De menselijke
kenmerken MNT natuurlijke taal
Interactief => uitwisseling info tss mensen
Creatief/ productief => taal evolueert aanpassen en vernieuwen
Gestructureerd => grammatica en regels
Referentieel => verwijst naar realiteit
Spontaan ontstaan
Arbitrair => vorm en betekenis combinatie is willekeurig
Conventioneel => afspraken
Linguïstische = onbewuste kennis over taal en taalvermogen
competence
Performance = taalgebruik in bepaalde situaties
Prescriptieve = schrijft voor welke taalvormen correct zijn en welke niet
grammatica
Descriptieve = beschrijven/ verklaren taalregels
grammatica
Fonografische taal = syllaben/ klanken (NL)
Pictografische taal = een teken = een woord
Denken over taal
LOKALISATIE TAAL EN DENKEN
Lokalistische visie = elke functie heeft een specifieke locatie in hersenen
(Franz Gall)
Holistische visie = hersengebieden werken samen (John Huglings Jackson)
- tegenwoordig => hersengebieden hebben voorkeursfunctie maar werken
samen
RELATIE TSS TAAL EN DENKEN
Universalisme = iedereen denkt op dezelfde manier
Linguïstische = taal bepaalt denken
determinisme
- linguïstische = taal die we spreken geeft ons denken vorm en beïnvloedt
realiteitshypothese onze waarneming (maar niet volledig) (Shapir-Whorf)
- Werkelijkheid => universele concepten, ook taal en cultuurspecifieke
concepten
Taalontwikkeling en cognitieve ontwikkeling gaan samen
TAALVERMOGEN (nature-nurture)
Rationalisme aangeboren
Empirisme aangeleerd
- Tegenwoordig combinatie
Taalgebruiker
Taalbegrip = spraakinput
Cognitief systeem Kennis van de wereld, kennis van taalsysteem en kennis
van taalgebruik situatie
Taalproductie = spraakoutput
Fonologische = woordvorming
codering
Grammaticale = woord- en zinskeuze
codering
Communicatiemodel
Coderen = in welke ‘taal’ wil je communiceren
Verbaal, paraverbaal (intonatie, luidheid, …), extraverbaal
(lichaamstaal, gebaren, ...)
Uitwisselen van info = zender die idee verwoordt en ontvanger die de verwoorde
boodschap capteert
Communicatieproble => bij elke stap kan het mislopen
, men
Ruis = storingen in de communicatie
- graad: licht of ernstig
- duur: inherentie (niet situatie/ tijd gebonden) of
situationeel (tijdelijk/ toevallig)
Feedback => zender krijgt voortdurend info over het
communicatieproces
Van zichzelf of van de ontvanger
Articulatorische fonetiek – vocalen
INDELINGSCRITERIA
Plaats van articulatie = welk deel van de tong beweegt naar het verhemelte
Voor – centraal – achter
Sluitingsgraad = mate waarin tong gehemelte nadert
Gesloten – half-gesloten – midden - half-open – open
Nasaliteit = beweging zachte verhemelte
Oraal en nasaal
Lipronding = aard van opening lippen
Ongeronde of geronde vocalen
Lengte = duur van vocale
Lange of korte vocalen
Spanning = spierspanning articulatoren
Gespannen of ongespannen vocalen
Dynamiek = beweging van articulatoren
Monoftongen (stabiel, onveranderde positie) of diftongen
(graduele verandering in positie)
Articulatorische fonetiek - consonanten
INDELINGSCRITERIA
Bron van luchtstroom - pulmonische luchtstroom vanuit longen (NL)
- niet-pulmonische luchtstroom vanuit andere plaats
Richting van - egressieve luchtstroom tijdens uitademen (NL)
luchtstroom - ingressieve luchtstroom tijdens inademen
Activiteit van - stemhebbend trilling
stemplooien - stemloos geen trilling
Plaats van articulatie = positie van articulatieorganen
- bilabiaal
- labio-dentaal
- dentaal
- alveolair
- postalveolair
- palataal
- velair
- uvulair
- glotaal
Positie van zachte - oraal velum opgetrokken, neus afgesloten
verhemelte - nasaal velum laag, mondholte afgesloten, lucht via neus
Wijze van articulatie - occlusie afsluiting
- fricatief gedeeltelijke afsluiting
HOOFDKLASSE
Occlusief = mond- en neusholte afgesloten (explosieven, plosieven,
stopklanken)
Fricatieven = neusholte afgesloten en mondholte gedeeltelijk
afgesloten (wrijfklanken)
KLEINERE KLASSE
Affricaten = combinatie occlusief en fricatief (in leenwoorden)
