HISTORIOGRAFIE
Namen onderstreept = kennen
1. INLEIDING, HISTORIOGRAFIE EN SCHRIFTCULTUUR
1.1 INLEIDING
Zie ppt voor leerstof!
Periodisering historiografie:
o (1) Pre-modern: tot ca.1800
o (2) Modern: ca.1800-1980
o (3) Postmodern: ca.1980-heden
Elke taal kan verleden uitdrukken maar niet in elke samenleving even belangrijk of uitgebreid.
Historisch bewustzijn: bewustzijn dat met het verstrijken van de tijd individuen en samenlevingen
veranderen.
o Quote ppt: wordt op vele manieren uitgedrukt.
o In elke samenleving.
o Alomtegenwoordig.
Geschiedenis: poging om na te denken over het verstrijken van de tijd op een manier die relevant is
voor de hele samenleving.
o Niet in elke samenleving want niet altijd in belang van samenleving (vb. Maori’s bij wie dit zou
leiden tot conflict omwille van schaarse landbouwgrond).
o Westerse samenleving heeft geschiedenis.
Historiografie: hedendaagse subdiscipline waarin historici onderzoeken hoe en waarom
samenlevingen (incl. eerdere generaties historici) vorm geven aan het verleden.
o "Geschiedenis van de geschiedschrijving."
1.1.1 DE CONCEPTUELE AFBAKENING
Wij kijken naar samenlevingen die wel bezig zijn met geschiedschrijving. Maar: er zijn er heel veel, daarom
selectief werken:
1. Schrift.
2. Eurazië.
Enkel schriftelijke historiografie.
o Enkel relatief recent verleden.
Ontstond ca.3500-3000vC in China en Egypte.
o Theorie Goody (jaren 50-60): schrift = belangrijkste technologie want veroorzaakte cognitieve
revolutie.
Voor schrift: minder rationeel denken.
Na schrift: kritischer en afstandelijker denken, preciezer medium,
makkelijker voor vergelijking, duurzamer (-> opbouwen kennis).
Kritiek:
Archeologisch: samenlevingen die schrift ontwikkelden waren voordien al
complex.
o Bestaan steden en markten -> al voor schrift complexe regels.
Antropologisch-historisch: Vansina.
1
, o Onderzoek naar middeleeuwse en Midden-Afrikaanse
geletterdheid: ook cognitieve geavanceerdheid bij analfabeten.
Kunnen geschiedenis van eigen samenleving doorgeven.
o Oraliteit is ook stabiel indien belang groot genoeg is.
+ sociale controle op juistheid van doorgegeven
informatie.
o Schrift als superieur zeer omstreden sinds ca.1985.
Enige “voordeel” op oraliteit is grotere duurzaamheid. Niet intrinsiek superieur.
Focus op Eurazië.
o Europese, islamitische en Chinese tradities.
o Historiografie sterk Eurocentrisch tot ca.2000.
“History of the victor”.
Idee superioriteit Westerse historiografie.
Nu: ontwikkeling tot sterk comparatieve discipline.
Kritisch toetsen superioriteitsaanspraken Westen.
Kolonialisme en toe-eigening als alternatieve verklaring dominantie
Westerse historiografie.
o Idee oriëntatie continenten: Eurazië als enige horizontale continent.
Gelijke (matige) klimaatzones -> reizen binnen zelfde klimaatzone -> meer interactie
-> snellere verspreiding technologie, grotere resistentie tegen ziektes…
Afrika en Amerika: meer klimatologische handicaps door verticale klimaatzone.
1.1.2 DE CRITERIA VOOR EEN COMPARATIEVE ANALYSE VAN HISTORIOGRAFISCHE TRADITIES
-> zeer belangrijk!!!! Vergelijkingsvraag op examen hierop gebaseerd.
Vergelijking tussen tradities enkel zinvol indien goed afgebakend
5 cruciale parameters:
o (1) Conceptualisering van tijd.
Westen en islamitisch: lineair.
China: cyclisch.
Ook zeer grote kwaliteit historiografie.
o (2) Kritisch empirisme.
Toetsing aan bronnen.
Eerder in China en islamitische wereld dan in Westen.
o (3) Professionalisering.
Geschiedschrijving als voltijdse bezigheid: hecht samenleving er genoeg waarde aan
om er tijd, geld en middelen voor vrij te maken?
o (4) Objectiviteit.
Afstand van subjectieve benadering.
Kan dat wel?
o (5) Geschiedenis als wetenschap.
Doel = inzicht in werkelijkheid.
Sinds 19e eeuw in Westen.
Wetenschappelijke revolutie exclusief Westers? Geen duidelijkheid.
Nooit algemeen aanvaard.
Breuk met functionalisme.
Specifiek Westers?
Ontwikkeld ca.1800 en geglobaliseerd in 19e-20e eeuw.
Tot ca.1980 breed gedragen.
1.2 HISTORIOGRAFIE IN WEST-EURAZIË: DE VROEGSTE TRADITIES
2
, Oude nabije Oosten: belangrijkste plek in het westen van de Euraziatische wereld.
o Landbouw.
o Ontwikkeling schrift: spijkerschrift + hiërogliefen.
