Hoofdstuk 1: introductie................................................................................................. 1
Functies van het spijsverteringsstelsel........................................................................1
Opbouw: macro- en microscopie van het spijsverteringsstelsel..................................1
Bevloeiing van het spijsverteringsstelsel.....................................................................1
Arteriën (aanvoer zuurstofrijk bloed).......................................................................1
Venen (afvoer zuurstofarm bloed)............................................................................ 2
Lymfevaten............................................................................................................... 2
Bezenuwing van het spijsverteringsstelsel..................................................................2
Het autonome zenuwstelsel..................................................................................... 4
Immuniteit van het spijsverteringsstelsel....................................................................5
GALT: Gut Associated Lympho-epithelial Tissue........................................................5
Hoofdstuk 2: mondholte en keelengte............................................................................7
Opbouw....................................................................................................................... 7
Vestibulum oris: labia en bucca...................................................................................8
Vestibulum oris: arcus dentalis superior en inferior.....................................................8
Cavum oris proprium: mondvloer................................................................................9
Cavum oris proprium: lingua..................................................................................... 10
Cavum oris proprium: lingua - extrinsieke en intrinsieke tongspieren:......................11
Extrinsieke spieren................................................................................................. 11
Cavum oris proprium: palatum durum en molle........................................................12
Verhemeltespieren................................................................................................. 12
Hoofdstuk 3: speekselklieren en pharynx.....................................................................13
Speekselklieren: inleiding.......................................................................................... 13
Speekselklieren: histologie........................................................................................ 14
Lozingsgangen....................................................................................................... 14
Acini....................................................................................................................... 14
Speekselklieren: macroscopie................................................................................... 15
Pharynx: inleiding...................................................................................................... 15
Pharynx: laterale en posterieure wand......................................................................16
Hoofdstuk 4: slokdarm (oesophagus)........................................................................... 17
Slokdarm: macroscopie............................................................................................. 17
Slokdarm: microscopie.............................................................................................. 18
Ziektebeeld............................................................................................................... 19
Hoofdstuk 5: maag/ventriculus/gaster..........................................................................20
Maag: macroscopie................................................................................................... 20
Maag: microscopie..................................................................................................... 21
Ziektebeeld............................................................................................................... 22
,Hoofdstuk 6: dunne darm............................................................................................. 23
Dunne darm: macroscopie........................................................................................ 23
Dunne darm: microscopie.......................................................................................... 24
Ziektebeeld............................................................................................................... 25
Hoofdstuk 7: dikke darm............................................................................................... 26
Dikke darm: macroscopie.......................................................................................... 26
Dikke darm: microscopie........................................................................................... 28
Ziektebeeld............................................................................................................... 28
Hoofdstuk 8: lever........................................................................................................ 29
Lever: macroscopie................................................................................................... 29
Lever: microscopie.................................................................................................... 31
Ziektebeeld............................................................................................................... 32
Hoofdstuk 9: galwegen en pancreas............................................................................. 32
Galwegen: macroscopie............................................................................................ 32
Galwegen: microscopie............................................................................................. 33
Ziektebeeld............................................................................................................... 33
Pancreas: macroscopie.............................................................................................. 34
Pancreas: microscopie............................................................................................... 34
Ziektebeeld............................................................................................................... 35
,Hoofdstuk 1: introductie
Functies van het spijsverteringsstelsel
- Propulsie: het voorstuwen van voedsel van mond naar anus door peristaltische
contracties van het maagdarmstelsel. Als er een infectie optreedt zullen je
spieren verkrampen en treden er krampen op
- Vertering van voedsel tot een pap: vertering gebeurt door de zure pH van de
maag en de enzymen van speekselklier, maag en pancreas
- Absorptie van water en voedingsstoffen uit de pap thv de dundarm
- Detoxificatie van de opgenomen voedingsstoffen doordat het bloed van de
dunne darm naar de lever loopt
- Secretie van interne en externe giftige stoffen of stoffen die het lichaam niet in
mogen door lever en colon (ook secretie van water in colon)
- 50% van het immuunsysteem komt voor thv de darmwand (GALT) aangezien
het lumen van het maagdarmstelsel gevuld is met buitenwereld
Opbouw: macro- en microscopie van het spijsverteringsstelsel
Buisvormige organen zijn holle organen die gekenmerkt worden door aanwezigheid
van een holte/lumen: mond, pharynx, slokdarm, maag, dunne en dikke darm. Vaste
organen hebben geen lumen: speekselklieren, alvleesklier en lever
Doorsnede van een buisvormig orgaan/opbouw van de wand:
- Mucosa die bestaat uit: epitheel dat rust op het basaal membraan, lamina
propria van losmazig bindweefsel met capillairen, GALT en zenuwvezels en
muscularis mucosae (dun laagje glad spierweefsel)
- Submucosa: losmazig bindweefsel met submucosale klieren die uitmonden in
het lumen, GALT, bloedvaten, oppervlakkige plexus van Meissner en diepe
plexus van Henle die deel uit maken van een zenuwvlecht
- Muculosa/muscularis propria/muscularis externa die bestaat uit een binnenste
circulaire en een buitenste longitudinale spierlaag met daartussen de plexus
myentericus van Auerbach die ook deel uitmaakt van de zenuwvlecht.
