familierecht
Frederik Swennen
Cami Van Heester
, HOOFDSTUK 2. PERSONEN
Afdeling 1. Waarover gaat het?
Het algemeen personenrecht onderzoekt wie als persoon geldt en welk juridisch statuut iemand heeft.
Wettelijke aanknopingspunten: indeling van juridische categorieën
De wet bevat geen definitie van “persoon”, maar maakt enkel onderscheid tussen 3 soorten entiteiten:
personen, dieren en voorwerpen (art. 3.38–3.41 BW) en tussen natuurlijke personen en rechtspersonen (art.
1.3 en 3.35 BW). Alleen natuurlijke personen en rechtspersonen hebben rechtspersoonlijkheid, dus de
mogelijkheid om drager van rechten en plichten te zijn. (art. 58, §3, eerste lid OBW en art. 2:6 WVV) Dieren
en voorwerpen enkel het voorwerp kunnen zijn van rechten en plichten maar zelf geen drager kunnen zijn.
Etymologische definitie persona (Instituten van Gaius): Latijnse betekenis van toneelmasker, de gehele rol
die toneelspeler op zich neemt op het toneel vd rechtsgemeenschap.
De juridische rol waarmee iemand op het toneel van de rechtsgemeenschap verschijnt. Die rol, de staat van
de persoon, bepaalt welke rechten en verplichtingen iemand kan uitoefenen. (art. 6 § 2 OBW)
Het recht is traditioneel antropocentrisch: het is gemaakt door mensen voor mensen. Daarom bestaat een
basisindeling in: natuurlijke personen en rechtspersonen maar deze volstaat niet meer.
FOCUS 2.
De indeling is geëvolueerd tot personen – voorwerpen - dieren. Alle entiteiten vallen in precies één categorie.
ENKEL personen hebben de bevoegdheid om voorwerpen en dieren te gebruiken, ervan genot te hebben en
erover te beschikken tot waar de grenzen v derden reiken. (art 3.50 en 3.39, tweede lid BW)
Het objectieve recht regelt enkel relaties tussen personen, niet tussen personen en niet-menselijke
entiteiten.
Deze tweedeling staat echter onder druk door de actornetwerktheorie, die ook niet-menselijke entiteiten een
eigen waarde en belangen toekent. De theorie gaat ervan uit dat alle mensen zich bewegen in een netwerk
(mensen, huisdieren, smartphone, …) dat elkaar onderling steeds beïnvloedt. Daardoor ontstaat ruimte voor
gedeeltelijke rechtspersoonlijkheid of subjectieve rechten voor dieren, planten of zelfs levenloze zaken.
Art. 7bis, tweede lid GW en art. 3.39 BW erkennen dieren als wezens met gevoel en biologische noden. De
bescherming richt zich op het eigen belang van het dier, vergelijkbaar met bescherming voor minderjarige en
meerderjarige beschermde personen. Hierbij betrekken we het dier bij onze beslissingen.
vb: verblijfsregeling voor een hond bij echtscheiding. (≠ dierenbescherming: soortenbescherming))
Andere dragers van leven: levende elementen in de menselijke leefomgeving zoals lucht, aarde, planten
krijgen toenemende aandacht en kunnen in bepaalde contexten rechtspersoonlijkheid krijgen. Volgens de
actornetwerktheorie staan ze wel in relatie met de mens.
Het recht beschermt soms ook levenloze zaken omwille van hun immateriële waarde voor de mensheid,
zoals cultuurgoederen (art. 3.2 BW). Bescherming van specifieke goederen in de actornetwerktheorie die in
een bepaald netwerk van belang zijn. vb: een trouwring of familiesouvenir
, Afdeling 2. De natuurlijke persoon
Het BW omschrijft een natuurlijke persoon als iemand die “bestaat”: vanaf levende (levensvatbare) geboorte
tot aan het overlijden. Na de Franse Revolutie werd burgerlijke dood en slavernij afgeschaft (art. 10 & 18 Gw
art. 4 EVRM) omdat er vanaf dan meer aandacht ging naar de algemene en gelijke toekenning van de
rechtspersoonlijkheid aan alle mensen.
Wie?
= Elke entiteit die uit een mens is geboren obv menselijke gameten
*monstres (Siamese tweelingen) w vroeger niet als mens beschouwd -
*cyborgs, tot hoeverre zijn dat natuurlijke personen?
