METHODOLOGIE
2025-2026
, Methodologie hoofdstuk 1
Inleiding
Methodologie verwijst naar de wijze waarop het hele proces van wetenschapsbeoefening
functioneert, en houdt dus niet allen de kennis en beheersing van methoden en technieken in.
Deze cursus heeft 3 doelen:
1. Je kritisch leren omgaan met resultaten
2. Leren van enkele basisprocedures
3. Het aanreiken van woordenschat
1
,2
, Methodologie hoofdstuk 2
Bouwstenen en soorten
sociaalwetenschappelijk onderzoek
1. Inleiding
Sociaalwetenschappelijk onderzoek is de productie van geldige en betrouwbare kennis over
de sociale realiteit door het combineren van theorie en empirie, waarbij methodologische
principes rigoureus worden toegepast.
Als sociale wetenschapper ben je geïnteresseerd in kennis over het sociale, er zijn verschillende
visies rond waar die kennis vandaan komt:
• Theorie: het geheel van samenhangende uitspraken of proposities die bepaalde
fenomenen beschrijven of verklaren. Denken is de bron van alle kennis. Om de wereld
rondom ons te kennen moeten we diep reflecteren om zo tot een verhaal te komen over
hoe de wereld in elkaar zit.
• Empirie: het ervaren van de wereld rondom ons door ervaring. Je moet observeren en
met behulp van onze zintuigen vaststellen hoe de wereld in elkaar steekt.
→ Eigenlijk is deze tegenstelling vals, goeie kennis is zowel gebaseerd op nadenken als op
. observatie.
Onderzoek combineert theoretische inzichten en empirische
observatie, om zo goede kennis te produceren.
Deze combinatie noemen we de ‘empirische cyclus van onderzoek’.
Wetenschap is wel niet de enigste bron van kennis, er bestaan
nog een tal andere kennissystemen.
vb. Kennis rond klimaat verandering halen we bijvoorbeeld uit
persoonlijke ervaringen, of we bekomen informatie uit artikelen
en reportages, uit de media dus. Ook ideologie kan je als een kennissysteem beschouwen,
ideologische overtuigingen sturen onze percepties van de werkelijkheid, religie is een voorbeeld
van zo’n ideologie.
Echter leveren niet al deze alternatieve kennisbronnen correcte informatie op. Ze kunnen niet
allemaal als evenwaardig beschouwd worden.
Wetenschappelijke kennis is superieur omdat:
• Het handelt over observeerbare fenomenen.
• Het is gebaseerd op methodologische spelregels.
• Wetenschap is enkel geïnteresseerd in de waarheid, de ‘waarheid’ als criterium.
3
, → Deze kenmerken bieden geen zekerheid dat wetenschap vrij van fouten is maar ze . . .
. bieden wel de best mogelijke garantie op een goede kennisproductie.
2. Theorie en empirie
Theorie en empirie zijn de twee hoekstenen van onderzoek.
Theorie
Een voorbeeld van een sociaalwetenschappelijke theorie is het Job Demand-Control Model
van Karasek , deze verklaart waarom sommige jobs tot meer stress leiden dan andere.
Volgens dit model verschillen jobs op vlak van twee cruciale elementen:
• De werkdruk, hoe hard iemand moet werken.
• De autonomie, de mate waarin een werknemer
zelf beslissingen kan nemen.
Op basis van deze twee factoren onderscheid
Karasek 4 verschillende jobs:
1. Slopende job
2. Zinloze job
3. Actieve job
4. Passieve job
Het model stelt dat naarmate we werkdruk hoger ligt en de werknemers minder autonomie
hebben er meer werkstress zal ontstaan. Mensen in een slopende job zullen dus de hoogste
stressniveaus ervaren.
Theorieën bestaan uit twee basisblokken:
1. Concepten: algemene en abstracte ideeën die als een label dienen om concreet
waarneembare zaken of fenomenen te categoriseren.
vb. In het Job Control-Demand Model is stress een voorbeeld van een concept. Het
wordt gebruikt als label om diverse ervaringen van werknemers te duiden, gaande van
een verhoogde hartslag tot slapenloosheid.
2. Proposities: veronderstelde relaties tussen concepten. Stellingen over hoe concepten
met elkaar gerelateerd zijn.
vb. Het Job Control-Demand Model stelt dat het concept ‘slopende job’ gelinkt is aan het
fenomeen stress.
Een wetenschappelijke theorie moet voldoen aan deze kenmerken om een goeie theorie te zijn:
• Een theorie moet logisch consistent zijn. De proposities mogen elkaar niet
tegenspreken.
4
, • Verklaringskracht: een theorie is beter naarmate ze meer succesvol is om de wereld
rondom ons te verklaren.
• Ook moet een goeie theorie tot op een zekere hoogte veralgemeenbaar zijn, een theorie
gaat niet over een concrete case maar heeft een ruimer toepassingsgebied.
vb. het Job Control-Demand Model gaat niet over een concrete werknemer of specifiek
bedrijf maar over jobs in het algemeen.
• Ook is een theorie spaarzaam, hoe minder concepten en proposities je nodig hebt om
een fenomeen goed te verklaren, hoe beter.
• Ten laatste is het heel belangrijk voor wetenschappelijke theorieën dat ze empirisch
toetsbaar zijn. Het moet mogelijk zijn om via observatie na te gaan of de theorie wel
overeenstemt met de realiteit. Het moet draaien rond fenomenen die observeerbaar zijn.
Het moet verifieerbaar en falsifieerbaar zijn.