kenmerken MNT natuurlijke taal
Interactief => uitwisseling info tss mensen
Creatief/ productief => taal evolueert aanpassen en vernieuwen
Gestructureerd => grammatica en regels
Referentieel => verwijst naar realiteit
Spontaan ontstaan
Arbitrair => vorm en betekenis combinatie is willekeurig
Conventioneel => afspraken
Linguïstische = onbewuste kennis over taal en taalvermogen
competence
Performance = taalgebruik in bepaalde situaties
Prescriptieve = schrijft voor welke taalvormen correct zijn en welke niet
grammatica
Descriptieve = beschrijven/ verklaren taalregels
grammatica
Fonografische taal = syllaben/ klanken (NL)
Pictografische taal = een teken = een woord
Denken over taal
LOKALISATIE TAAL EN DENKEN
Lokalistische visie = elke functie heeft een specifieke locatie in hersenen
(Franz Gall)
Holistische visie = hersengebieden werken samen (John Huglings Jackson)
- tegenwoordig => hersengebieden hebben voorkeursfunctie maar werken
samen
RELATIE TSS TAAL EN DENKEN
Universalisme = iedereen denkt op dezelfde manier
Linguïstische = taal bepaalt denken
determinisme
- linguïstische = taal die we spreken geeft ons denken vorm en beïnvloedt
realiteitshypothese onze waarneming (maar niet volledig) (Shapir-Whorf)
- Werkelijkheid => universele concepten, ook taal en cultuurspecifieke
concepten
Taalontwikkeling en cognitieve ontwikkeling gaan samen
TAALVERMOGEN (nature-nurture)
Rationalisme aangeboren
Empirisme aangeleerd
- Tegenwoordig combinatie
Taalgebruiker
Taalbegrip = spraakinput
Cognitief systeem Kennis van de wereld, kennis van taalsysteem en kennis
van taalgebruik situatie
Taalproductie = spraakoutput
Fonologische = woordvorming
codering
Grammaticale = woord- en zinskeuze
codering
Communicatiemodel
Coderen = in welke ‘taal’ wil je communiceren
Verbaal, paraverbaal (intonatie, luidheid, …), extraverbaal
(lichaamstaal, gebaren, ...)
Uitwisselen van info = zender die idee verwoordt en ontvanger die de verwoorde
boodschap capteert
Communicatieproble => bij elke stap kan het mislopen
, men
Ruis = storingen in de communicatie
- graad: licht of ernstig
- duur: inherentie (niet situatie/ tijd gebonden) of
situationeel (tijdelijk/ toevallig)
Feedback => zender krijgt voortdurend info over het
communicatieproces
Van zichzelf of van de ontvanger
Articulatorische fonetiek – vocalen
INDELINGSCRITERIA
Plaats van articulatie = welk deel van de tong beweegt naar het verhemelte
Voor – centraal – achter
Sluitingsgraad = mate waarin tong gehemelte nadert
Gesloten – half-gesloten – midden - half-open – open
Nasaliteit = beweging zachte verhemelte
Oraal en nasaal
Lipronding = aard van opening lippen
Ongeronde of geronde vocalen
Lengte = duur van vocale
Lange of korte vocalen
Spanning = spierspanning articulatoren
Gespannen of ongespannen vocalen
Dynamiek = beweging van articulatoren
Monoftongen (stabiel, onveranderde positie) of diftongen
(graduele verandering in positie)
Articulatorische fonetiek - consonanten
INDELINGSCRITERIA
Bron van luchtstroom - pulmonische luchtstroom vanuit longen (NL)
- niet-pulmonische luchtstroom vanuit andere plaats
Richting van - egressieve luchtstroom tijdens uitademen (NL)
luchtstroom - ingressieve luchtstroom tijdens inademen
Activiteit van - stemhebbend trilling
stemplooien - stemloos geen trilling
Plaats van articulatie = positie van articulatieorganen
- bilabiaal
- labio-dentaal
- dentaal
- alveolair
- postalveolair
- palataal
- velair
- uvulair
- glotaal
Positie van zachte - oraal velum opgetrokken, neus afgesloten
verhemelte - nasaal velum laag, mondholte afgesloten, lucht via neus
Wijze van articulatie - occlusie afsluiting
- fricatief gedeeltelijke afsluiting
HOOFDKLASSE
Occlusief = mond- en neusholte afgesloten (explosieven, plosieven,
stopklanken)
Fricatieven = neusholte afgesloten en mondholte gedeeltelijk
afgesloten (wrijfklanken)
KLEINERE KLASSE
Affricaten = combinatie occlusief en fricatief (in leenwoorden)