*strafbaar om menselijke embryo’s in te planten bij dieren of chimaeren of hybride wezens te creëren
Vanaf wanneer?
Een persoon bestaat als hij levend (en levensvatbaar) uit de baarmoeder komt en dat w vastgesteld
door een arts of vroedvrouw (art. 42 OBW). De rechtspersoonlijkheid vangt aan op de datum en het uur
van de akte van geboorte (art. 44 en 58 § 3 OBW)
- Geboorte is geen rechtsbegrip
- Levend: ademhaling vastgesteld door arts of vroedvrouw
- Levensvatbaar: alle noodzakelijke menselijke eigenschappen hebben om zelfstandig in leven te
blijven, GEEN algemene voorwaarde
Enkel in gevallen waarbij het toewijzen van rechten aan niet-levensvatbaar geboren kinderen zou
Vanaf de zorgen voor teveel complicaties in het rechtsverkeer. Dit is bij schenkingen, nalatenschap,
geboorte legaat, titularisschap van zakelijke rechten en afstammingsvorderingen (art. 4.137 derde lid BW
– art. 4.4, tweede lid, 2° BW – art. 3.13 BW – art. 331bis OBW)
Hoe vast stellen: wettelijk weerlegbaar vermoeden van levensvatbaarheid vanaf 180 dagen (6
maand) na verwekking (art 58 §1 en 326 OBW)
Na de bevalling wordt de levende geboorte vastgesteld door een arts of vroedvrouw en opgenomen in
een medisch attest, dat vervolgens aan de ambtenaar van de burgerlijke stand wordt bezorgd (art. 42
OBW). De ouders moeten binnen vijftien dagen aangifte van de geboorte doen (art. 43 OBW), waarna
de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van geboorte opstelt (art. 44 OBW). Vanaf dan vat de
rechtspersoonlijkheid aan. Indien het kind daarna sterft, wordt er een akte van overlijden opgesteld.
Vroeger: geen regeling, geen juridische gevolgen.
Twee evoluties:
1. Wanneer de wettelijke levensvatbaarheidsgrens (180 dagen) is bereikt: verplichte crematie of
begrafenis, wanneer het nog niet is bereikt: op verzoek van ouders
2. Akte van levenloos kind w opgesteld door ambtenaar vbs (art. 58-59 OBW)
Doodge
boorte
, Infans-conceptusregel: een verwekt kind w als geboren beschouwd telkens dit in zijn belang is.
= fictieregel waarbij we rechten toekennen aan een kind op slechts opschortende voorwaarden:
uitgesteld tot het kind later levend en levensvatbaar geboren wordt.
De verwekking = het bestaan id baarmoeder van een menselijk embryo of eicel met het inherente
vermogen om zich tot mens te ontwikkelen.
De wet stelt een vermoeden van verwekking in tussen de 300ste - 180ste voor de geboorte, op het tijdstip
dat voor het kind het gunstigste is. (art. 326 OBW)
Wettelijke toepassingen: art 3.13 BW – art 4.4, tweede lid BW – art. 4.137 BW – art 328 § 3 OBW. Een
verwekt kind kan titularis zijn van zakelijke rechten, het kan erfgerechtigd zijn, giften verkrijgen en het
kan als kind w erkend.
Nog Ruimere toepassing?
geen Prenatal-injury- en wrongful-lifevorderingen waarbij er schadevergoedingsvorderingen w gericht tegen
geboorte degene die aansprakelijk is voor schade aan een kind of voor een (medische) fout waardoor een kind ter
wereld is gekomen.
Het Hof van Cassatie neemt dit niet aan als algemeen rechtsbeginsel
FOCUS 3.
Voor de geboorte ingrijpen ter bescherming van het kind?
vb. moeder is verslaafd tijdens de zwangerschap: jeugdhulp voor ongeboren kinderen?
In de actornetwerktheorie beïnvloedt een verslaafd moeder haar verwekt kind: bescherming van
het kind zonder het als persoon te beschouwen? Ja, op grond van de menselijke waardigheid =
het algemeen belang vormt rechtvaardigheid
Bescherming voor niet-verwekte kinderen? Toekomstige generaties?
Geen antwoorden op