- Adventitia in slokdarm en rectum die vergroeid is met het bind- en vetweefsel
van andere organen of serosa/peritoneum in maag en darm dat onder het bind-
en vetweefsel nog een laag heeft = het mesotheel dat fungeert als fysische
barrière om tumoren tegen te houden.
Het epitheel van de mucosa kan verschillen naargelang het orgaan: huid en slokdarm
hebben meerlagig plaveiselepitheel, de maag een éénlagig epitheel en de darmen een
éénlagig epitheel met slijmbekercellen en microvilli.
Bevloeiing van het spijsverteringsstelsel
Arteriën (aanvoer zuurstofrijk bloed)
De aorta abdominalis zorgt voor bevloeiing van de infradiafragmatische buikorganen
en geeft hiervoor 3 grote bloedvaten af die alle takken naar de organen van het
maagdarmstelsel afgeven: truncus coeliacus, a mesenterica superior en inferior.
Onderlinge anastomosen van de takken zorgt voor een collaterale arteriële circulatie
die als beschermingsmechanisme tegen zuurstoftekort/ischemie dient. Als een
bloedvat uitvalt zullen andere bloedvaten de bevloeiing overnemen -> verminderen
van het risico op darminfarcten
1
, Venen (afvoer zuurstofarm bloed)
Het veneuze bloed komt in de lever terecht via de vena porta, na detoxificatie zal het
‘gefilterde’ bloed in de vena cava inferior terechtkomen en terugvloeien naar het hart.
Bij levercirrose wordt het leverweefsel vervangen door een hard bindweefsel en
verdwijnen de poriën. Het bloed in de vena porta kan niet meer weg waardoor de druk
toeneemt en spataders vormen in de slokdarm, als de druk te groot wordt kunnen de
spataders openbarsten en zorgt een interne bloeding voor het leegbloeden van de
patiënt.
Lymfevaten
Het systeem is sterk ontwikkeld, vooral in de villi van de dunne darm en afwezig in de
mucosa van colon en maag. Het loopt parallel aan de venen en zorgt voor het afvoer
van schadelijke stoffen en bacteriën naar de lymfeklieren. In de lymfeklieren zit het
immuun stelsel en kan dus verdediging plaatsvinden. Tumoren gebruiken de
lymfevaten om te metastaseren -> geen lymfevaten in de mucosa van het colon vs
veel lymfevaten in de dunne darm. De ernst van een tumor is afhankelijk van hoe diep
de tumor zit (T), hoeveel lymfeklieren aangetast zijn (N) en of er sprake is van
metastase op afstand (M). De kans op metastase op afstand bij een tumor in de dunne
darm is het grootst in de lever omdat tumorcellen volgens het verloop van het bloed
verplaatsen en dus als eerste in de lever terechtkomen.
Bezenuwing van het spijsverteringsstelsel
Mond en pharynx staan onder controle van het bewustzijn = somatisch zenuwstelsel
dat verloopt via craniale zenuwen = zenuwen met oorsprong in de hersenen
Slokdarm, maag, dunne darm, dikke darm, speekselklieren, alvleesklier en lever staan
niet onder controle van het bewustzijn = autonoom zenuwstelsel dat verloopt via
spinale zenuwen en 1 craniale zenuw voor de speekselklieren = extrinsieke en
intrinsieke plexus
Het zenuwstelsel zorgt voor sensorische input = waarnemen van verandering
(sensatie) via sensoriële receptoren en motorische output = interpretatie van de
waarneming (integratie) en reactie via effector organen. De neuronen zorgen voor
opname van de prikkel uit de omgeving en omvorming ervan tot zenuwimpuls
(fysicochemisch), de impuls zal verder geleid en doorgegeven worden als elektrisch
actiepotentiaal = transmissie.
Een synaps is een contact tussen 2 neuronen, een neuron en spiercel of neuron en
kliercel en omvat een synaptische kloof/spleet. Overdracht van een impuls tussen 2
neuronen gebeurt door tussenkomst van een chemische stof/neurotransmitter.
Het zenuwstelsel kan op 3 manieren onderverdeeld worden:
- Anatomische opbouw:
o Centraal zenuwstelsel dat bestaat uit hersenen, ruggenmerg en
meningen = bindweefselige hulzen die dienen als bescherming
o Perifeer zenuwstelsel dat bestaat uit de zenuwuitlopers van de craniale
en spinale zenuwen. De craniale zenuwen treden uit in de hersenen en de
spinale in het ruggenmerg. De sensorische/afferente banen dienen voor
aanvoer van prikkels en de motorische/efferente banen voeren de acties
uit: motorische acties door spieren en secretoire acties door klieren
2