INLEIDING: VERGELIJKENDE POLITIEK ALS DISCIPLINE
1 AFBAKENEN VAN POLITIEK
Wat is politiek?
Geen vaste definitie
Politiek = de macht verwerven, behouden en uitoefenen
O.b.v. autoriteit, publieke beslissingen nemen, door tegengestelde meningen met
elkaar te verzoenen
4 kenmerken (Miller 1990)
1. Collectieve activiteit: publiek, betrekking op een samenleving
(samenwerking)
2. Verschillende meningen
3. Verzoening: vereist communicatie
4. Autoritatief →moet als legitiem w beschouwd (incl. sanctierecht)
Autoritaire regimes eerder nr4 democratie 1,2,3
Vb huishouden & jeugdbeweging is geen politiek: collectiviteit is kleiner dan wat wij
behandelen
Noodzaak aan politiek vloeit voort uit collectief karakter vh menselijke samenleven:
‘We delen de natuurlijke rijkdommen, verhouden ons tot andere groepen en plannen de
toekomst’
Aristoteles (384-322 BC)
o ‘Mens is politiek wezen’ (v nature geneigd tot samenwerking)
o Politiek is een deugd, noodzakelijk
o Politiek = meest rationele weg om tot een gezamenlijke oplossing te komen
vr een gezamenlijk probleem
o Steeds element v conflict & coöperatie aanwezig
Harold Laswell (1936) specifieke vragen vr vergelijkende politiek
o 'politicis is who gets what, when and how'
1. Welke beslissingen? Welke invloed op het dagelijks leven?
2. Hoe worden beslissingen genomen?
▪ Conventionele acties vs. niet-conventionele
▪ Democratie <-> autoritaire regimes
3. Wie neemt de beslissing en hoe/door wie wordt hij/zij beïnvloed?
1.2 BOUWSTENEN OM POLITIEK AF TE BAKENEN
1. Government: regering (ministers + premier) → instituties die collectieve
beslissingen nemen, uitvoeren
<->
1
, 2. Governance: het beleid dat gevoerd w om beslissingen te nemen → de activiteit,
proces, kwaliteit…
3. Naties: een gemeenschap, gevoel van samenhorigheid (kan verschill naties in 1
staat)
4. Nationalisme = naties hebben recht op zelfbeschikking (vb NVA)
5. Autoriteit: het recht om te regeren, gelinkt aan een positie, Max Weber: traditioneel,
charismatisch, rationeel/wettelijk
6. Regering: het hoogst niveau om die beslissingen te nemen
7. Staten: organisaties, afgebakend op een kaart, op 1 territorium & onder 1 regering
8. Soevereiniteit: recht ve staat/ bestuursorgaan om hoogste gezag uit te oefenen
zonder verantwoording aan ander orgaan
9. Macht: de ‘motor’ vd politiek (je kan ook macht zonder legitimiteit hebben)
10. Legitimiteit: systeem gebaseerd op autoriteit
1.3 ORGANISATIE VH POLITIEKE STELSEL (VARIATIE IN EUROPA)
1. Staatshoofd?
Monarchie (BE, NED, Luxemburg, Spanje, Verenigd Koninkrijk, Noorwegen,
Denemarken en Zweden)
President
2. Politiek systeem?
Parlementair systeem (BE)
Semi-presidentieel systeem: president & premier voeren beide uitvoerende macht uit
(FR, FIN, UKR)
Presidentieel systeem (USA)
3. Parlementen?
Eenkamerstelsels = unicameraal (Noorwegen, Denemarken, Zweden en Luxemburg)
Tweekamerstelsels = bicameraal (Nederland, Duitsland, Frankrijk en België)
o Hoge vergadering: rechtstreeks verkozen?
o Hoge vergadering: delegaties van regionale of subnationale entiteiten
o NL Eerste Kamer: provincies
▪ o.b.v. verkiezingen in de provincieraad vertegenwoordigers
gestuurd die de provincies gaan vertegenwoordigen
o DU Bunderstat: Lander
▪ 69 leden, vertegenwoordigers v.d. Deelstaten, niet-
proportionele verdeling (3 - 6 zetels)
o FR Senat: regions
▪ opgebouwd via een verkiezing vd deelstaten
2
, o BE Senaat: gemeenschappen
▪ samenstelling: vertegenwoordigers van vlaamse, waalse en
duitse gemeenschappen
4. Partijsystemen?
Tweepartijsysteem (VK)
Tweeënhalf partijsysteem (Denemarken)
Multipartijsysteem (België)
5. Regeringsmeerderheid?
Eén-partijregering
Meer-partijregering
Minderheidsregering (Zweden, Noorwegen en Nederland)
Gewone coalitie ⇔ Oversized coalitie
6. Electorale systemen?
Meerderheidssysteem
Gemengd systeem (Duitsland, Noorwegen, Zweden) deel vh parlement via
meerderheidsysteem, deel via proportioneel
Proportioneel systeem (BE)
7. Staatsstructuur
Federaal systeem (België, Nederland)
Quasi-federaal systeem (Spanje, Frankrijk) bplde gebieden met meer autonomie
Gecentraliseerd systeem (Verenigd Koninkrijk) ’devolution act’ = bevoegdheden
overgedragen aan Schotse & Welsche regering
▪ !! Groot-Brittanië = Engeland, Wales, Schotsland
▪ !! Verenigd Koningkrijk = GB, Noord-Ierland
2 DISCIPLINE VERGELIJKENDE POLITIEK
2.1 DRIE DISCPLINES
3
, 1. Politieke theorie (normatief) wat is goed, wat is democratisch?
2. Internationale relaties (oorlog & vrede)
3. Vergelijkende politiek
o Vanaf eind 19e E + empirisch
o Niet: is participatie aan beleid goed of slecht?
o Wel: hoe verloopt die participatie, via welke mechanismen
o Waarde-neutraal (niet afhangend v 1 actor →zou chaotisch zijn tijdens
verkiezingen)
o Focus: Instituties –actoren – processen & interacties – mechanisme
o Onderwerp = macht-gerelateerd (individu – groeperingen)
1e pol partij België: liberale politieke partij 16 juni 1846
2e: katholieke partij 1867
3e: socialisten 1885
Interdependentie: onderlinge samenhang/ afhankelijkheid
3 TYPES & TRADITIES IN VP
3.1 GRONDLEGGERS (FOUNDING FATHERS)
1. Aristoteles (384-322 vC):
o ‘zoön Politika’
2. Nicolo Machiavelli (1469-1527):
o II Principe
o Hoe macht centraliseren, behouden
3. Charles Louis de Secondat (Montesquieu) (1689-1755):
o L’esprit des Lois
o Onderzocht verschill pol stelsels
4. Alexis de Tocqueville (1850-1859):
o La Democratie en Amerique
o Onderzocht nieuwe ontstaande samenleving in Amerika
Niet enkel bij hen te vinden! ook bij andere denkers
3.2 TRADITIES
1. Eénlandenstudies (substantie)
o Bestudeert inhoud (specifiek, gedetailleerde info, deviante cases…)
o Country-cases
o Bekijkt rond 1 thema hoe landen daar invulling aan geven
o German politics, spanish politics Angelsaksische dominantie
2. Methodologisch: regels vastleggen (methode)
o Hoe kunnen we goed vergelijkend onderzoek voeren om dan te beschrijven,
verklaren, voorspellen…
o Logisch & statisch
3. Analystisch (combinatie v andere 2)
4