parlementen?
--> eenkamerstelsels (Scandinavië) VS tweekamerstelsels (N, D, F, B)
4) partijsystemen?
--> tweepartijsysteem (VK), tweeënhalfpartijsysteem (Den.) of
multipartijsysteem (B)
5) regeringsmeerderheid?
--> een- /meerpartijregering; minderheidsregering (N), gewone of
oversized coalitie
6) electorale systemen?
--> meerderheidssysteem, gemengd systeem (D) of proportioneel systeem
7) staatsstructuur?
--> federaal (B, N), quasi-federaal (S, F) of gecentraliseerd systeem (VK)
Types tradities in vergelijkende politiek
Founding fathers:
- Aristoteles (zoön politikon)
- Machiavelli (Il Principe)
- Montesquieu (l’esprit des lois)
- Alexis de Tocqueville (la démocratie en Amerique)
Tradities:
- eenlandenstudies
- methodologisch (regels vastleggen)
- analytisch (vergelijking)
Evolutie door de tijd
4 tijdsperiodes:
, 1) Totstandkoming discipline (1880-1914)
a. staatswetenschap --> studie vd Grondwet
b. Weber, Parero en Michells
2) Golden age of comperative politics (1921-1966)
a. 2 breuken:
i. 1921 --> Chicago School was contra-constitutionalisme
ii. WOII: nieuw wereldbeeld (com., fasc. & dekolonisatie)
b. systemisch functionalisme verklaren
c. gevolgen: uitbreiding subjecten, grotere agenten & nieuwe
methoden
d. Sartori --> travelling problem (bv. staatsgreep in Afrika vs hier)
e. Lasswell --> nastreven 8 waarden (elk eigen hiërarchie, kan
veranderen)
f. besluitvormingsmodel van Easton
i. welke eisen behandeld worden is afh. van steun
ii. nood aan terugkoppeling?
3) Post-behavioralisme (1966-1989)
a. kritiek op behavioralisme: te abstract, A-historische benadering
(geen ruimte voor individuele gevallen), geen grand theory
b. nieuw institutionalisme: substantiële & geografische focus, nieuwe
methodologie, grotere diversiteit
bv. Lipset & Rokkan --> oorsprong politieke partijen
4) Tweede Wetenschappelijke Revolutie (1989-...)
a. meer logische elementen, actoren handelen uit eigenbelang
b. conclusie: cyclisch proces (slingerbeweging), grotere rol
interdependentie
Hoe vergelijken?
5 stappen:
1) Onderzoeksvraag
2) Verbinden theorie en praktijk
3) Case selection
a. hoeveel en welke?
i. extensieve strategie: breed met minder variabelen
ii. intensieve strategie: diep met meer variabelen
, b. 3 elementen: extensief/intensief, tijd & statistische uitspraak
c. types onderzoeksdesigns:
4) Logica van vergelijking
5) Twee methoden
--> Method of Difference & Method of Agreement
Risico’s van vergelijkende politiek
- travelling problem
- effecten van globalisering: no nation without an other nation, opkomst
BRIC-landen, ...
- selectiebias
- staten verschillen
H1: VERKIEZINGEN EN
VERKIEZINGEN IS TWEE
1.1 Inleiding
1.2 Een plejade aan verschillende regels
Kiesstelsels = geheel aan regels die bepalen hoe de verdeling van de stemmen
tussen de partijen kan omgezet worden in een verdeling van het beschikbare
aantal zetels onder die partijen.
Verschillen op 6 manieren:
1) Verschil in frequentie van verkiezingen
a. 2 jaar (VS & Bosnië)
b. 3 jaar (Mexico, Australië, ...)
c. 4 jaar (N, S, P, ...)
d. 5 jaar (B, F, VK, I, ...)
2) Verschil in samenstelling parlement
a. eenkamerstelsel (P, Scandinavië, ...)
b. tweekamerstelsel (F, I, S, N, B, ...)
--> organisatie Tweede Kamer
, - rechtstreekse verkiezing senatoren (B tot 2014, I, ...)
- via getrapt systeem (F & N)
- aangeduid door deelstaatregeringen (B vanaf 2014 &
D)
- keuze Eerste Minister (Canada)
- obv erfelijke titel of positie in kerk (VK)
3) Verschil in voorwerp van de verkiezing
--> presidents-, parlements- of gemeenteraadsverkiezing
4) Verschil in precieze tijdstip en initiatiefrecht voor de verkiezingen
a. datum ligt op voorhand vast (B)
b. premier mag zelf datum kiezen (VK & F)
i. bv. Thatcher (verkiezingen na Falklandoorlog)
ii. bv. Chirac (vervroegde verkiezingen in 1997, cohabitation
constructive)
5) Verschil naargelang tijdstip waarop uitkomst bekend wordt
a. meteen op verkiezingsavond (VK & D)
b. zijn start van lange coalitiebesprekingen (B & N)
6) Verschil in stemgerechtigden
a. stemplicht/opkomstplicht (B, G, ...)
b. stemrecht (N)
c. geslacht --> algemeen vrouwenstemrecht:
- 1918 --> D, 1928 --> VK, 1945 --> I, 1946 --> F, 1948
--> B
d. nationaliteit --> stemrecht niet-EU-burgers:
- 1985 --> N, 2002 --> B
1991, Verdrag van Maastricht --> EU-burgers mogen stemmen voor
gemeenteraads- en Europese verkiezingen
1.3 Verkiezingen als basis voor onze vergelijking
Drie redenen:
1) Toenemend aantal onderzoekers
2) Interesse vanuit politiek oogpunt
a. democratiseringsgolf in Middenlandse Zeegebied
b. democratisering van Centraal- en Oost-Europa
c. kieswethervormingen in West-Europa
3) Ze zijn belangrijk tout court
a. bepaalt hoe onze democratie functioneert & wie verkiezingen wint
Voordelen:
- informatie andere staten verbreedt kennis eigen stelsel
- optimaliseren politieke processen