1. Neural signaling
Punt 1.1, 1.2 & 1.3 zijn uitgebreider uitgelegd in de korte samenvatting van neuro van vorig jaar
Psychopharmacology = benadrukt de door drugs veroorzaakte veranderingen in stemming, denken & gedrag
1.1. (Very) brief summary of central nervous system
Alle 4 de lobben zijn betrokken in farmacologie en lokken verschillende reacties uit, afhankelijk vd regio waar
het middel op gericht is
1.2. Important mechanisms for electrical transmission within a neuron
Belangrijkste cel in de cerebrocortex:
pyramide neuron/cell (links)
Belangrijkste cel in het cerebellum: Purkinje
cel (rechts)
Gliacellen ondersteunen de hersenen
structureel + functioneel (3 soorten:
astrocyten, oligodendrocyten & microglia)
Ependymal cellen: support cellen, geen functionele rol → ze bekleden de holle ruimtes vh lichaam & de
ventrikels in de hersenen
1.2.1. Gliacellen
1) Astrocyten
• Ziet eruit als een ster met zijn vertakte uitlopers
• Ze zijn NIET prikkelbaar zoals een neuron, maar hebben wel neurochemische functies
o verwijderen overtollige neurotransmitters + ze voorzien chemicaliën die “messenger
molecules” synthetiseren
o Voorzien bloedtoevoer (indien hersendelen actiever zijn, dan laten deze cellen meer bloed door) ,
nutriënten
o Houden neuronen op hun plek
o Ze verteren delen van dode neuronen → helpen hersenen op te ruimen
2) Oligodendrocyte
• Ondersteunen electrische impulsdoorgave tussen neuronen
o Ze bouwen een myelineschede rond axonen
▪ geeft metabolische steun + isoleert de axonen
▪ Zorgt dat elektrische signalatie 30x sneller gaat dan zonder myeline van
oligodendrocyten
• 1 oligodendrocyt kan tot 40 axonen van myeline voorzien
• Node of ranvier: gat tussen myeline schedes → versneller elektrische signalatie
, 3) Microgliacellen
• Kleiner dan de andere 2, vertrakt
• Taak: opruimen van afval in de hersenen (pathogenen, bacteriën, dode
hersencellen...)
o Detecteren beschadigde + dode neuronen
1.3. Overview for a synapse structure and basic function of synapses and receptors
Neuron bestaat uit: dendrieten (met synapsen op de uiteinden), cellichaam
(met kern met mitochondria) & axon
• Bij input: gaat van axon terminal naar de axon, naar de
dendrieten → hier vindt een chemische reactie plaats, die
ervoor zorgt dat de synaps vuren
• Binnen axonen zitten microtubuli: helpen de neurotransmitters
& vesikels/blaasjes zich te verplaatsen in de axon
Binnen neuron: elektrisch signaal → tussen neuronen: chemisch signaal!
• Synaptische spleet tussen pre- & post-synaps is héél
belangrijk hierbij
• Veel van de (psychofarmacologische) medicijnen die we nemen,
hebben een invloed op alles wat gebeurt in deze spleet
1.3.1. Actiepotentiaal
Resting Membrane Potential: In rust
is een neuron anders geladen binnen,
dan buiten
• Normaal: -70mv (mili volts)
= binnen negatiever dan buiten
Neuronen geven info door via hun
membraan potentiaal heel snel te
veranderen (pos wordt neg, & neg → pos)
Actiepotentiaal = het snel
veranderen van membraan potentiaal
• Threshold: minimum -50mv
• Membraan moet minstens van
-70mv naar -50mv voor een AP
te veroorzaken
Gevolg: Na+ kanalen openen, dat een verandering in membraanpotentiaal veroorzaken
Lokale potentialen (local potentials) = Kleine, lokale veranderingen in ion-verdeling, dat het
membraanpotentiaal verstoren & tijdelijk ion-kanalen kan openen
• Hoe groter je stimulus, hoe groter de magnitude vd hyper/depolarisatie
• Zodra de stumulus eindigt, zullen de ion-kanalen sluiten & keert het membraan potentiaal terug
naar rust
• Nemen snel af terwijl ze passief langs het cel membraan reizen
• Integratie = sommatie = meerdere kleine, lokale potentialen kunnen optellen tot een gritere
verandering in membraan potentiaal (zowel voor depolarisatie, als voor hyperpolarisatie)
• Excitatory Post Synaptic Potentials (EPSPs) OF Inhibitory Postsynaptic Potentials (IPSPs)
, = Wanneer medicijnen of neurotransmitters binden aan specifieke receptoren in het
zenuwstelsel, kunnen ze tijdelijk specifieke ion-kanalen openen → wat zorgt voor
excitatorische of inhibitorische effecten
▪ Daarom zijn lokale potentiale significant voor farmacologie
Na hyperpolarisatie heeft het een “refractory period” (= herstel periode waarin neuron zijn ionen terug opbouwt) →
tijdens deze periode kan er geen actiepotentiaal plaats vinden
Er zijn drugs die het openen & sluiten van ion-
kanalen tegen gaan → hierdoor kan geen actie
potentiaal plaatsvinden
1.3.2. Verspreiding actiepotentialen
Niet gemyeliniseerd Traag, omdat elk segment binnen de axon individueel gedepolariseert moet worden →
hoe langer je axon, hoe langer dit duurt (sequentieel)
Gemyeliniseerd Actiepotentiaal gebeurt enkel in de “nodes of Ranvier”, omdat de myeline de rest vd
axon isoleert → elekrtische impuls springt van knoop naar knoop
= saltatory conduction = spronggeleiding
, Bv: disfunctioneren van dit systeem: multiple sclerosis
• auto-immuunziekte waarbij het lichaam zijn eigen myelineschede aanvalt dmv microglia → in hersenen en
ruggengraat
• hierdoor kan zenuw minder goed signaleren → verloop: vaak op en neer
• Met verloop van tijd is de myeline schede zo beschadigt, dat de zenuw trager werkt → ten gevolge:
progressieve neurologisch achteruitgang
1.3.3. Synaptic Transmission
Synapsen zitten overal in je lichaam & er is een gat nodig om te zorgen dat synapsen kunnen communiceren
Er zijn verschillende soorten synapsen
• Axodendritic synaps: synaps zit op dendriet
• Axosomatic synaps: synaps zit op lichaam
• Axoaxonic synaps: synaps zit op axon
Vaak zitten neurotransmitters in vesikels = blaasjes
→ je hebt grote en kleine vesikels
Vaak zitten er meerdere soorten moleculen in 1
vesikel
Neurotransmitters worden BINNEN de cel
(specifiek bij de axon terminal) gemaakt door
enzymen, die naar de axonterminal gestuurd
worden → Neuropeptides niet, die worden
gemaakt in het cellichaam
Voor de rest vd stappen → kijk naar de cijfers +
tekstjes erbij
Synaptische vesikel heeft een levenscyclus
• Proces van neurotransmitter opnemen
• Naar de synapstische spleet gaan & de NT
los laten
• Terugkomen en opnieuw NT opnemen
Endocytose = vorming van vesikel uit celmembraan
Exocytose = versmelten van je vesikel met het celmembraan
Budding = celmembranen stulpen uit & vormen nieuwe
structuren door zich af te snoeren
Vesikel recycling gebeurt enkel bij kleine
vesikels met de klassieke NT → grote worden
gemaakt in cellichaam, dus deze vesikel
verdwijnt
3 soorten vesikelvorming → zie foto rechts
Wat heeft een invloed op de mate van NT vrij-
lating?