Empirie
Goed observeren is geen sinecure (en dus een moeilijke of zware klus) en brengt een hele reeks
uitdagingen met zich mee:
• Zo is het de vraag of het mogelijk is objectieve waarnemingen te doen, die los staan van
de waarnemer. Wat we zien of horen is gekleurd door verschillende
voorveronderstellingen en verwachtingen.
• Sociale wetenschappers zijn heel vaak geïnteresseerd in fenomenen die we niet zo
makkelijk kunnen observeren.
vb. Vormen van deviant gedrag is moeilijk te gaan onderzoeken.
Het Job Control-Demand Model werd verschillende keren empirisch getoetst. Vaak bestaat het
empirische materiaal uit ingevulde vragenlijsten, de onderzoekers observeren respondenten
door hen enquêtes voor te leggen. Een andere mogelijke manier om empirisch de toetsen is door
mensen te gaan observeren terwijl ze aan het werk zijn.
Deductie
3. Inductie en deductie
Theorie en empirie zijn met elkaar verbonden dankzij twee processen:
• Deductie: een gevolgtrekking van het algemene naar het bijzondere.
Inductie
• Inductie: op basis van specifieke waarnemingen komen tot een algemene theorie.
5
,Een voorspelling die via deductie tot stand is gekomen noemen we een hypothese.
Deze hypothese confronteren we dan met empirisch materiaal, met observaties.
Illustratie (inductie VS deductie):
Bij deductie ga je uit de algemene stelling ‘alle zwanen zijn
wit’ verwachten dat wanneer je een wandeling in het park
maakt enkel witte zwanen zal tegenkomen.
Inductie gebeurt omgekeerd, stel je voor dat een
vogelliefhebber overal ter wereld zwanen gaat observeren.
En bij die observaties valt een patroon op, alle
geobserveerde zwanen zijn wit. Hier ga je een algemene
regel opstellen op basis van concrete observaties.
Wanneer er na jaren ineens een zwarte zwaan opduikt, valt de algemene stelregel dat alle
zwanen wit zijn volledig in duinen.
Illustratie inductie:
Het werk ‘Le Suicide’ van Durkheim, hij observeert bepaalde patronen binnen het voorkomen
van zelfdoding.
Zo stelde hij bijvoorbeeld vast dat mannen vaker zelfmoord
plegen dan vrouwen. Ook singels, mensen zonder kinderen
en protestanten bleken een hogere kans
op zelfdoding te hebben.
Deze observaties stelde hem aan op de oorzaak
van zelfdoding te zoeken niet in het psychologische
maar in het sociale. Zo beschrijft hij zelfdoding o.b.v.
twee dimensies, de mate van integratie en regulatie.
Deze dimensies beïnvloeden het gedrag van individuen,
zo onderscheid Durkheim 4 types va zelfdoding.
De piek in het aantal anomische zelfdodingen bij het in elkaar storten van de sovjet unie en het
sterke regulerende karakter van het communisme wegvalt, bevestigt de theorie.
4. Geldigheid en betrouwbaarheid
er zijn twee criteria om de kwaliteit van onderzoek te beoordelen:
1. Geldigheid of validiteit: de afwezigheid van systematische fouten of vertekeningen in
onderzoek.
2. Betrouwbaarheid: de afwezigheid van toevallige fouten. De mate van consistentie van een
meting, de mate waarin een meetinstrument dezelfde resultaten oplevert bij herhaalde
metingen onder soortgelijke condities.
6
, Illustratie:
Er is sprake van lage betrouwbaarheid, er zijn veel toevalsfouten,
de schoten liggen allemaal ver uit elkaar.
Ook is er een lage geldigheid, er zit een systematische fout in het
patroon, de schoten zijn allen links van de roos.
In dit geval is er meer consistentie en dus meer betrouwbaar.
Er is wel nog steeds sprake van een lage geldigheid.
Dit is het patroon wat we werkelijk willen zien.
We hebben te maken met zowel een hoge betrouwbaarheid
als geldigheid.
Systematische fouten kunnen om veel verschillende redenen ontstaan.
Zo onderscheiden we verschillende vormen van geldigheid:
• Meetvaliditeit: de mate waarin een meetinstrument meet wat het zou moeten meten.
• Interne validiteit: de mate waarin waargenomen relaties is een empirische studie een
correcte weerspiegeling zijn van de werkelijkheid.
• Externe validiteit: de mate waarin bevindingen uit onderzoek bij een specifieke
populatie ook voor een ruimere populatie gelden, ook voor veralgemeenbaarheid
genoemd.
5. Soorten onderzoek
we onderscheiden verschillende soorten onderzoek o.b.v. het toepassingsgebied en de
gebruikte methodologie.
Toepassingsgebied
Onderzoekers produceren kennis, de bekomen kennis kan heel uiteenlopende doelstellingen
hebben.
• Theoriegericht onderzoek: onderzoek dat gericht is op de ontwikkeling van theorie,
waarbij kennisproductie de primaire drijfveer is. Ook word het wel een fundamenteel of
academisch onderzoek genoemd.
Andere wetenschappers vormen hierbij het doelpubliek van het onderzoek.
• Praktijkgericht onderzoek: onderzoek dat gericht is op het oplossen van een praktisch,
maatschappelijk probleem.
Het vertrekt vanuit een actief maatschappelijk probleem en probeert dit aan te pakken
met behulp van de wetenschap. Kennis is geen doel op zich maar een middel. Typisch
wordt dit onderzoek in opdracht van de overheid of andere organisaties uitgevoerd.
7