IMMUNITEIT BIJ ZOOGDIEREN
H1: werking vh immuunsysteem
Synoniemen
Witte bloedcel = leukocyt
Rode bloedcel = erythrocyt
Bloedplaatje = trombocyt
Ziekteverwekker = pathogeen
Antilichaam = antistof = immunoglobuline
Niet-specifiek = aangeboren = eerste linie v verdediging
Specifiek = verworven = tweede linie v verdediging
Zwezerik = thymus
T-/ B-cel = T-/ B-lymfocyt
MHC-eiwitten = Major Histocompatibility Complex-eiwitten
APC’s = antigeen presenterende cellen
Belang van immuniteit
4 000 – 11 000 lymfocyten/microliter bloed
Nut hogere temperatuur = moeilijker voor virussen/ bacteriën om te verspreiden/ ontwikkelen
Vbn pathogenen: bacteriën (salmonella), virussen (corona, griep, herpes, hepatitis, adinovirus,
papillomavirus), schimmels (zwemmerseczeem), ééncellige eukaryoot, teek, (parasitaire) (lint)wormen…
Verstoring immuunhomeostase (=interne, dynamische evenwicht): ziekteverwekkers, lichaamsvreemde
stoffen, veranderingen aan lichaamseigen cellen (kanker*)
*normaal apoptose, dan immuunsysteem, anders kanker
Twee samenwerkende afweersystemen: niet-specifieke afweer (zonder een onderscheid), specifieke
afweer (herkenning + geheugen)
Goedwerkend immuunsysteem:
- Bescherming binnendringing lichaamsvreemde stoffen/ cellen
- Bestrijdt pathogenen en kankercellen
- Reageert tegen ongewenste stoffen
- Verwijdert dode cellen
Incubatietijd = tijd tussen besmetting en eerste symptomen v ziekte
Besmetting = contact met ziekteverwerker
Infectie = proces van vermenigvuldiging vd ziekteverwekker
Infectieziekte = bij infectie ontstaat schade waardoor symptomen ontstaan
Besmetting → infectie → symptomen
De organen vh immuunsysteem
Opperhuid = epidermis (bovenste laagje huid)
- Ontstaat vanuit basale laag waar celdeling gebeurt
- Fysische barrière: bovenste laag → dode cellen (30 000-40 000/minuut = 43milj/dag)
- Chemische barrière: zuurmantel (productie talg en zweet). Lage pH remt groei veel micro-
organismen (geen deel van microbioom)
- Biologische barrière: microbioom als bescherming tegen andere schadelijke bacteriën
Slijmvliezen
- Dunne lagen weefsel, bekleden binnenkant lichaamsdelen (mond, neus, keel, luchtwegen, maag-
darmkanaal, geslachtsorganen) → produceren slijm
1
, - Slijm: beschermen en bevochtigen van weefsel, barrière tegen ziekteverwekkers (pathogenen blijven
plakken)
- Bovenste cellaag ve slijmvlies bestaat uit een aaneengesloten laag epitheelcellen (daarop de
trilharen)
- Mechanische barrière: trilhaarfunctie in *** + niezen om slijm te verwijderen
***luchtwegen, eileiders, baarmoeder
- Fysische barrière: slijm bedekt vliezen (beschermt)
- Chemische barrière: enzymen, zouten, afweerstoffen die ziekteverwekkers vernietigen
- Biologische barrière: microbioom vd slijmvliezen (melkzuurbacteriën die pH verlagen (groei andere
micro-organismen geremd))
Lymfatisch systeem
LYMFATISCH SYSTEEM
- Netwerk van lymfevaten, lymfe, lymfeknopen en lymfoïde weefsels en organen
LYMFEVATEN
- Halfopen (niet zoals bloedweg een ‘cirkel’)
- Starten als lymfehaarvaten in weefsels
- Lymfevaten versmelten → steeds groter
- Komen uit in bovenste holle ader net voor het hart
- Bevatten kleppen
- ¼ rechts en ¾ links
- Buizen die lymfe (vloeistof) vervoeren
- Absorberen weefselvocht dat niet onmiddellijk terug in bloedbaan terechtkomt
- Verbinden verschillende lymfoïde organen en weefsels
LYMFE