Begin “kenbare” historiografie: na neolithische revolutie.
o Ontwikkeling schrift als duurzame “container” geschiedenis.
3 belangrijke tradities: Egyptisch, Mesopotamisch en joods-Hebreeuws.
o Relevant voor latere Westerse en islamitische historiografie
1.2.1 DE EGYPTISCHE HISTORIOGRAFIE
Periodisering:
o Oude Egypte (ca.3200vC-330vC)
o Helleens Egypte (vanaf ca.330vC).
Landbouwmaatschappij, irrigatie, militaire en religieuze elite.
Oudste vorm geschiedschrijving: kalenders.
o Adhv regeringsjaren farao’s.
o Niet altijd chronologisch: farao's als God op aarde, goddelijkheid kent geen chronologie.
o Na verloop van tijd: geschiedkundige nota’s bij kalenders.
Steen van Palermo (3e millennium vC): chronologisch verslag verschillende gebeurtenissen.
o Uitzonderlijk in chronologie: meestal geen lineaire chronologie.
Farao = goddelijk -> tijdloos + vermenging geschiedenis en theologie -> chronologie
onbelangrijk.
Beschrijving verleden: politiek-religieuze functie.
Manetho: Aegyptica (ca.250vC).
o Exponent Griekse historiografische traditie.
o Chronologische geschiedenis van alle farao’s in Grieks schrift.
o Opdeling in dynastieën.
1.2.2 DE MESOPOTAMISCHE HISTORIOGRAFIE
Zie tekstfragment
Spijkerschrift, landbouwmaatschappij, militaire en religieuze elite.
Basiskenmerken:
o Koningslijsten en astronomische tabellen.
Chronologisch geordend (<-> Egypte).
o Ontstaan van “historisch onderzoek”.
Retroactief gebruik teksten, opschriften…
Oudste bekende exponent: Sumerische koningslijst.
o Functioneel wapen voor diverse doeleinden.
Politieke en religieuze verbrokkeling.
Propaganda en rechtvaardiging militaire actie.
Pragmatische redenen voor geschiedschrijving.
Wapen om issue uit eigen tijd te beslechten.
o Bv. koningslijsten: tonen dat koningschap erfelijk is.
Gilgamesh-epos: toont historisch bewustzijn.
o Vermenging verhalen om wss echte koning met mythe en religie.
Eersten van wie we zeker weten dat ze zich bewust waren van geschiedenis en historisch overzicht.
1.2.3 DE JOODS-HEBREEUWSE TRADITIE
3
, Grote verschil met Egypte en Mesopotamië: monotheïsme (Jehova).
Wortels van christendom: belangrijk in Westerse traditie.
Basiskenmerken:
o Geschiedenis ten dienste van politieke en religieuze organisatie (eerste millennium vC).
Heilige boeken.
Verschillende versies, later vast OT.
Geschreven door profeten.
o Verleden als moreel kompas voor door God uitverkoren volk.
God heeft hoge verwachtingen: gebeurtenissen verklaren als beloning of straf voor
gedrag.
Vb: David die de pest "uitlokt" door een affaire te hebben met een vrouw.
o Sterk lineaire visie op tijd.
Zeer precies beeld over tijd en ontstaan wereld.
Begin- en eindpunt.
Eschatologisch: tijd is eindig.
Lijst nakomelingen Adam loopt over in koningslijsten -> legitimatie koningschap en macht.
Verleden = functioneel voor heden.
1.3 BESLUIT
Oudst bekende schriftelijke vormen van geschiedenis: benadering verleden vanuit noden heden.
o Legitimatie macht, religieuze zingeving, morele dwang…
o => variabel door uiteenlopende omstandigheden.
Soort maatschappij bepaalt soort historiografie.
o => restrictief in opzet.
Vanuit eigen noden, beantwoorden niet de vragen die we vandaag hebben.
o => competitie over interpretatie verleden.
Geschiedenis: belangrijk wapen.
o Grondstoffen inzetten.
o Schrift en geschiedenis = elitair, afgesloten.
2. PREMODERNE WESTERSE HISTORIOGRAFIE: DE ANTIEKE EN MIDDELEEUWSE
HISTORIOGRAFIE (CA.1000V.C-1500N.C.)
2.1 INLEIDING
Schriftgeschiedenissen vanaf ca.3000vC.
o Diverse tradities.
o Steeds functionalistisch.
Vanuit noden heden.
Politiek en/of religieus gekaderd.
Ca.8e eeuw vC – 15e eeuw nC: nog steeds functionalistisch maar nieuwe experimenten.
Focus: Mediterrane wereld.
2.2 DE OUDGRIEKSE HISTORIOGRAFIE
“Wieg v/d moderne historiografie.“
o Objectief, brongericht.
o Ook grote verschillen.
Eerst historiografisch conventioneel (9e-7e eeuw vC).
o Vergelijkbaar met Mesopotamische wereld.
o Koningslijsten (gepolitiseerde tijdrekenkunde): manier om tijd bij te houden.
Maar anders in elke polis.
4