- Heldere, kleurloze vloeistof die door lymfestelsel circuleert
- Lymfe in bloedbaan via bovenste holle ader
LYMFOÏD WEEFSEL
- Komt voor in luchtwegen, urinewegen, onder epitheellaag vd slijmvliezen vd darm
LYMFOÏDE ORGANEN
- Thymus (onderaan keel)
o Rijpen v T-lymfocyten
o Actiefst in foetale ontwikkeling en net na geboorte (verkleint na puberteit)
o Prenatale selectie van T-lymfocyten op afweerreacties tegen lichaamscellen
- Beenmerg
o Hematopoëse= alle soorten bloedcellen (witte, rode, bloedplaatjes) ontstaan uit
stamcellen, om vervolgens in de bloedbaan terecht te komen
o Maakt vanuit stamcellen bloedcellen: lymfoïde stamcel → lymfocyt (belangrijkste cellen vh
lymfatisch systeem)
o Rijpen v natural-killer cellen en B-lymfocyten
2
, - Amandelen (in neus-, keel- en mondholte)
o Groep van verschillende lymfoïde organen
o Vroeger verwijderd bij zwelling, maar belangrijke rol voor immuniteit
- Lymfeknopen
o Honderden
o Verdikkingen op lymfevaten
o Kleine, niervormige orgaantjes
o Hier komen lymfocyten in de lymfe
o Meestal op plaatsen waar lymfevaten verzamelen
o Filters (ziekteverwekkers/afvalstoffen uit lymfe halen)
o Als gezwollen → teken van ziekte
- Milt
o Links boven in buikholte
o Dubbele functie:
▪ In lymfatisch systeem: bevat weefsel met veel lymfocyten, die worden toegevoegd
aan lymfe, lymfe gefiltreerd
▪ Opslaan/ afbreken/ evt. toevoegen v rode bloedcellen en bloedplaatjes
Immuunreactie bij infectie
Antigenen in het lichaam
Antigenen
- Specifieke lichaamsvreemde stoffen die immuunreactie opwekken (vingerafdruk)
- Nut: herkennen v pathogeen
- Waar: oppervlak vd pathogeen (celmembraan of eiwitkapsel)
- Niet bereikbaar: binnen in cel (MHC I-eiwitten tonen stukken eiwit op buitenkant (bij virus/kanker))
- Makkelijk bereikbaar: in bloed, lymfe of weefselvocht
- Functie: immuunsysteem informeren over indringers (immuunsysteem in actie, vaak ontsteking)
MHC-eiwitten
- Op alle lichaamscellen
- 2 klassen
MHC klasse I
- Waar: oppervlak v alle nucleaire (kernhoudende) cellen
3
, - Functie: presentatie intracellulaire antigenen (eiwitten v virussen/ abnormale eiwitten geproduceerd
door kankercellen) → helpt cytotoxische T-cellen om virus geïnfecteerde cellen/ kankercellen te
herkennen en vernietigen
Afbeelding toon geïnfecteerde cel
In celkern DNA virus (rood) en DNA cel
In cel eiwitten virus (rood) en eiwitten cel
Op oppervlak cel zitten MHC I → tonen virus- en celeiwitten
De viruseiwitten worden herkend → afbreken
MCH klasse II
- Waar: op APC’s: dendritische cellen, macrofagen, B-lymfocyten
- Functie: presentatie extracellulaire antigenen (bacteriën/virussen die gefagocyteerd zijn) → T-
helpercellen worden geactiveerd → bredere immuunrespons + activering B-cellen en cytotoxische T-
cellen
Afbeelding toont een
dendritische cel/
macrofaag/ B-cel. Niet
geïnfecteerd
Antigenen = driehoekjes
(groen)
Zowel MHC II als MHC I
(niet getekend)
Andere witte bloedcellen
worden gewaarschuwd
voor virus
Ontstekingsreactie
1. Pathogenen komen in weefsel via wonde
2. Bepaalde leukocyten (of andere cellen) scheiden cytokines af
3. Verhoogde doorbloeding zorgt voor roodheid + ontstaan van
warmte
4. Meer vocht in weefsel zorgt voor zwelling
5. De vochtopstapeling zorgt voor druk en pijn
6. Witte bloedcellen ruimen pathogenen op
7. Bloedplaatjes zorgen voor 1ste fase wondherstel
Functieverlies
4